Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:594

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
23-002657-18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafmaat. Overtreding artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2019/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002657-18

datum uitspraak: 12 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem van 12 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-244196-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2019.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 juli 2017 te Aalsmeerderbrug, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg,

  • -

    de N196 gekomen op en/of (nabij) de kruising met de Fokkerweg/Pudongweg het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd waarbij hij, verdachte, met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/of (vervolgens)

  • -

    de N196 gekomen op en/of (nabij) de kruising met de Aalsmeerderdijk het voor hem rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd waarbij hij, verdachte, met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 70 kilometer per uur heeft gereden waarna en/of (mede) waardoor hij, verdachte tegen een ander (afslaand) voertuig is aangereden/gebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 juli 2017 te Aalsmeerderbrug, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg,

- de N196 gekomen op de kruising met de Fokkerweg/Pudongweg het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd waarbij hij, verdachte, met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en vervolgens

- de N196 gekomen op de kruising met de Aalsmeerderdijk het voor hem rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd waarbij hij, verdachte, met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 70 kilometer per uur heeft gereden waarna en mede waardoor hij, verdachte tegen een ander voertuig is gebotst,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De kantonrechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 1 maand en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 600 euro, te vervangen door 12 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto met passagiers schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk verkeersgedrag door met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan ter plaatse was toegestaan en tweemaal een rood verkeerslicht ter hoogte van een kruising te negeren. Dit heeft geresulteerd in een botsing met een ander voertuig. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen schade en hinder veroorzaakt, maar ook blijk gegeven van miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Hij heeft geen rekening gehouden met de gevolgen die zijn rijgedrag zou kunnen hebben voor andere verkeersdeelnemers en zijn medepassagiers.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte de verantwoordelijkheid genomen voor zijn rijgedrag en heeft hij als verklaring gegeven dat hij de desbetreffende dag druk vanuit zijn werkgever voelde om sneller te werken. De verdediging heeft, in verband met de baan van de verdachte, het belang van het behouden van het rijbewijs benadrukt. Gelet hierop en op het feit dat er geen sprake is van recidive heeft de verdediging bepleit dat er geen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt opgelegd, dan wel dat deze geheel voorwaardelijk wordt opgelegd.

Het hof acht met de advocaat-generaal de in eerste aanleg opgelegde straffen te hoog, mede gelet op de richtlijnen die het Openbaar Ministerie in soortgelijke zaken hanteert en de straffen die door de rechter doorgaans worden opgelegd, en acht termen aanwezig om een lagere straf op te leggen. Alles afwegende, acht het hof een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 22.367,13, bestaande uit € 2.367,13 aan materiele schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.836,00 aan materiele en immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 1.087,00 wegens materiële schade en € 1.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Voor de overige kosten dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering nu deze onvoldoende zijn onderbouwd. Voor de toegewezen schade inclusief rente dient tevens een schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij erkend tot een bedrag van € 884,00, bestaande uit schade aan glas van een mobiele telefoon, eigen risico kosten door de ambulancerit en de kosten voor fysiotherapie. De overige kosten worden door de verdediging betwist wegens het onvoldoende onderbouwen van de kosten.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de materiele schade, bestaande uit kosten voor fysiotherapie en eigen risico naar aanleiding van de ambulancerit, € 784,00 bedraagt, zodat deze voor vergoeding in aanmerking komt.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid schatten op € 350,00 waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheid dat het handelen van de verdachte voor de benadeelde partij een grote impact heeft gehad waardoor zij slecht heeft kunnen slapen en niet meer durfde te rijden.

In totaal zal het hof de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.134,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag..

Ten aanzien van de gevorderde motorrijtuigen belasting is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor een bedrag van € 209,00 zal worden afgewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.134,00 (duizend honderdvierendertig euro) bestaande uit

€ 784,00 (zevenhonderdvierentachtig euro) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 209,00 (tweehonderdnegen euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.134,00 (duizend honderdvierendertig euro) bestaande uit € 784,00 (zevenhonderdvierentachtig euro) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 juli 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. F.A. Hartsuiker en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van A. Ivanov, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 februari 2019.

Mr. A.M.P. Geelhoed is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]