Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:578

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
23-002217-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling. Partiële vrijspraak zwaar lichamelijk letsel. Bewijsoverweging. Art. 9a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002217-17

Datum uitspraak: 19 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-076049-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2019.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 augustus 2014 te Heemstede, althans in Nederland opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), heeft geslagen, gestompt en/of geduwd in/op/tegen het gezicht van die [slachtoffer], (mede) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (hard) op de grond is gevallen en/of (waarbij) zijn hoofd (hard) de grond heeft geraakt, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (drie breuken in de onderkaak), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Partiële vrijspraak

Aan de verdachte is mishandeling met een strafverzwarend gevolg, te weten het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel, ten laste gelegd. Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij het slachtoffer is veroorzaakt, te weten drie breuken in de onderkaak, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof dat hetgeen het hof uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel ontoereikend is om het letsel aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. De verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft – kort gezegd - verzocht de verdachte vrij te spreken, nu onvoldoende is vast komen te staan dat de verdachte de aangever heeft geslagen als gevolg waarvan deze letsel, zijnde een kaakbreuk, heeft opgelopen. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat betwijfeld kan worden of de getuige [getuige 1] een correcte weergave van de werkelijke toedracht van het incident heeft gegeven. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de duw die de verdachte wel heeft gegeven voortkwam uit noodweer op grond waarvan de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten slotte heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke vorm, op het toebrengen van letsel bij de aangever. Diens val was slechts het gevolg van een onfortuinlijke samenloop van omstandigheden, welke de verdachte niet kan worden aangerekend. Hij wilde enkel verlost raken van een hem bedreigende component, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de nacht van 17 augustus 2014 samen met twee vrienden, [naam 1] en [naam 2], vanuit Heemstede naar Haarlem is gefietst. Op een gegeven moment passeerden zij een groep jongeren. De aangever is daarna achter hen aan gefietst en vroeg om sigaretten. Op dat moment bestond er een woordenwisseling tussen de verdachte en de aangever, waarbij de verdachte zijn stem verhief. Daarop reageerde de aangever door te zeggen dat hij een sigaret wilde en hen anders iets aan zou doen met een mes.

De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment boos werd op de aangever. De getuige [naam 2] heeft verklaard dat hij de verdachte vervolgens op luide toon hoorde zeggen: ‘ga je ons nou bedreigen?’. De onafhankelijke getuige [getuige 1] heeft tevens verklaard dat hij een persoon op een luidruchtige, agressieve manier dergelijke woorden hoorde roepen, waarbij hij heeft waargenomen dat de persoon, die deze woorden uitsprak, de aangever heeft geslagen in zijn gezicht en dat de aangever direct hierna met zijn gezicht naar beneden gericht op de stoeprand viel. De getuige [naam 2] heeft in eerste instantie bij de politie verklaard dat één van zijn twee vrienden (het hof begrijpt: [naam 1] dan wel de verdachte) de aangever een klap heeft verkocht. Nu de verklaring van de getuige [getuige 1] op essentiële onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [naam 2], gaat het hof - anders dan de raadsman heeft bepleit - uit van de verklaring van de getuige [getuige 1]. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte in eerste instantie bij de politie heeft verklaard: ‘Vervolgens hebben wij de jongen geslagen (…)’.

Gelet op de voorgaande verklaringen, allen in onderling samenhang bezien, gaat het hof ervan uit dat het de verdachte is geweest die de aangever in zijn gezicht heeft geslagen, waardoor de aangever op de grond is gevallen waarbij zijn hoofd de grond heeft geraakt. Uit het dossier blijkt dat de aangever ten gevolge hiervan lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet voldaan zijn aan de voorwaarde dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen een noodzakelijke verdediging geboden is.

Het hof is van oordeel dat dit beroep op noodweer – waarvan het hof begrijpt dat het gericht is op vrijspraak – dient te worden verworpen, nu een noodweersituatie onvoldoende aannemelijk is geworden. Dat de dreiging van de kant van de aangever van dien aard was dat het handelen van de verdachte, bestaande uit het slaan in het gezicht, geboden was, blijkt niet uit het dossier. De aangever heeft de verdachte en zijn vrienden op een vervelende manier benaderd en hij heeft daarbij verbaal gedreigd met een mes te steken. Niet is gebleken dat de aangever ook een mes bij zich had. De verdachte en de getuige [naam 2] hebben bij de politie verklaard dat zij geen mes hebben gezien. Daarbij komt dat de verdachte en zijn twee vrienden in de meerderheid waren, de aangever was op dat moment alleen. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij na de door de aangever geuite woordelijke bedreigingen boos werd. Uit het dossier volgt tevens dat de verdachte zich op dat moment agressief gedroeg. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van letsel bij de aangever blijkt reeds uit de feitelijke handelingen van de verdachte. Het hof heeft in de voorgaande overwegingen vastgesteld dat de verdachte de aangever in het gezicht heeft geslagen en daarbij heeft het hof het beroep op noodweer verworpen. Het hof verwerpt dan ook het verweer dat de verdachte geen opzet had op het toebrengen van letsel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 augustus 2014 in Nederland opzettelijk mishandelend [slachtoffer] heeft geslagen in het gezicht, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen waarbij zijn hoofd de grond heeft geraakt, ten gevolge waarvan deze lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf of maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00 subsidiair twaalf dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Zij heeft daartoe gewezen op de rol die het slachtoffer heeft gespeeld, op het feit dat de verdachte na het bewezenverklaarde feit door anderen is belaagd en geslagen, alsmede op het tijdverloop.

De raadsman heeft – mocht het hof tot een bewezenverklaring komen - tevens verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte niet eerder met politie in justitie in aanraking is geweest, dat het om een feit uit 2014 gaat, dat de aangever een initiërende rol heeft gespeeld bij het incident, dat de verdachte nadien niet meer in aanraking met politie en justitie is geweest en dat hij voornemens heeft om toe te treden tot het brandweerkorps waarbij een aantekening op zijn Justitiële Documentatie in de weg zou kunnen staan aan het verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag. De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij bij de Nederlandse Spoorwegen werkt en daar binnenkort naar verwachting een nieuwe functie zal krijgen. Ook met het oog daarop is een verklaring omtrent het gedrag van groot belang.

Het hof heeft in hoger beroep gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij het in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] door hem in het gezicht te slaan, waardoor hij op de grond is gevallen en met zijn hoofd de grond heeft geraakt. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel bekomen en pijn ondervonden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 januari 2019 heeft de verdachte een blanco strafblad.

Mede gelet op hetgeen door de advocaat-generaal, de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de strafoplegging en omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, waarbij het hof zich aansluit, acht het hof het raadzaam dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. M.L. Leenaers en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van mr. S. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 februari 2019.

Mr. M.L. Leenaers en mr. M.B. de Wit zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]