Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:571

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
23-000270-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot dwang. Bewezenverklaring diefstal fiets en winkeldiefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000270-18

Datum uitspraak: 5 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-191722-17 (zaak A) en 13-243419-17 (zaak B) en 13-260745-17 (zaak C) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-191722-17 (zaak A):
hij op of omstreeks 16 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander en/of anderen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander(en), wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het betalen van een geldbedrag in ruil voor de tas (met inhoud) en/of het paspoort van die [slachtoffer 1], door

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] te zeggen dat die [slachtoffer 1] een geldbedrag moest betalen om het paspoort en de tas (met inhoud) terug te krijgen, en/of

- vervolgens met die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] af te spreken, en/of

- vervolgens de tas en/of het paspoort aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] te tonen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 16 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een tas en/of een paspoort, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als houder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Zaak met parketnummer 13-243419-17 (zaak B):
hij op of omstreeks 30 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak met parketnummer 13-260745-17 (zaak C):
hij op of omstreeks 30 december 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer verpakkingen koffie en/of kaas en/of hamburgers, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf [bedrijf], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak ten aanzien van zaak A

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte voor het in de zaak A ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs.

Het hof is van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting en ook overigens op basis van de inhoud van het dossier niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is vast te stellen dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan. Het hof overweegt in dat verband het navolgende.

Aangeefster [slachtoffer 1] was op 14 juli 2017 in de woning van de verdachte en heeft daar haar tas en paspoort achtergelaten. Zij heeft verklaard dat zij de nacht daaropvolgend bij “[naam]” heeft gelogeerd en daarna haar tas en paspoort terug wilde.

De verdachte heeft verklaard dat hij de tas en het paspoort van [slachtoffer 1] wilde teruggeven, maar dan wel de € 350,00 die hij haar eerder had geleend terug wilde hebben, omdat hij bang was dat hij dit geleende geld anders niet meer terug zou krijgen, mede gelet op het feit dat [slachtoffer 1] niet zelf kwam om haar tas en paspoort op te halen. Over de overdracht van de tas en het paspoort en de € 350,00 heeft hij zowel telefonisch contact gehad met [slachtoffer 1] als met [slachtoffer 3], hetgeen ook door hen wordt bevestigd. Tijdens het laatste gesprek met [slachtoffer 3] was ook de politie aanwezig. De politie heeft in het proces-verbaal van bevindingen (pagina 007) gerelateerd dat zij hoorden dat de verdachte zei: “Ik kom over een kwartier naar het Victoriahotel met haar paspoort en tas. Dan krijg je alle spullen. Ik wil daar 350,00 voor hebben”.

Hoewel deze woorden ook de strekking kunnen hebben dat hij in ruil voor teruggave geld wilde hebben, is zijn verklaring dat hij de tas en het paspoort pas terug wilde geven als hij het geleende geld terug had gekregen, niet daarmee in tegenspraak. Mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte direct bij gelegenheid van het eerste verhoor deze verklaring heeft afgelegd, acht het hof het feit onvoldoende wettig en overtuigend bewezen en zal het hof de verdachte vrijspreken van dit feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak B en zaak C ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak B:
hij op 30 november 2017 te Amsterdam, een fiets, die aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak C:
hij op 30 december 2017 te Amsterdam, verpakkingen koffie en kaas en hamburgers, die aan een ander toebehoorden, te weten aan het winkelbedrijf [bedrijf], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen in de zaak B en zaak C meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak B en zaak C bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak B en zaak C bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak B en zaak C bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder zaak A onder primair, zaak B en zaak C bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek van voorarrest, waarvan één week voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren en het inbeslaggenomen biljet van € 20,00 verbeurd verklaard.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder zaak A onder primair, zaak B en zaak C ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken en een proeftijd van twee jaren. Anders dan gevorderd heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld niet afwijzend te staan tegenover de oplegging van een taakstraf voor de duur van 40 uren, waarvan 10 uren voorwaardelijk. Ten aanzien van het biljet van € 20,00 heeft zij verbeurd verklaring gevorderd.

De raadsman heeft verzocht een taakstraf op te leggen voor de duur van 30 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 uren voorwaardelijk. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte een uitkering ontvangt, een inschrijfadres heeft en goed bereikbaar is. Ook heeft hij naar voren gebracht dat de verdachte al geruime tijd niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie en bezig is zijn leven op de rit te krijgen. Daarnaast heeft hij gewezen op de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Straf (LOVS).

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en diefstal van een fiets. Met zijn handelwijze heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien naast schade vaak veel hinder en overlast voor de gedupeerden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 januari 2019 is hij eerder te weten op 9 mei 2007, ter zake van de soortgelijke vermogensdelicten, opzetheling en oplichting, onherroepelijk veroordeeld. Gelet op het tijdverloop sindsdien weegt het hof deze veroordeling niet in het nadeel van de verdachte.

Voor het opleggen van een deels voorwaardelijke straf zoals verzocht door de raadsman en de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp behoort aan de verdachte toe. Het zal worden verbeurd verklaard aangezien het geheel door middel van het in de zaak B ten laste gelegde en bewezen verklaarde is verkregen, nu de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij € 20,00 heeft verdiend met de verkoop van de gestolen fiets en de “koper” heeft verklaard € 20,00 aan de verdachte te hebben betaald voor de fiets. Het hof heeft rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 33, 33a, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak A ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak B en zaak C ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in de zaak B en zaak C meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak B en zaak C bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 16 (zestien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

ten aanzien van zaak B: geldbedrag: € 20,00.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van mr. S. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 februari 2019.

Mr. M.L. Leenaers en mr. M.B. de Wit zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]