Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:538

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
13/665018-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Raadkamer
Inhoudsindicatie

recidivegevaar wegens lucrativiteit delicten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/665018-19

GERECHTSHOF AMSTERDAM,

MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER

BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [adres],

thans verblijvende in het huis van bewaring Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp,

tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2019, voor zover houdende bevel tot zijn gevangenhouding.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Amsterdam van

23 januari 2019, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beschikking van die rechtbank.

Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door diens raadsvrouw mr. M.M.R. Slaghekke.

Bij de behandeling in raadkamer heeft de raadsvrouw namens de verdachte een mondeling schorsingsverzoek gedaan.

De beoordeling

Het hof verenigt zich met de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en de gronden waarop deze berust.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat er ernstige bezwaren zijn voor de onder 2 en 3 op de vordering inbewaringstelling vermelde feiten. De verklaringen die de verdachte hierover heeft afgelegd en de stukken die de verdediging tot nu toe ter onderbouwing van die verklaringen heeft overgelegd, acht het hof onvoldoende om deze ernstige bezwaren niet aanwezig te achten.

Nu er ernstige bezwaren zijn dat de verdachte zich op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan ogenschijnlijk zeer lucratieve vermogensdelicten, acht het hof de vrees gerechtvaardigd dat de verdachte bij invrijheidsstelling een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld.

Het hof is van oordeel dat een omstandigheid als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv zich thans niet voordoet.

Wat betreft het verzoek tot schorsing ziet het hof geen mogelijkheid het bestaande recidivegevaar door het stellen van schorsingsvoorwaarden voldoende in te perken.

13/665018-19

De beslissing

Het hof:

WIJST AF het beroep tegen de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Deze beschikking is gegeven op 6 februari 2019 in raadkamer van dit hof door

mr. J.L. Bruinsma, voorzitter,

mrs. M.M.H.P. Houben en B. van der Werf, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.

Amsterdam, 6 februari 2019,

de advocaat-generaal