Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:532

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
23-002275-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 2 onder C Opiumwet. Art. 184 Sr. Vordering TUL.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002275-18

Datum uitspraak: 19 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-199553-17 en 13-162582-16 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2019.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 7 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,17 gram cocaïne en/of een aantal, te weten ongeveer 10 tabletten MDMA, in elk geval hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij op of omstreeks 7 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 3 Politiewet 2012, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant], belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd weg te lopen en/of afstand te bewaren, hieraan geen gevolg te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 7 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,17 gram cocaïne en ongeveer 10 tabletten MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2:
hij op 7 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 3 Politiewet 2012, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant], belast met de uitoefening van enig toezicht, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd weg te lopen en afstand te bewaren, hieraan geen gevolg te geven.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Hij werkt sinds zes maanden ongeveer vier á vijf dagen per week in de keuken van een Surinaams eethuis. Het inkomen dat hij hiermee genereert, wordt gekort op zijn Wajong-uitkering. Verder heeft hij een zoontje van acht jaar dat hij naar school brengt. Gelet hierop wordt verzocht om een taakstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer tien tabletten MDMA en daarnaast een hoeveelheid van 1,17 gram cocaïne. Harddrugs zoals MDMA en cocaïne zijn voor de gebruiker zeer schadelijke stoffen. Daarnaast leert de ervaring dat harddrugs vaak gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, variërend van lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit Verder heeft de verdachte geen gehoor gegeven aan een op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 gegeven bevel of vordering van een ambtenaar van de politie om weg te lopen en afstand te bewaren. De verdachte heeft hierdoor bijgedragen aan verstoring van de openbare orde. Door een dergelijk bevel te negeren geeft de verdachte er ook blijk van geen respect te hebben voor het gezag van de politieambtenaar. Een dergelijke gedraging belemmert de politie in haar taakvervulling.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 januari 2019 is hij eerder ter zake van artikel 2 onder C van de Opiumwet en het niet voldoen aan een ambtelijk bevel onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Uit dit uittreksel blijkt verder dat de verdachte op 7 april 2015 is veroordeeld ter zake van een Opiumwet-delict tot een taakstraf. Dit vonnis is op 22 april 2015 onherroepelijk geworden en de verdachte heeft de opgelegde taakstraf voldaan. Aldus is aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het hier bewezen verklaarde een taakstraf opgelegd voor een soortgelijk misdrijf, welke taakstraf ook door de verdachte is verricht. Gelet daarop is artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (het zogeheten taakstrafverbod) van toepassing. Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet het hof om die reden geen ruimte om een taakstraf op te leggen.

Het hof acht een voorwaardelijke straf niet passend nu de verdachte het onderhavige feit in een proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf voor overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht heeft gepleegd. Het hof acht, alles afwegende en gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal het hof een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 57 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging (13-162582-16)

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft toewijzing van de vordering gevorderd.

Gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. In de actuele persoonlijke situatie van de veroordeelde, zoals deze op de terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, ziet het hof evenwel aanleiding om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, de tenuitvoerlegging te gelasten van een taakstraf van hierna te melden duur.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2017 met parketnummer 13-162582-16, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, een

taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. M.L. Leenaers en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van mr. S. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 februari 2019.

Mr. M.L. Leenaers en mr. M.B. de Wit zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]