Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:530

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
18/00021
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:102, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in de zin van artikel 6:15, derde lid, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/2171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 18/00021

15 januari 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer),

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/1135 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Beverwijk, de heffingsambtenaar,

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende op 20 april 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 61,25 (€ 1,25 aan parkeerbelasting en € 60 aan kosten in verband met het opleggen van de naheffingsaanslag). Met dagtekening 31 mei 2016 heeft de heffingsambtenaar een duplicaatnaheffingsaanslag aan belanghebbende verzonden.

1.2.

Volgens belanghebbende is op 2 juni 2016 per e-mail bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Bij brief van 2 januari 2017 heeft hij de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Bij brief van 27 februari 2017 heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar.

1.3.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 maart 2017 heeft de heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak eveneens beroep ingesteld.

Ter zitting van 13 september 2017 heeft belanghebbende de wraking verzocht van de behandelend rechter. Dit verzoek is bij Beslissing van 27 oktober 2017, nr. [nummer] , afgewezen. Bij uitspraak van 10 januari 2018 heeft de rechtbank als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 maart 2017 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig doen van een uitspraak op bezwaar

niet-ontvankelijk.”

1.5.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 12 januari 2018. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op 14 maart 2018 en 15 maart 2018 zijn bij de griffie van het Hof nadere stukken van belanghebbende ingekomen. Een afschrift hiervan is aan de heffingsambtenaar gezonden.

1.7.

Op 16 november 2018 is bij de griffie van het Hof een nader stuk van belanghebbende ingekomen. Een afschrift hiervan is aan de heffingsambtenaar gezonden.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2018.

Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, met bericht, aldaar niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen A.M. de Bie-Stokman. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Aangezien de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast.

2.2.

Op 20 april 2016 omstreeks 11.16 uur stond de auto van belanghebbende, een [auto] met kenteken [kenteken] , stil op [adres 1] in de gemeente Beverwijk [auto]

2.3.

Bij controle op het onder 2.2. vermelde tijdstip heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Om die reden is de naheffingsaanslag met nummer [nummer] ten bedrage van € 61,25 opgelegd. Omdat dit bedrag niet is betaald heeft de heffingsambtenaar een duplicaat aanslagbiljet met dagtekening 31 mei 2016 aan belanghebbende verzonden.

De door de heffingsambtenaar overgelegde “Toelichting duplicaat naheffingsaanslag parkeerbelasting” vermeldt onder meer:

“Indien u een bezwaarschrift wilt indienen tegen de naheffingsaanslag, kunt u (zoals dit op de originele naheffingsaanslag staat vermeld) dit bezwaarschrift indienen binnen zes weken na dagtekening van de opgelegde naheffingsaanslag. U kunt het bezwaarschrift schriftelijk indienen bij de gemeente Beverwijk, Postbus 796, 2130 AT Hoofddorp (…)”.

Het bedrag van de naheffingsaanslag is na aanmaning op 27 augustus 2016 op 6 september 2016 voldaan.

2.4.

Op 5 januari 2017 is bij de heffingsambtenaar ingekomen een brief van de gemachtigde, gedagtekend 2 januari 2017 en gericht aan: “Heffingsambtenaar Gemeente Beverwijk, Postbus 450, 1940 AL Beverwijk, info@beverwijk.nl waarin is vermeld:

“Betreft: uitblijven beslissing op bezwaar

(…)

Het bezwaarschrift dat ik als bijlage aan deze brief meezend, zond ik u tijdig.

De beslistermijn is thans verstreken zonder dat u de gevraagde beslissing op dat bezwaarschrift heeft genomen. Gelet daarop verzoek ik u binnen uiterlijk twee weken na heden en als in artikel 4:17 van de Awb de gevraagde beslissing te nemen”.

Als bijlagen zijn bij deze brief gevoegd:

- Een bezwaarschrift gedagtekend 2 juni 2016, gericht tegen naheffingsaanslag d.d.

20 april 2016 met kenmerk [nummer] en geadresseerd aan “Heffingsambtenaar

Gemeente Beverwijk, Postbus 450, 1940 AL Beverwijk, Email: info@beverwijk.nl;

  • -

    Een kopie van vorengenoemde duplicaat naheffingsaanslag parkeerbelasting;

  • -

    Een machtiging van belanghebbende.

2.5.

De heffingsambtenaar heeft overgelegd een kopie van een brief van 16 februari 2017 waarin de ontvangst van vorengenoemd brief met bijlagen wordt bevestigd en daarbij te kennen gegeven dat niet eerder dan op 5 januari 2017 een bezwaarschrift tegen aanslag nr. [nummer] bij hem was ingekomen, zodat geen sprake kan zijn van ingebrekestelling.

2.6.

Belanghebbende heeft door hem als “verzendbewijzen” aangeduide bescheiden overgelegd, waarop onder meer is vermeld: “Verstuurd- Google 2 juni 2016 17:07”.

2.7.

Belanghebbende heeft “schermprints” van de website van de gemeente Beverwijk overgelegd waarop het mailadres info@beverwijk.nl is vermeld.

2.8.

De heffingsambtenaar heeft de “servicedesk” gevraagd te onderzoeken of een van belanghebbende afkomstige e-mail betreffende bezwaar tegen de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting bij het e-mailadres info@beverwijk.nl is ingekomen en doorgezonden naar de heffingsambtenaar. De servicedesk heeft geantwoord:

“ik heb een discovery search gedaan op exchange, ik zie dan alle emails en alle inhoud welke betrekking heeft. Er wordt in ons e-mailsysteem dan gezocht naar alle e-mail (in elke mailbox en zelfs deleted items) naar mails met de opgegeven kenmerken. Alle data, en alle afzenders gaven alleen als resultaat jouw mails waarin je rondvraag doet naar de mail die je zoekt.

Ik ben er vrij zeker van dat deze mail nooit is aangekomen.”.

2.9.

De door de gemachtigde bij de in 2.4 genoemde brief overgelegde, door belanghebbende aan gemachtigde verstrekte machtiging vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…) [belanghebbende] (…)machtigt hierbij mr. drs. J.M.C. Niederer h.o.d.n. J.M.C. Niederer interim management B.V. en/of legal control gevestigd te [adres 2] om hem te vertegenwoordigen en alle handelingen te verrichten teneinde geschillen in- en buiten rechte te bestrijden alsmede al hetgeen daartoe door gemachtigde noodzakelijk wordt geacht, een en ander met het recht van substitutie. Hieronder dient in ieder geval te worden begrepen het zo nodig aanwenden en intrekken van alle beschikbare rechtsmiddelen en proceshandelingen en het opvragen van verdere gegevens, bijvoorbeeld door middel van de Wet openbaarheid van bestuur of middels een kennisnemingsverzoek in de zin van de Wet Politiegegevens en/of de Wet bescherming persoonsgegevens, zo ook het aanwenden van alle rechtsmiddelen m.b.t. deze gegevensverzoeken en de daaruit resulterende besluiten, alsook het aannemen van bedragen zoals vergoedingen voor proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin van het woord. Ondergetekende draagt in het kader van cessie de vordering(en) uit hoofde van verschuldigde proceskosten door de Staat in de Wahv

bezwaar en/of (hoger)beroepsprocedure over aan de gevolmachtigde. (…)”.

De machtiging is door belanghebbende ondertekend.

2.10.

De brief van de rechtbank van 14 maart 2017, waarop belanghebbende zich in verband met de wraking van de rechter heeft beroepen, luidt, voorzover van belang, als volgt:

“Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Deze termijn is door u overschreden. In uw beroepschrift bent u niet nader ingegaan op de reden van het te laat indienen van het bezwaarschrift. Gelet hierop stel ik u alsnog in de gelegenheid om mij binnen vier weken na de dagtekening van deze brief een deugdelijke reden aan te voeren voor het te laat indienen van de gronden van het bezwaarschrift.”.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil:

- of het beroep behandeld is door een partijdige rechter;

- of de rechtbank de feiten juist heeft vastgesteld;

- of tijdig een bezwaarschrift is ingediend tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting,

- of de heffingsambtenaar zijn hoorplicht heeft geschonden;

- of de heffingsambtenaar tijdig in gebreke is gesteld.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen: (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser op 20 april 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 61,25 (€ 1,25 aan parkeerbelasting en € 60 aan kosten in verband met het opleggen van de naheffingsaanslag). Met dagtekening 31 mei 2016 heeft verweerder een duplicaatnaheffingsaanslag aan eiser verzonden.

2. Naar zijn zeggen heeft eiser tegen de naheffingsaanslag per e-mail bezwaar gemaakt. Bij brief van 2 januari 2017 heeft hij verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Bij brief van 27 februari 2017 heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar. Bij uitspraak op bezwaar van 7 maart 2017 heeft verweerder eisers bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Geschil
3. In geschil is of verweerder eiser terecht niet heeft ontvangen in zijn bezwaar. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord ligt de vraag voor of een dwangsom is verbeurd en is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, zoals verweerder stelt en eiser betwist.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij met zijn email van 2 juni 2016, gericht aan ‘Heffingsambtenaar gemeente Beverwijk, postbus 450, 1940AL Beverwijk en verstuurd aan het e-mailadres info@beverwijk.nl, tijdig bezwaar heeft gemaakt. De e-mail is verstuurd naar een adres dat ten tijde van het maken van bezwaar bij de gemeente Beverwijk in gebruik was. In dit kader heeft eiser tevens aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord. Voorts meent eiser recht te hebben op een maximale dwangsom, nu hij de gemeente bij brief van 2 januari 2017 in gebreke heeft gesteld en verweerder eerst op

7 maart 2017 heeft uitspraak op bezwaar gedaan. Ook heeft eiser betoogd dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, terugwijzing naar verweerder voor behandeling van het bezwaar, toekenning van een dwangsom en vergoeding van de proceskosten.

5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Verweerder heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat het bezwaar van eiser eerst is ontvangen als bijlage bij de ingebrekestelling. Het door eiser gebruikte mailadres is volgens verweerder niet opengesteld om bezwaar te maken tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Nu het bezwaarschrift niet is ontvangen is dan ook geen dwangsom verbeurd.

Beoordeling van het geschil

6. Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in samenhang met artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

7. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.3

8. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is aan eiser opgelegd en op zijn auto aangebracht op 20 april 2016. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 21 april 2016 en is geëindigd op 1 juni 2016. Voor zover eiser stelt dat hij de naheffingsaanslag niet op zijn auto heeft aangetroffen stelt de rechtbank vast dat hem een duplicaatnaheffingsaanslag is toegezonden met dagtekening 31 mei 2016. Eiser heeft niet betwist dat hij deze duplicaatnaheffingsaanslag heeft ontvangen. Ook is gesteld noch gebleken dat de dagtekening daarvan is gelegen vóór de dag van bekendmaking zodat de bezwaartermijn in dat geval is aangevangen op 1 juni 2016. De laatste dag van die termijn was dan 12 juli 2016.

9. De ingebrekestelling van eiser, waarbij hij een afschrift heeft gevoegd van het bezwaarschrift dat hij stelt op 2 juni 2016 te hebben ingediend, is gedagtekend 2 juli 2017. Deze brief is door verweerder ontvangen op 5 juli 2017. Deze brief, die door verweerder is aangemerkt als het eerste bij hem bekende bezwaarschrift, is - daargelaten de vraag of eiser de naheffingsaanslag op zijn auto heeft aangetroffen - niet binnen de daarvoor geldende termijn ter post bezorgd en ingediend. Omdat geen feiten of omstandigheden zijn aangedragen die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een verschoonbaar te late indiening van een op 5 juli 2017 ontvangen bezwaarschrift is het bezwaar van eiser in ieder geval terecht niet-ontvankelijk verklaard, indien niet aannemelijk wordt dat eiser reeds eerder, te weten op 2 juni 2016, rechtsgeldig bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

10. Dienaangaande stelt de rechtbank vast dat zowel op de naheffingsaanslag als op de duplicaatnaheffingsaanslag een duidelijke rechtsmiddelenclausule is vermeld. Op de achterzijde van de naheffingsaanslag is onder meer het volgende vermeld:

“Als u het niet eens bent met de naheffingsaanslag kunt u schriftelijk binnen 6 weken na dagtekening van deze naheffingsaanslag (datum z.o.z.) bezwaar maken. U kunt uw bezwaarschrift richten aan de heffingsambtenaar van de gemeente Beverwijk, postbus 796, 2130AT Hoofddorp.”

Voor zover hier van belang is in de toelichting bij de duplicaatnaheffingsaanslag het volgende te lezen:

“4. BEZWAARSCHRIFT

Indien u een bezwaarschrift wilt indienen tegen de naheffingsaanslag, kunt u (zoals dit op de originele naheffingsaanslag staat vermeld) dit bezwaarschrift indienen binnen zes weken na dagtekening van de opgelegde naheffingsaanslag. U kunt het bezwaarschrift schriftelijk indienen bij de gemeente Beverwijk, t.a.v. de inspecteur Belastingen, postbus 796, 2130AT Hoofddorp.”

11. Het gebruik van een e-mailadres dat niet is vermeld in de rechtsmiddelenclausule op de (duplicaat)naheffingsaanslag en ook niet als zodanig is vermeld op de website van verweerder draagt het risico in zich dat het betreffende e-mailbericht niet te bestemder plaatse aankomt. Het feit dat de e-mail niet bij verweerder is ontvangen dient in een dergelijk geval voor rekening en risico van eiser te blijven. Nu verweerder uitdrukkelijk heeft ontkend dat eisers bezwaarschrift hem eerder dan 5 juli 2017 heeft bereikt moet daarom bij de beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar van die datum worden uitgegaan. De vraag of eiser de originele naheffingsaanslag op 20 april 2016 op zijn auto heeft aangetroffen, kan gegeven dit oordeel, in het midden blijven.

12. Voor zover eiser een beroep doet op de in artikel 6:15 van de Awb geformuleerde doorzendplicht overweegt de rechtbank dat deze doorzendplicht geldt voor bestuursorganen. Niet is aannemelijk geworden dat eiser zijn e-mail heeft gestuurd naar een e-mailadres dat ten tijde hier van belang bij een bestuursorgaan van de gemeente Beverwijk in gebruik was. Deze grief treft dan ook geen doel.

13. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar buiten de termijn is ontvangen en eiser terecht niet in zijn bezwaren ontvangen. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.

14. Omdat sprake is van een niet-ontvankelijk bezwaar kan de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de materiële grieven van eiser tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting, wat daar overigens van zij, niet toekomen.

15. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser verweerder bij brief van 2 januari 2017 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is. Uit het vorenoverwogene blijkt echter dat verweerder op die datum nog niet in gebreke was te beslissen op een bezwaar. Nu er geen sprake is van een geldige ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:12 van de Awb is het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk.”

5 Beoordeling van het geschil

(On)partijdigheid rechter

5.1.

Tijdens de behandeling in beroep heeft de gemachtigde verzocht om wraking van de rechter, mr. [naam] . Bij Beslissing van 27 oktober 2017, nr. [nummer] heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen.

5.2.

Tegen een beslissing inzake wraking staat, behoudens in bijzondere, hier niet aan de orde zijnde gevallen, geen zelfstandig rechtsmiddel open. Het blijft echter wel mogelijk dat een partij in het hoger beroep tegen de einduitspraak in de zaak zelf ook de beslissing op het wrakingsverzoek ter discussie stelt (MvT, Parl. Gesch. Awb, p. 411; HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7352, nr. 40.066). Belanghebbende heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat mr. [naam] de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt en dat daarom geen sprake is geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

De rechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Hetgeen mr. [naam] ter zitting van de rechtbank van 13 september 2017 heeft opgemerkt, strekte ertoe de te volgen procedure te verduidelijken, waarbij hij gewezen heeft op de – mogelijke – consequenties ingeval niet tijdig bezwaar zou zijn gemaakt, waaronder het niet meer aan de orde komen van andere grieven. Zulks rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat zijn eindoordeel in de zaak reeds klaarlag. Het Hof vermag daaruit geen enkele aanwijzing van vooringenomenheid jegens belanghebbende te putten. Evenmin geven die opmerkingen grond voor de vrees dat hij in deze zaak niet onpartijdig was, of dat de in dit opzicht bij belanghebbende bestaande vrees gerechtvaardigd was. Ook indien de opmerkingen worden bezien in samenhang met hetgeen is vermeld in de brief van de rechtbank van 14 maart 2017 (2.10), komt het Hof niet tot een ander oordeel. Die brief moet aldus worden verstaan dat belanghebbende, voor het geval de rechter tot het oordeel komt dat het bezwaar buiten de wettelijke termijn is ingediend, feiten en omstandigheden dient aan te dragen die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding, hetgeen in het belang van belanghebbende kan zijn. Gelet op dit een en ander wordt het standpunt van belanghebbende verworpen.

Ontvankelijkheid bezwaar

5.3.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, aangezien het tijdig – op 2 juni 2016 – per e-mail is ingediend.

De naheffingsaanslag heeft hij niet op zijn auto aangetroffen. Na ontvangst van de duplicaat naheffingsaanslag met dagtekening 31 mei 2016 heeft hij tijdig een bezwaarschrift ingediend. De duplicaat naheffingsaanslag, zoals deze door belanghebbende aan de gemachtigde is doorgezonden, bevatte geen rechtsmiddelverwijzing waarvan belanghebbende c.q. zijn gemachtigde kon kennisnemen, alleen de voorzijde was bedrukt. De achterzijde was blanco. Nu de verzending van de e-mail aannemelijk is gemaakt, dient de heffingsambtenaar geloofwaardig te betwisten dat deze is ontvangen en tijdig ingekomen.

Volgens belanghebbende was het desbetreffende e-mailadres op de datum van indiening van het bezwaarschrift in gebruik bij een bestuursorgaan, namelijk een afdeling van de gemeente

Beverwijk heeft hij met het door hem overgelegde bewijs van geslaagde verzending aannemelijk gemaakt dat het per e-mail ingediende bezwaarschrift op 2 juni 2016 op

het desbetreffende e-mailadres is ontvangen. De heffingsambtenaar heeft daartegenover

niet kunnen volstaan met de blote ontkenning dat het bezwaarschrift niet door de

gemeente Beverwijk is ontvangen.

Gelet op het voorschrift van artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet

bestuursrecht (hierna: Awb) dient daarom 2 juni 2016, de datum van indiening bij het

onbevoegde bestuursorgaan, te worden aangemerkt als de datum waarop het

bezwaarschrift (tijdig) is ingediend, zo stelt belanghebbende. De vraag of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding komt dan niet meer aan de orde.

De heffingsambtenaar heeft deze standpunten van belanghebbende betwist. Volgens hem

was op het door de gemachtigde gebruikte e-mailadres geen bezwaarschrift van de gemachtigde in de onderhavige zaak ontvangen. Bewijs daarvan is thans niet meer voorhanden, omdat bij de gemeente Beverwijk een jaar na dato alle e-mails automatisch worden gewist. Op grond van een op zijn verzoek door de “helpdesk” ingesteld onderzoek staat evenwel vast dat voor 5 januari 2017 generlei bezwaarschrift is ingekomen, noch bij het e-mailadres info@beverwijk.nl, noch bij hem of bij Cocensus (een organisatie die namens deelnemende gemeenten, waaronder de gemeente Beverwijk, heffings- en invorderingsactiviteiten betreffende gemeentelijke heffingen en belastingen verricht). Aan hem is ook nimmer een bezwaarschrift als het onderhavige door de gemeente Beverwijk doorgezonden. Ware dit anders, dan zou op of omstreeks 2 juni 2016 een ontvangstbevestiging aan belanghebbende zijn verzonden. Vast staat dat dit niet gebeurd is.

Voor bezwaar tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting staat geen elektronische weg open. Op de naheffingsaanslag, het duplicaat, de website van de gemeente Beverwijk en de website van Cocensus staat duidelijk de rechtsmiddelverwijzing aangegeven, met als adres een postadres in Hoofddorp.

5.4.

Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van de heffingsambtenaar dat op de achterzijde van de aan belanghebbende toegezonden duplicaat naheffingsaanslag - evenals op de achterzijde van het originele exemplaar - was vermeld dat schriftelijk bezwaar diende te worden gemaakt aan het aldaar vermelde postadres, te weten gemeente Beverwijk, t.a.v. de Inspecteur Belastingen, Postbus 796, 2130 AT Hoofddorp, en dat zulks ook is vermeld op de website van de gemeente Beverwijk/ Cocensus.

5.5.

Daaruit volgt dat de juiste adressering van tegen de naheffingsaanslag te richten bezwaar voor belanghebbende – en zijn gemachtigde – kenbaar was.

5.6.

Het Hof zal er veronderstellenderwijs van uitgaan dat op 2 juni 2016 een e-mail van belanghebbendes gemachtigde, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting, is verzonden aan en ontvangen op het e-mailadres info@beverwijk.nl, en dat dit adres in gebruik was bij een afdeling van de gemeente Beverwijk, maar niet bij de heffingsambtenaar of de afdeling belastingen van de gemeente Beverwijk.

5.7.

Ook indien hiervan wordt uitgegaan is belanghebbende echter terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Het Hof overweegt hiertoe het volgende:

5.7.1.

In artikel 6:15 Awb is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

“1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan

(…), wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk

doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de

afzender.

(…)

3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het

bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk

gebruik van procesrecht.”

5.7.2.

Ook in het licht van artikel 6:15, derde lid, Awb kan de stelling van belanghebbende dat sprake is van een tijdig ingediend bezwaar, naar het oordeel van het Hof niet slagen.

Artikel 6:15, derde lid, Awb is met ingang van 1 april 2002 bij de inwerkingtreding van de

Eerste evaluatiewet Awb (Wet van 24 januari 2002, Stb. 2002, 53) verruimd. Op grond van

het sindsdien geldende voorschrift is het tijdstip van indiening van het bezwaarschrift bij het

onbevoegde bestuursorgaan bepalend voor het antwoord op de vraag of belanghebbende

tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag, behoudens in geval van kennelijk

onredelijk gebruik van procesrecht. In de memorie van toelichting is over de laatstgenoemde

criterium onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1998/99, 26 523, nr. 3, blz.

6):

“Het bezwaar- of beroepschrift zal na wijziging dus bijna altijd ontvankelijk zijn, tenzij er

sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Voor dit laatste kan bijvoorbeeld

gedacht worden aan de situatie dat bij herhaling en willens en wetens een bezwaar-of

beroepschrift bij het verkeerde orgaan wordt ingediend. De term «kennelijk onredelijk

gebruik van procesrecht» is ontleend aan artikel 8:75 en is opgenomen als een soort

veiligheidsklep om misbruik van de geboden verruiming in artikel 6:15 Awb tegen te gaan.”

Tijdens een op 4 december 2000 door de vaste commissie voor Justitie met de minister van

Justitie gevoerd wetgevingsoverleg over onder meer het wetsvoorstel Eerste evaluatiewet

Awb is namens de regering (door de regeringscommissaris, mr. M. Scheltema) onder andere

het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2000/01, 26 523 enz., nr. 11, blz. 23):

“Er resteren nog twee vragen. Allereerst de vraag van de heer Van der Staaij over artikel

6:15. (…) De heer Van der Staaij vraagt zich af, of het nu niet te veel naar de andere kant

doorslaat, omdat iemand het dan expre[s] bij het verkeerde orgaan kan indienen en derde

belanghebbende daartegen bezwaar kunnen hebben. Dat bezwaar van de heer Van der

Staaij ligt een beetje voor de hand. Daarom wilden wij het oorspronkelijk op dezelfde manier

regelen als vroeger het geval was, maar uit de evaluatie is gebleken dat het eigenlijk niet

voorkomt dat het verkeerd wordt ingediend of dat men probeert het op een verkeerde

manier te doen. Door het op de nu voorgestelde manier te doen, wordt de regeling

eenvoudiger. Voor die gevallen waarin men het expre[s] verkeerd doet, is een

vangnetclausule opgenomen. Als er sprake is van misbruik van procesrecht, geldt die eerste

datum van indiening bij een onbevoegd orgaan niet. Dan geldt de regeling dat het op tijd op

de goede plaats binnen moet zijn. Op die manier kan misbruik worden voorkomen en wordt

de regeling veel eenvoudiger en meer burgervriendelijk.”

5.7.3.

Het Hof leidt uit deze wetsgeschiedenis af dat van ‘kennelijk onredelijk gebruik van

procesrecht’ in de zin van artikel 6:15, derde lid, Awb onder meer sprake kan zijn indien bij

herhaling en willens en wetens een bezwaar- of beroepschrift bij het verkeerde orgaan

wordt ingediend of indien de betrokkene bewust is afgeweken van de correct weergegeven

rechtsmiddelenverwijzing, terwijl hij daarvoor geen aanvaardbare verklaring kan geven;

gevallen waarin men “het expres verkeerd doet” (vgl. in dezelfde zin onder meer Afdeling

rechtspraak Raad van State (ABRvS) 9 mei 2012, nr. 201105701/1/A3, ECLI:NL:

RVS:2012:BW5287 en College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) 30 december 2016, nr. 16/163, ECLI:NL:CBB:2016:452, NJB 2017/686).

5.7.4.

Belanghebbende heeft “schermprints” overgelegd van de website van de gemeente Beverwijk (zie 2.7.) waarop het e-mailadres info@beverwijk is vermeld, die afkomstig zijn van afdelingen van de gemeente Beverwijk, maar niet van de heffingsambtenaar of een afdeling Belastingen van de gemeente.

Het Hof leidt hieruit af dat de gemachtigde, die een professionele rechtsbijstandverlener is met veel proceservaring in het bestuursprocesrecht (zie hieronder nader), voorafgaand aan de verzending per e-mail van het bezwaarschrift de moeite heeft genomen om op internet onderzoek te verrichten of het op de “schermprints” vermelde e-mailadres (nog) bij de gemeente Beverwijk in gebruik was, waarbij het hem moet zijn opgevallen dat

deze prints niet afkomstig zijn van de heffingsambtenaar dan wel de afdeling belastingen

van de gemeente Beverwijk, c.q. Cocensus. Van de voor de hand liggende mogelijkheid om via datzelfde internet - dan wel op andere wijze bij de gemeente Beverwijk - te verifiëren aan welk (e-mail)adres een bezwaarschrift inzake parkeerbelastingen diende te worden

gericht (niet in geschil is dat de website van de gemeente Beverwijk/Cocensus ten tijde van de verzending van het bezwaarschrift hierover specifieke informatie bevatte) heeft de

gemachtigde evenwel geen gebruik gemaakt. Evenmin heeft hij ervoor gekozen om bij zijn

cliënt de volgens hem ontbrekende gegevens op te vragen (de achterzijde van het (duplicaat)aanslagbiljet met daarop de rechtsmiddelenverwijzing). Deze gang van zaken kan naar het oordeel van het Hof tot geen andere conclusie leiden dan dat de gemachtigde er bewust voor heeft gekozen om geen onderzoek te doen naar de vraag op welke wijze aan het juiste adres bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting kon worden gemaakt en een e-mailadres heeft gebruikt waarvan hij enkel heeft kunnen vaststellen dat het niet in gebruik was voor belastingzaken.

5.7.5.

Daar komt bij dat de gemachtigde, die in zijn pro forma bezwaarschrift van 2 juni 2016 bezwaar op nog nader aan te geven gronden had gemaakt, vervolgens niet is overgegaan tot deze nadere motivering, maar als eerstvolgende actie bij brief van 2 januari 2017 een schriftelijke ingebrekestelling heeft uitgebracht (zie 2.4). Daarbij valt op dat niet is vermeld dat het bezwaarschrift is gericht tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting.

5.7.6.

De heffingsambtenaar heeft in dit verband een beroep gedaan op de uitspraak van dit Hof van 11 januari 2018, nr. 16/00538 (ECLI:NL:GHAMS:2018:87). Het Hof voegt hieraan toe ambtshalve bekend te zijn met andere procedures waarin deze gemachtigde op dit punt een vergelijkbare handelwijze heeft toegepast. Verwezen wordt naar de volgende gepubliceerde uitspraken waarin deze gemachtigde namens de desbetreffende belanghebbende (n) – dan wel zelf als verzoeker van (Wob-)informatie en als procespartij – heeft gehandeld en geprocedeerd (de vanaf het derde gedachtestreepje vermelde uitspraken worden tevens vermeld in de onder 5.7.7. nader genoemde uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 1 augustus 2016, nr. AWB 15/2890, ECLI:NL:RBNHO: 2016:6394, r.o. 12.4):

- rechtbank Rotterdam 2 juli 2014, ECLI:NL: RBROT:2014:5265, onderdeel 4.5

(bezwaarschrift willens en wetens verzonden aan antwoordnummer van verweerder);

  • -

    rechtbank Gelderland 17 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL: 2015:1707, onderdeel 1 (het verzoek om informatie, de ingebrekestelling en het bezwaarschrift zijn blijkens de adressering daarvan aan een ander postbusnummer en/of faxnummer verzonden dan door verweerder in de correspondentie is vermeld);

  • -

    ABRvS 19 november 2014, nr. 201311752/1/A3, ECLI:NL:RVS:2014:4129, r.o. 6.7

(weliswaar hebben de gemachtigden hun correspondentie steeds gericht aan een aan

De CVOM toebehorend postadres of faxnummer, doch meermalen ging het daarbij

om een postadres of faxnummer dat afwijkt van het aan hen medegedeelde postadres

of faxnummer van het "Cluster Wob" van de CVOM of van een ander postadres of

faxnummer dat met het oog op een eventuele reactie was vermeld in het besluit of de

brief waarop zij reageerden)

- ABRvS 17 mei 2015, nr. 201402059/1/A3, ECLI:NL:RVS:2015:1623, r.o. 1.3

(correspondentie steeds gericht aan een aan de CVOM toebehorend postadres of

faxnummer dat afwijkt van het aan hem in eerdere zaken meegedeelde en hem

derhalve bekende postadres of faxnummer van het "Cluster Wob" van de CVOM);

  • -

    ABRvS 27 januari 2016, nr. 201311805/1/A3, ECLI:NL:RVS:2016:157 (bevestiging in hoger beroep van uitspraak rechtbank Rotterdam 24 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10272), r.o. 3.5 (Ook heeft gemachtigde de bezwaarschriften en ingebrekestellingen gefaxt naar faxnummer 030-2903870, terwijl de minister in alle brieven over de Wo het faxnummer 030-2903876 had vermeld)

  • -

    ABRvS 16 maart 2016, nr. 201505447/1/A3, ECLI:NL:RVS:2016:701 (uitspraak op hoger beroep tegen uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 juni 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:4328), r.o. 1.2 (hoewel de minister hem meermaals heeft verzocht zijn correspondentie aan het daarvoor bestemde postadres of faxnummer te richten, evenals in de zaken die tot voormelde uitspraken van de Afdeling hebben geleid, zijn in het thans voorliggende geval de verzoeken, de ingebrekestellingen en het bezwaarschrift niet naar het juiste postadres en faxnummer verstuurd).

5.7.7.

Deze handelwijze is door de gemachtigde toegepast in een (groot) aantal door hem

gevoerde Wob-procedures, waarin onder andere dit aspect (ander faxnummer en/of

postbusnummer gebruikt dan door het bestuursorgaan in zijn correspondentie is vermeld)

heeft geleid tot het niet-ontvankelijk verklaren in (hoger) beroep van door de gemachtigde

vertegenwoordigde belanghebbenden wegens misbruik van recht, omdat de gemachtigde in

die zaken (waarin hij op basis van ‘no cure no pay’ is opgetreden) naar het oordeel van de

rechter de bevoegdheid om op de voet van de Wob informatieverzoeken in te dienen (en

daartegen bezwaar en beroep in te stellen) kennelijk met geen ander doel heeft gebruikt

dan om ten laste van de overheid geldsommen (dwangsommen en proceskostenvergoeding)

te incasseren. Bij wijze van voorbeeld verwijst het Hof naar de in 5.7.6. vermelde uitspraak

van rechtbank Gelderland van 17 maart 2015 en naar de uitspraak van rechtbank Noord-

Holland van 1 augustus 2016, nr. AWB 15/2890, ECLI:NL:RBNHO:2016:6394. In onderdeel 12.4 van deze uitspraak verwijst de rechtbank naar 19 andere uitspraken in zaken van de gemachtigde waarin de rechter (al dan niet in hoger beroep) heeft vastgesteld dat sprake is van misbruik van (proces) recht.

5.7.8.

Een aanvaardbare verklaring voor het gebruik van het e-mailadres info@beverwijk.nl is door belanghebbende en zijn gemachtigde, die niet zijn verschenen ter (hervatte) zitting van de rechtbank van 3 januari 2018, noch ter zitting van het Hof, niet gegeven. Uit de handelwijze van de gemachtigde leidt het Hof (gelijk in 5.7.4. overwogen) af dat hij er bewust voor heeft gekozen om geen onderzoek te doen naar de vraag op welke wijze bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting kon worden gemaakt. Uit de hiervoor onder 5.7.6. en 5.7.7 vermelde jurisprudentie leidt het Hof bovendien af dat deze gemachtigde bij herhaling – willens en wetens – verzoek- en bezwaarschriften heeft ingediend via onjuiste postbus- en/of faxnummers. In de desbetreffende uitspraken heeft de rechter hierover geoordeeld dat deze handelwijze er (mede) toe strekte om een adequate en tijdige afhandeling door het bevoegde bestuursorgaan van de desbetreffende geschriften te bemoeilijken. In de onderhavige zaak komt het Hof eveneens tot de conclusie dat de gemachtigde het bezwaarschrift aan het e-mailadres van de gemeente Beverwijk heeft verzonden met kennelijk geen ander doel dan om de ontvangst door het bevoegde bestuursorgaan (de heffingsambtenaar) en de tijdige afhandeling van het bezwaarschrift te bemoeilijken. Hierbij neemt het Hof tevens in aanmerking (zoals onder 5.7.5. is overwogen) dat de gemachtigde als eerstvolgende actie na de verzending van het bezwaarschrift aan het e-mailadres is overgegaan tot een schriftelijke ingebrekestelling; en dat de gemachtigde de verleende rechtsbijstand op ‘no cure no pay’-basis verricht, zodat hij financieel rechtstreeks is gebaat bij het verbeuren van dwangsommen door de heffingsambtenaar en bij een veroordeling van de heffingsambtenaar tot betaling van een

proceskostenvergoeding.

5.7.9.

Op grond van dit alles is het Hof van oordeel dat door deze handelwijze van de

gemachtigde, wiens kennis en handelen op dit punt dienen te worden toegerekend aan

belanghebbende, sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in de zin van

artikel 6:15, derde lid, Awb. Als tijdstip van indiening van het bezwaarschrift van

belanghebbende geldt derhalve het tijdstip van ontvangst door het bevoegde

bestuursorgaan. De heffingsambtenaar heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift (als bijlage van de ingebrekestelling) niet eerder bij hem is ingekomen dan op 5 januari 2017. Het bezwaarschrift is derhalve ruimschoots buiten de wettelijke termijn ingediend. Feiten of omstandigheden die zouden leiden tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, zijn door belanghebbende - die zich immers op het standpunt stelde dat hij tijdig bezwaar heeft ingediend - niet aangedragen.

De door belanghebbende genoemde uitspraken HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2548, HR 11 augustus 2017, ECLI:NL:HR:2017:1612, en Afdeling Bestuursrechtspraak 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5940 kunnen niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat in die zaken geen sprake was van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Schending hoorplicht

5.8.

Belanghebbende heeft zijn in eerste aanleg ingenomen stelling herhaald dat de hoorplicht is geschonden, aangezien het enkele feit van de termijnoverschrijding niet de conclusie van de heffingsambtenaar rechtvaardigde dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Er kan immers sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, of van het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing. Belanghebbende had daarom moeten worden gehoord voordat uitspraak op bezwaar werd gedaan. Bovendien voldoet de herstelbrief van de heffingsambtenaar van 16 februari 2017 niet aan de wettelijke eisen. Belanghebbende verzoekt het Hof om zelf in de zaak te voorzien en om het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De heffingsambtenaar heeft deze standpunten en conclusies betwist.

5.8.1.

Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar van het horen van belanghebbende heeft kunnen afzien, omdat sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onderdeel a, Awb. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar, waarin

de heffingsambtenaar deze beslissing aan belanghebbende heeft medegedeeld, heeft

tussen partijen immers de onder 2.3 tot en met 2.5 weergegeven correspondentie

plaatsgevonden, en is de heffingsambtenaar na onderzoek tot de conclusie gekomen dat het door de gemachtigde genoemde bezwaarschrift van 2 juni 2016 hem pas op 5 januari 2017 (in kopie) heeft bereikt, en dat het door de gemachtigde gehanteerde e-mailadres niet in gebruik was voor de indiening van bezwaarschriften tegen belastingaanslagen. Gelijk hiervoor is overwogen was de juiste adressering van tegen de aanslag parkeerbelasting te richten bezwaar zowel voor belanghebbende als voor zijn gemachtigde kenbaar. Redelijkerwijs was dan ook geen twijfel mogelijk over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.

De omstandigheid dat het Hof is uitgegaan van de mogelijkheid dat op of omstreeks 2 juni 2016 een e-mail houdende bezwaar tegen de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting is ingekomen bij een onbevoegd bestuursorgaan c.q. een onbevoegde afdeling van de gemeente Beverwijk, leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof is immers tevens tot het oordeel gekomen dat alsdan sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, in welk geval evenzeer sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onderdeel a, Awb.

Dwangsom

5.9.

In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en beslist dat geen sprake is van een geldige ingebrekestelling.

Het Hof is van oordeel dat de op 5 januari 2017 door de heffingsambtenaar ontvangen

ingebrekestelling prematuur is gedaan, aangezien, gelijk uit het vorenoverwogene volgt, het bezwaarschrift waarop de ingebrekestelling betrekking heeft, eerst op diezelfde dag door de heffingsambtenaar is ontvangen. Belanghebbende heeft na 5 januari 2017 niet alsnog een ingebrekestelling uitgebracht, zodat het Hof reeds op die grond van oordeel is dat de heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar terecht heeft beslist dat van ingebrekestelling

geen sprake kan zijn. Dit nog daargelaten de omstandigheid dat, aangezien naar ’s Hofs oordeel sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar, op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onderdeel c, Awb hoe dan ook geen dwangsom is verschuldigd.

Ook deze beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.

Slotsom

5.10.

De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb, in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 15 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden

ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in

cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.