Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:53

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
200.233.949/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag. Afwijzing verzoek ex artikel 810a lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.233.949/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/634570/ FA RK 17-5712

Beschikking van de meervoudige kamer van 8 januari 2019 inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. L. de Groot te Leusden,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] ;

- Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna te noemen: de GI);

- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);

- [de pleegvader] (hierna te noemen: de pleegvader).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 11 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 22 februari 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 december 2017.

2.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 4 april 2018 met bijlage (productie 9), ingekomen op 5 april 2018.

- een brief van de zijde van de raad van 29 oktober 2018, ingekomen op 31 oktober 2018.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 2 november 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordig door de heer [X] ;

- een vertegenwoordiger van de GI;

- de pleegvader, bijgestaan door mr. D.M. de Boer, advocaat te Amsterdam;

- de advocaat van de moeder, mr. G.W. Mettendaf, advocaat te Amsterdam.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), [in] 2009 te [plaats] . De vader heeft [minderjarige] op 7 februari 2017 met toestemming van de moeder erkend. Hij oefende sinds 1 maart 2017 samen met de moeder het gezag uit over [minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank van 15 juni 2016 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 15 juni 2016 voor de duur van één jaar. De ondertoezichtstelling is vervolgens met één jaar verlengd.

3.3

Tevens is bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank van 15 juni 2016 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin (bij oom en tante moederszijde) verleend tot 15 december 2016.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank van 27 januari 2017 is een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin (bij pleegvader) verleend tot 15 juni 2017. Deze machtiging is vervolgens verlengd tot 15 december 2017.

3.4

[minderjarige] woont sinds 4 maart 2017 bij de pleegvader.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking zijn de moeder en de vader ontheven van het ouderlijk gezag over [minderjarige] en is de GI belast met de voogdij over [minderjarige] .

4.2

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de raad om het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen en de GI met de voogdij te belasten, af te wijzen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verzocht een bijzondere curator te benoemen in de vorm van een orthopedagoog teneinde onderzoek te verrichten naar de opvoedvaardigheden van de vader.

4.3

De raad heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vader stelt voorop dat de datum die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft opgenomen waarop de uitslag van de DNA-test inhoudende dat hij de vader van [minderjarige] is, bekend zou zijn geworden, foutief is. Dit moet volgens de vader zijn 17 januari 2017. Voorts is de rechtbank volgens de vader ten onrechte uitgegaan van de oude terminologie door te bepalen dat de vader en de moeder worden ontheven van het ouderlijk gezag. Artikel 1:266 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) spreekt namelijk over beëindiging van het gezag.

De vader stelt vervolgens dat er onvoldoende grond is voor een beëindiging van zijn gezag. Hij heeft daartoe het navolgende aangevoerd. De vader is goed in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te kunnen dragen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. In de periode vanaf augustus 2013 tot september 2015 was er heel regelmatig contact tussen de vader en [minderjarige] . Zij is de vader toen ‘papa’ gaan noemen en er was sprake van hechting tussen de vader en [minderjarige] . Na een periode zonder contact is de vader op initiatief van de moeder eind 2016 weer in beeld gekomen. Sinds mei 2017 is er sprake van wekelijks Skype-contact tussen de vader en [minderjarige] en sinds een aantal maanden geldt een onbegeleide omgangsregeling van eens in de drie weken op zaterdag, die goed verloopt. De vader heeft zijn vaderrol niet eerder opgeëist, omdat hij lange tijd niet wist of hij de biologische vader van [minderjarige] was en hij in de veronderstelling verkeerde dat hij geen rechten had. De moeder wilde aanvankelijk geen medewerking verlenen aan een DNA-test. Vanaf het moment dat de vader ontdekte dat hij de biologische vader was, heeft hij er alles aan gedaan om weer contact met [minderjarige] te krijgen. Er is door de GI geen enkel onderzoek gedaan naar de opvoedingsvaardigheden van de vader. De vader is een stabiele man zonder persoonlijke problemen met een vaste baan, een koopwoning en een fijn netwerk om zich heen.

De vader verzoekt benoeming van een bijzondere curator in de vorm van een orthopedagoog om een onderzoek te verrichten naar zijn opvoedvaardigheden.

5.2

De raad is van mening dat de rechtbank het gezag van de vader terecht heeft beëindigd. [minderjarige] woont sinds 4 maart 2017 bij de pleegvader en de pleegvader is al sinds [minderjarige] ’s tweede levensjaar een centrale opvoedingsfiguur in haar leven. De opvoedomgeving bij de pleegvader komt tegemoet aan [minderjarige] ’s ontwikkelingsbehoeften. Van belang voor haar is dat er duidelijkheid blijft bestaan over haar opgroeiperspectief. Vanuit deze veilige omgeving kan [minderjarige] een band opbouwen met de vader.

De raad ziet geen meerwaarde in benoeming van een bijzondere curator.

5.3

De GI heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] . Ze ervaart rust en stabiliteit sinds de plaatsing bij de pleegvader en de GI acht het van belang dat dit gewaarborgd blijft. De omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] verloopt goed, aldus de GI.

5.4

De pleegvader heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het heel goed gaat met [minderjarige] . Zij is een slimme meid en heeft veel vriendinnetjes. De omgang tussen de vader en [minderjarige] verloopt ook goed, aldus de pleegvader.

5.5

De advocaat van de moeder heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de moeder berust in de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de gezagsbeëindiging. De omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] verloopt goed.

5.6

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.7

Nu het hoger beroep er mede toe dient om in eerste aanleg opgetreden fouten en omissies te herstellen, neemt het hof kennis van hetgeen de vader heeft aangevoerd in grieven I en II omtrent de datum van de DNA-test alsmede de door de rechtbank gebruikte terminologie omtrent de gezagsbeëindiging, die verwijst naar de niet langer geldende regeling omtrent de ontheffing uit het gezag. Het hof zal de bezwaren meenemen en, waar nodig, in deze beschikking een en ander herstellen. Daarmee is in voldoende mate tegemoet gekomen aan deze grieven.

5.8

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] is tot 2016 bij haar moeder opgegroeid. Zij heeft weinig stabiliteit gekend in haar leven. Aangezien de moeder niet over eigen woonruimte beschikte, hebben zij en [minderjarige] vaak bij familie van de moeder verbleven. De moeder heeft psychische problemen (onder meer een persoonlijkheidsstoornis NAO) als gevolg waarvan zij op emotioneel gebied onvoldoende beschikbaar is geweest voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft hierdoor hechtingsproblemen ontwikkeld. Tussen de vader en [minderjarige] is in de periode van augustus 2013 tot september 2015 een regelmatig contact geweest, hieruit bestaande dat de moeder en [minderjarige] ongeveer één keer per maand twee dagen bij de vader thuis verbleven. Na september 2015 is dit contact geëindigd en pas eind 2016 is de vader weer in beeld gekomen, op initiatief van de moeder. [minderjarige] woonde destijds, van april 2016 tot oktober 2016, bij haar oom en tante. Uit een DNA-test van, naar de vader stelt, 17 januari 2017 blijkt dat de vader de biologische vader is van [minderjarige] . De rechtbank heeft op 27 januari 2017 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegvader verleend. De pleegvader van [minderjarige] is vanaf haar tweede levensjaar betrokken bij [minderjarige] , eerst als partner en daarna als ex-partner van de moeder. De band tussen de pleegvader en [minderjarige] is hecht en [minderjarige] ontwikkelt zich bij de pleegvader positief. Op 1 maart 2017 heeft de vader, met toestemming van de moeder, het ouderlijk gezag over [minderjarige] verkregen. Sinds een aantal maanden heeft de vader eenmaal per drie weken op zaterdagmiddag gedurende vier uur omgang met [minderjarige] .

Ter zitting in hoger beroep is door alle betrokkenen bevestigd dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader goed verloopt.

5.9

Het hof overweegt voorts dat uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegvader, aan wie zij is gehecht, goed verloopt. De opvoedingsomgeving bij de pleegvader komt tegemoet aan hetgeen [minderjarige] nodig heeft en biedt haar rust en stabiliteit, na een periode waarin zowel de moeder, de vader als de pleegvader vanuit de wens om voor haar te willen zorgen een groot beroep op haar deden. Het hof is met de raad en de GI van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat haar verblijf bij de pleegvader wordt gecontinueerd om zo haar positieve ontwikkeling te waarborgen. Toewijzing van het verzoek van de vader zou die plaatsing in de toekomst in gevaar kunnen brengen. De vader heeft immers ter zitting in hoger beroep aangegeven dat hij als vader (uiteindelijk) graag de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelf wil dragen. Uitvoering van deze wens van de vader is echter naar het oordeel van het hof tegenstrijdig met de belangen van [minderjarige] , hoe invoelbaar de wens op zichzelf ook is. De gezagsbeëindiging geeft [minderjarige] de voor haar noodzakelijke duidelijkheid dat haar opvoedperspectief bij de pleegvader ligt. Het hof acht (hernieuwde) onduidelijkheid over het opvoedperspectief van [minderjarige] niet in haar belang. Anders dan de vader stelt, is dan ook aan de voorwaarden voor beëindiging van zijn gezag voldaan.

5.10

Het hof overweegt ten overvloede dat uit de voorliggende stukken naar voren komt dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader goed verloopt. Het hof benadrukt het belang van voortzetting van een goed contact tussen [minderjarige] en de vader. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het van groot belang voor [minderjarige] dat ook de vader daarbij tot uitgangspunt neemt dat hij en [minderjarige] vanuit de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegvader een goede band zullen opbouwen.

5.11

Ten aanzien van het verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator in de vorm van een orthopedagoog om een onderzoek te verrichten naar zijn opvoedvaardigheden, overweegt het hof als volgt.

Artikel 810a tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. In het onderhavige geval is het van belang dat thans duidelijkheid bestaat over het opvoedperspectief van [minderjarige] . Nader onderzoek, dat tot vertraging van de zaak zal leiden, staat hiermee op gespannen voet. Het belang van [minderjarige] verzet zich derhalve tegen een onderzoek ex artikel 810a tweede lid Rv.

5.12

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking en verstaat deze beschikking aldus dat daarbij het gezag van de vader en de moeder wordt beëindigd en dat de GI met de voogdij over [minderjarige] wordt belast;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.A. van den Berg, A. van Haeringen en

R.G. Kemmers, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 8 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.