Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:52

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
200.233.910/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

afwijzing van verzoek om gezamenlijk gezag vanwege het ontbreken van de basis voor een effectieve gezamenlijke gezagsuitoefening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.233.910/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/622751 / FA RK 17-510 (AW/PS)

Beschikking van de meervoudige kamer van 8 januari 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E.M. de Winter te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. T.G. Griffith te Amsterdam.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna te noemen: [X] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 22 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 21 februari 2018 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 22 november 2017.

2.2

De vrouw heeft op 4 april 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 23 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 25 oktober 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 29 oktober 2018 met een bijlage, ingekomen op 30 oktober 2018.

2.4

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting, in aanwezigheid van de griffier, met [X] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van het gesprek zakelijk weergegeven en partijen de gelegenheid gegeven daarop te reageren.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 9 november 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [A] .

3 De feiten

3.1

Uit de in 2010/2011 verbroken relatie van de man en de vrouw (hierna tezamen ook: de ouders) is [X] geboren [in] 2007 te [plaats] . De man heeft [X] erkend. De vrouw oefent van rechtswege het gezag uit over [X] .

3.2

[X] woont bij de vrouw. [X] verblijft in het kader van een omgangsregeling elke donderdag na school en elke zondag bij de man.

3.3

De vrouw heeft een dochter uit een eerdere relatie, [Y] (hierna te noemen: [Y] ), geboren [in] 2002. Zij heeft eveneens omgang met de man.

De man woont samen met zijn partner, met wie hij een kind heeft, [Z] , geboren [in] 2015.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans in hoger beroep van belang, het verzoek van de man hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [X] afgewezen.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, zijn verzoek om hem mede met het gezag over [X] te belasten toe te wijzen.

4.3

De vrouw verzoekt het verzoek van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gezamenlijk gezag op dit moment niet in het belang van [X] is en voert ter onderbouwing onder meer het volgende aan. Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Een goede communicatie is daarbij belangrijk maar niet een vereiste. Het gegeven dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt is bovendien niet alleen te wijten aan de man. De vrouw giet haar berichten in de vorm van bevelen, is niet bereid om tot een zinvol overleg te komen en heeft de man het contact met [X] ontzegd toen zij een conflict met hem had over financiële zaken. De man is een betrokken vader en wenst ook bij belangrijke beslissingen over [X] betrokken te worden. Als het gaat om praktische zaken zal de man zijn toestemming geven en er hoeft dan ook niet gevreesd te worden dat hij daarbij dwars zal gaan liggen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte het verzoek van de man afgewezen, aldus de man.

5.3

De vrouw betoogt dat de rechtbank het verzoek van de man om hem gezamenlijk met het gezag te belasten terecht heeft afgewezen. Zij voert daartoe onder meer het volgende aan. De man weigert sinds 2014 stelselmatig om met de vrouw te communiceren. Hij reageert niet op e-mails en verzoeken van de vrouw en gebruikt [X] als spreekbuis. [X] heeft hier last van en wordt hierdoor onnodig in volwassenenproblematiek betrokken. De vrouw probeert al jaren met de man te werken aan verbetering van de communicatie, maar de wijze van communiceren van de man is tot op heden niet veranderd en ook mediation heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. De vrouw verwacht dan ook niet dat hier nog verandering in zal komen. Voorts is de man onvoldoende betrokken bij [X] . Hij is afwezig bij speciale gebeurtenissen in haar leven. Ook heeft hij [X] en [Y] alleen thuis gelaten terwijl hij voor hen zou zorgen gedurende een zakenreis van de vrouw in 2017. De vrouw heeft dan ook geen enkel vertrouwen in de man en vreest dat partijen niet gezamenlijk in staat zullen zijn gezagsbeslissingen te nemen die in het belang van [X] zijn. Daarnaast vreest de vrouw dat [X] klem zal raken tussen de ouders en in een loyaliteitsconflict zal raken indien het verzoek van de man toegewezen wordt. De bestreden beschikking dient dan ook bekrachtigd te worden, aldus de vrouw.

5.4

De raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de behandeling van de zaak zes maanden aan te houden, zodat partijen met elkaar in gesprek kunnen gaan en met hulp, bijvoorbeeld mediation, aan hun onderlinge communicatie kunnen werken. Er is sprake van twee betrokken ouders, maar die ook strijd voeren over het gezag. [X] wordt hiermee belast en het is dan ook in haar belang dat het contact tussen de ouders verbetert. Indien het hof geen aanleiding ziet om de zaak aan te houden, adviseert de raad de huidige situatie waarin de vrouw eenhoofdig met het gezag is belast in stand te laten. De onderlinge communicatie ontbreekt en de ouders zijn op dit moment niet in staat om gezamenlijk beslissingen te nemen, aldus de raad.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg ter zake en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen.

5.6

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Nadat partijen in 2010/2011 uit elkaar zijn gegaan, hebben zij nog enige tijd samengewoond en gezamenlijk de zorg voor [X] en [Y] gedragen. Sinds een incident in 2014 over de huissleutel van [X] – waar partijen ieder een andere opvatting over hebben – is er sprake van een moeizame verhouding en een gebrekkige communicatie. Het onderlinge vertrouwen ontbreekt. De vrouw heeft geruime tijd geprobeerd om de man te betrekken bij beslissingen en hem uitgenodigd voor speciale aangelegenheden, zoals oudergesprekken en dans- en turnwedstrijden van [X] . De man heeft dit echter telkens afgehouden en heeft op die manier volgens de vrouw geen betrokkenheid bij [X] getoond. Hij is niet aanwezig bij wedstrijden van [X] en ook recentelijk bij de middelbare schoolkeuze van [X] is hij niet betrokken geweest. Daarnaast heeft de man niet gereageerd op het in 2015 door de vrouw op- en voorgestelde ouderschapsplan. Op enkele e-mails en WhatsApp gesprekken na, is er ook op dit moment vrijwel geen communicatie tussen de ouders. De omgangsregeling waarbij [X] elke donderdag en zondag bij de man verblijft, geldt al sinds partijen uit elkaar zijn en indien het niet doorgaat of iets aangepast moet worden regelt [X] het zelf of verloopt de communicatie via haar. [X] heeft hier last van. Partijen hebben geprobeerd met behulp van mediation de onderlinge communicatie te verbeteren, hetgeen niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Ter zitting in hoger beroep hebben partijen voorts verklaard – mede gelet op het voorgaande – het niet wenselijk te vinden de zaak aan te houden om hen in de gelegenheid te stellen met behulp van een hulpverleningstraject de onderlinge communicatie te verbeteren.

Ten aanzien van [X] is tot slot gebleken dat zij een liefdevolle relatie heeft met beide ouders. De omgangsregeling tussen [X] en de man verloopt goed en zij spreken elkaar bijna iedere ochtend via FaceTime. Voor [X] zijn deze momenten belangrijk.

5.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de basis voor een effectieve gezamenlijke gezagsuitoefening ontbreekt. Er is tussen partijen al drie jaar geen efficiënte communicatie en nauwelijks overleg over de dagelijkse gang van zaken rondom [X] , of over gezagsbeslissingen. Ondanks de pogingen van de vrouw de man te betrekken bij belangrijke beslissingen en speciale aangelegenheden, heeft de man dit telkens afgehouden omdat de onderhavige procedure volgens hem daaraan in de weg staat. Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat partijen thans in staat zijn om in gezamenlijk overleg belangrijke beslissingen over [X] te nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond [X] (kunnen) voordoen, zodanig dat zij niet klem of verloren raakt tussen hen. Gezien het hierboven beschreven verleden van partijen, waarin de communicatie ondanks mediation niet is verbeterd, alsmede het feit dat zij thans niet open staan voor een hulpverleningstraject, valt ook niet te verwachten dat zij hiertoe binnen afzienbare termijn wel in staat zullen zijn. Het hof ziet, anders dan de raad, dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. Het hof zal het verzoek van de man derhalve afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.8

Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Uit het gesprek tussen de voorzitter en [X] is gebleken dat beide ouders heel belangrijk zijn voor [X] en dat zij last heeft van de moeizame verhouding tussen hen. Nu in deze procedure door dit hof een beslissing is gegeven, hoopt het hof dat er bij de ouders ruimte ontstaat om in het belang van [X] gezamenlijk aan hun onderlinge communicatie te werken. De eerste stap daarbij zou zijn dat de man ingaat op uitnodigingen van de vrouw om hem te betrekken bij belangrijke beslissingen en speciale aangelegenheden in het leven van [X] . De vrouw dient de man daartoe in de gelegenheid te stellen en met hem daarover zo nodig te overleggen. Indien de man ook op deze manier betrokkenheid toont bij [X] , de communicatie tussen de ouders verbetert en het onderlinge vertrouwen is hersteld, sluit het hof niet uit dat in de toekomst de ouders wel het gezag gezamenlijk kunnen uitoefenen.

5.9

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kok, mr. C.E. Buitendijk en mr. A.P. Vaatstra, in tegenwoordigheid van mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier, en is op 8 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.