Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:517

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
18/00074, 18/00075, 18/00076, 18/00077, 18/00078
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:132, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Autohandel. Niet aangegeven verzekeringspenningen (verzekeringsfraude). Het Hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en dat de daarbij opgelegde boetes terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Anders dan de rechtbank vindt het Hof wel aanleiding de boetes verder te matigen (tot op 10% van de boetegrondslag) wegens de financiële omstandigheden van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-05-2019
FutD 2019-1476
V-N Vandaag 2019/1277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 18/00074 tot en met 18/00078

22 januari 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[naam] , te [woonplaats] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering,

tegen de uitspraak van 12 januari 2018 in de zaken met kenmerken HAA 16/457 t/m HAA 16/461 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Minister van Rechtsbescherming, te Den Haag, de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende belastingaanslagen opgelegd:

- Met dagtekening 10 december 2010 voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 137.901. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 28.329 opgelegd;

- Met dagtekening 12 februari 2011 voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.569. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 15.409 opgelegd;

- Met dagtekening 12 februari 2011 voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.151. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 9.509 opgelegd;

- Met dagtekening 11 februari 2011 voor het jaar 2008 een aanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.183. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 16.250 opgelegd;

- Met dagtekening 11 februari 2011 voor het jaar 2008 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 31.231;

- Met dagtekening 31 augustus 2011 voor het jaar 2009 een aanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 114.689. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 18.544 opgelegd;

- Met dagtekening 31 augustus 2011 voor het jaar 2009 een aanslag Zvw, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 32.369.

1.2.

Na tegen de hiervoor gemelde (navorderings)aanslagen en tegen de boetebeschikkingen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend respectievelijk 10 december 2015 (Zvw 2008 en 2009), 18 december 2015 (IB/PVV 2005 en 2006), 23 december 2015 (IB/PVV 2007) en 30 december 2015 (IB/PVV 2008 en 2009), het volgende beslist:

- de aanslagen Zvw 2008 en 2009 zijn in stand gelaten;

- de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.498 en de vergrijpboete is verminderd tot € 6.147;

- de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.914 en de vergrijpboete is verminderd tot € 9.279;

- de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.151 en de vergrijpboete is verminderd tot € 7.607;

- de aanslag IB/PVV 2008 is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.103 en de vergrijpboete is verminderd tot € 9.447;

- de aanslag IB/PVV 2009 is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.609 en de vergrijpboete is verminderd tot € 8.994.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroepen ingesteld. Bij uitspraak van 12 januari 2018 heeft de rechtbank als volgt beslist (waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- in de zaken HAA 16/457 tot en met HAA 16/459: verklaart de beroepen ongegrond;

- in de zaken HAA 16/460 en HAA 16/461:

- verklaart de beroepen voor zover zij zijn gericht tegen de aanslagen zvw 2008 en 2009 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze zien op de aanslagen zvw 2008 en 2009 en handhaaft deze voor het overige;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de aanslagen zvw 2008 en 2009;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

- veroordeelt verweerder om aan eiser een bedrag aan immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen van € 3.246;

- veroordeelt de Minister om aan eiser een bedrag aan immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen van € 2.254;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser aanvullend met een bedrag van € 899;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht, voor alle zaken in totaal € 46, aan eiser te vergoeden.”

1.4.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende (in één geschrift) ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 22 februari 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 5 maart 2018 in hoger beroep verzocht om kwijtschelding van het te betalen griffierecht vanwege betalingsonmacht. Bij brief van de griffier van 4 april 2018 is dit verzoek (voorlopig) toegewezen en aangegeven dat (voorlopig) wordt afgezien van het heffen van griffierecht.

1.6.

Op 24 december 2018 is bij het Hof een nader stuk van belanghebbende ingekomen, en op 7 januari 2019 is door het Hof een nader stuk (pleitnota) van de inspecteur ontvangen. Voornoemde nadere stukken zijn, over en weer, in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2019. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. Namens de inspecteur zijn verschenen F.H.M. van Hooff, mr. W.Y. Ip en A. Hommen.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2
2. Feiten

2.1.

In de uitspraak van de rechtbank zijn de navolgende feiten vastgesteld.

“1. In de jaren 2005 tot en met 2009 woonde eiser op het adres [adres] te [plaats A] . Vanaf 29 augustus 2005 woonde eiser samen met zijn toenmalige partner [naam toenmalige partner] (hierna: de partner) op genoemd adres. Eiser heeft in zijn aangiftes ib/pvv 2005 tot en met 2009 voor het gehele jaar gekozen voor fiscaal partnerschap met de partner.

2. In oktober 2008 is verweerder naar aanleiding van een signaal naar de herkomst van een auto, [merk 1] , een onderzoek gestart naar de handel in auto’s door eiser, de verkoper van deze auto. Tijdens dit onderzoek is gebleken dat er ook een strafrechtelijk onderzoek naar eiser liep.

3. Na een daartoe gedaan verzoek van verweerder heeft het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) op 7 april 2010 de processen-verbaal en bijlagen in het strafrechtelijk onderzoek naar eiser toegezonden aan verweerder. De officier van justitie heeft op grond van artikel 39f, eerste lid, onder c, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens aangegeven dat de benodigde strafvorderlijke gegevens door verweerder kunnen worden gebruikt.

4. Uit interne gegevens van de Belastingdienst blijkt dat in de periode van 2004 tot en met 2009 54 auto’s en motoren van eigenaar verwisseld zijn via eiser en de partner.

5. In een proces-verbaal van een op 17 november 2009 gehouden verhoor waarbij eiser door de politie als verdachte is verhoord, staat - voor zover hier van belang - het volgende (V= vraag of opmerking verbalisanten, A= antwoord of reactie eiser):

“WERK

V: Wat voor werk doe jij precies?

A: lk werk bij [een overheidsorgaan] op de afdeling risicobeheer en verzekering.”

6. In een proces-verbaal van een op 19 november 2009 gehouden verhoor waarbij eiser door de politie als verdachte is verhoord staat - voor zover hier van belang - het volgende (V= vraag of opmerking verbalisanten, A= antwoord of reactie eiser):

[het overheidsorgaan]

V:Wij hebben gezien dat jij voor onder andere correspondentie met verzekeringsmaatschappijen, regelmatig gebruik maakt van briefpapier of briefhoofden van [het overheidsorgaan] .

A:Ja voor mijn werk.

V:Nee voor je eigen schadeafwikkeling?

A:Voor mijn prive afwikkeling. Nou dat is misschien met de auto van [naam persoon 1] gebeurt. Ja want ik had die polis daar….

V:Ja het is wel een polis maar een prive aangelegenheid..

A:Ja ik heb wel eens een herinneringsbrief geschreven.

V:Waarom gebruik je dan [papier van het overheidsorgaan] .

A:Onbewust eigenlijk. Omdat ik dat op kantoor zat en daar die brief heb gemaakt. Daar heb ik niet over nagedacht. Toen we er achter kwamen met die dekkingsverschillen, Ik heb daar niet over nagedacht. Als jullie dat zeggen dan zal ik dat wel gedaan hebben. Maar echt onbewust. En de mail gebruikte ik omdat er ook per mail gecommuniceerd is.

V:Dat kan zo zijn. Maar is het zo dat bij correspondentie jouw functie onder staat?

A:Het staat er niet altijd onder.

V:Maar het is wel voorgekomen dat dat wel gebruikt wordt.

A:Kan zijn maar ik weet het niet zeker.

V:Ook met betrekking tot de motorfiets is een levendige correspondentie geweest tussen jou en [naam verzekeringsmaatschappij 1] ? Je kreeg te weinig?

A:Ja ik kreeg te kort. Dat hebben we dan veel per mail gedaan. Maar ook telefonisch met de expert.

V:Maar dan zie ik jou als [medewerker van het overheidsorgaan] ....dat je uit hoofde van je functie kennelijk contact met hen zoekt.

A:Omdat ik verzekerde ben bij hen. Je doelt op belangenverstrengeling? Dat sluipt er dan in. Ik heb er gewoon over gecommuniceerd dat ik er niet over eens was hoe het schade bedrag was opgebouwd.

V:Er staat mij bij dat je een verzekering is waar ambtenaar hun auto kunnen verzekeren. Kan iedereen dat doen.

A:Ja iedereen die bij [dit overheidsorgaan] werkt of gepensioneerde en gelieerde onderdelen kan daar zijn auto verzekeren.

V:Wie kan daar nog meet zijn auto verzekeren?

A:Familieleden van personeel.

V:En [naam persoon 1] ?

A:Nee want [naam persoon 1] zit niet in dat contract. Die is aangemeld als prive persoon. Maar wel via mijn mail.

V:Mocht dat?

A:Of ik kennisen mag aanmelden?

V: Ja

A:lk mag iedereen aanmelden natuurlijk.

V:Ik weet dat jij het antwoord heb gehad dat prive personen via een tussenpersoon aangemeld moest worden.

A:Ja dat klopt maar ik heb toen iets gezegd van ‘dan benoem je maar een tussenpersoon of maak je er maar een maatschappijpolis van of.”Dat scheelt namelijk weer provisie.

V:Voor wie scheelt dat provisie?

A:Voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] .

V:Je hebt een tegen een verzekerings medewerker gezegd ‘je weet mijn positie, doe het nou maar anders haal ik de verzekeringen bij jullie weg of woorden van gelijke strekking?

A:Nee dat kan ik nooit gezegd hebben. Dat is mijn positie helemaal niet. Daar kan ik nooit over beslissen. Het is dus zeer onlogisch dat ik dat gezegd zou hebben. Ik heb me wel heel boos gemaakt op [naam verzekeringsmaatschappij 1] . Wat ik al zeg het lijkt me zeer onlogisch.

V:Maar het kan als pressiemiddel gebruikt kunnen zijn. Degene die jou spreekt weet misschien niet dat jij daar niet over gaat.

A:Dat zou kunnen maar ik heb weinig contact gehad via de telefoon met [naam verzekeringsmaatschappij 1] . En met die motor heb ik volgens mij in eerste instantie alleen met de expert te maken gehad, voorzover ik mij kan herinneren. Dit dispuut met die expert ging over de hoogte van het schadebedrag. [naam verzekeringsmaatschappij 1] ging daar niet over. Die volgen de expert.

V: Is dat zo? Bepaalt [naam verzekeringsmaatschappij 1] dat niet?

A: Nee, tenzij ze iets uit coulance willen doen. De expert bepaald de waarde en [naam verzekeringsmaatschappij 1] neemt dat normaal over. Tenzij ze denken dat ze uit eigen beweging wat willen doen maar dat is in deze niet het geval geweest.”

2005

7.1.

In 2005 heeft eiser voor een totaalbedrag van € 59.568 aan verzekeringspenningen ontvangen, afkomstig van drie verschillende verzekeringsmaatschappijen. Op 20 juli 2005 is via de stichting [naam stichting] rechtsbijstand in verband met de aangifte van diefstal van een [auto van het merk 2] met kenteken [kenteken 1] een bedrag van € 35.000 overgemaakt op de bankrekening van eiser, welk bedrag onderdeel uitmaakt van het voormelde bedrag van € 59.568.

7.2.

Tijdens het verhoor van eiser door de politie Noord-Holland Noord op

18 november 2009 heeft eiser verklaard dat hij aangifte heeft gedaan van diefstal van de [auto van het merk 2] terwijl deze auto feitelijk niet gestolen was.

7.3.

In de aangifte ib/pvv 2005 heeft eiser geen opgave gedaan van inkomsten afkomstig van verzekeringspenningen. Bij brief van 1 maart 2007 heeft verweerder eiser bericht een bedrag van € 1.425 aan rente en kosten van geldleningen voor de eigen woning niet in aftrek te zullen toelaten en in zoverre van de aangifte te zullen afwijken. Met dagtekening 28 maart 2007 is de aanslag ib/pvv 2005 in afwijking van de aangifte opgelegd.

7.4.

Met dagtekening 10 december 2010 is eiser de navorderingsaanslag ib/pvv 2005 opgelegd. Hierbij is rekening gehouden met een bedrag aan verzekeringspenningen van € 39.458.

7.5.

In de uitspraak op bezwaar is de inkomenscorrectie teruggebracht naar € 35.000 en is het percentage van de opgelegde vergrijpboete teruggebracht van 50% naar 40%.

2006

8.1.

Op 24 december 2005 heeft eiser aangifte gedaan van de diefstal van een [auto van het merk 3] met het kenteken [kenteken 2] in Tsjechië. Dit kenteken stond sinds 28 november 2003 op naam van eiser. Naar aanleiding van de aangifte heeft hij op 30 maart 2006 van [naam verzekeringsmaatschappij 2] een bedrag ontvangen van € 34.075,89 op zijn eigen bankrekening. Op 22 juni 2006 heeft in verband met deze schade nog een nabetaling van € 240,11 van [naam verzekeringsmaatschappij 2] aan eiser plaatsgevonden. Eiser heeft tegenover de politie bekend dat de auto in werkelijkheid niet gestolen was, maar is gedemonteerd en dat hij het geld bij de verzekeringsmaatschappij heeft geclaimd.

8.2.

Op 10 april 2006 heeft eiser namens de partner aangifte gedaan van diefstal van onderdelen van een [auto van het merk 3] met het kenteken [kenteken 3] . Dit kenteken stond sinds

7 september 2005 op naam van de partner. Op 8 mei 2006 heeft [naam verzekeringsmaatschappij 3] in verband hiermee een schadebedrag van € 11.385 uitgekeerd door overmaking op de bankrekening van de partner. Op 9 mei 2006 heeft de partner een bedrag van € 11.375 overgemaakt op de bankrekening van eiser. Eiser heeft tegenover de politie verklaard dat de diefstal van onderdelen niet heeft plaatsgevonden en dat hij zelf de onderdelen van de auto heeft meegenomen.

8.3.

Op 19 december 2005 heeft eiser aangifte van vernieling gedaan van een [auto van het merk 2] met kenteken [kenteken 4] . Dit kenteken stond sinds 20 juni 2005 op naam van de partner. Op 13 januari 2006 heeft hij ter zake van deze aangifte een bedrag ontvangen van € 5.734,96 op een en/of bankrekening op naam van eiser en de partner. Tijdens een politieverhoor op 2 december 2009 heeft eiser toegegeven dat het hier om een valse aangifte ging.

8.4.

In de aangifte ib/pvv 2006 heeft eiser geen opgave gedaan van inkomsten afkomstig van verzekeringspenningen. Met dagtekening 24 juli 2008 is de aanslag ib/pvv 2006 conform de aangifte opgelegd.

8.5.

Met dagtekening 12 februari 2011 is de navorderingsaanslag ib/pvv 2006 opgelegd. Hierbij is rekening gehouden met een bedrag aan verzekeringspenningen van € 51.435 en een bedrag van € 14.655 in verband met inkomsten uit autohandel. In de uitspraak op bezwaar wordt de correctie teruggebracht naar € 51.435. De inkomsten uit autohandel zijn gecorrigeerd naar nihil. Het percentage van de opgelegde vergrijpboete is bij de uitspraak op bezwaar teruggebracht van 50% naar 40%.

2007

9.1.

Op 21 augustus 2007 heeft de partner aangifte van diefstal gedaan van een personenauto van het [merk 1] met kenteken [kenteken 5] . Dit kenteken stond vanaf 30 juni 2007 tot aan het moment van de aangifte op haar naam. Vóór 30 juni 2007 stond deze auto op naam van eiser. Op 15 november 2007 is naar aanleiding van de aangifte van diefstal € 39.785 door [naam verzekeringsmaatschappij 1] overgemaakt op de gezamenlijke bankrekening van eiser en de partner. Op dezelfde datum is € 39.785 doorgestort op de eigen bankrekening van eiser.

9.2.

In de aangifte 2007 heeft eiser geen opgave gedaan van inkomsten afkomstig van verzekeringspenningen. Met dagtekening 24 oktober 2008 is de aanslag ib/pvv 2007 conform de aangifte opgelegd.

9.3.

Met dagtekening 12 februari 2011 is eiser de navorderingsaanslag ib/pvv 2007 opgelegd. Hierbij is rekening gehouden met een bedrag aan verzekeringspenningen van € 39.785. In de uitspraak op bezwaar is deze correctie gehandhaafd. Het percentage van de opgelegde vergrijpboete is bij de uitspraak op bezwaar teruggebracht van 50% naar 40%.

2008

10.1.

Op 8 april 2008 heeft eiser aangifte gedaan van diefstal van een motor, merk [A] , op 7 april 2008 te [plaats A] . Op 20 juni 2008 is in verband hiermee € 7.400 overgemaakt door [naam verzekeringsmaatschappij 1] op de bankrekening van eiser.

10.2.

Een [auto van het merk 1] met kenteken [kenteken 6] stond vanaf 10 december 2007 op naam van eiser. Binnen een periode van twee maanden wordt de tenaamstelling van de auto twee keer gewijzigd: Op 16 december 2007 wordt het kenteken op naam van [X] B.V. gezet en op 28 januari 2008 wordt het kenteken op naam gezet van [naam persoon 2] , een vriend van eiser. [naam persoon 2] doet aangifte van diefstal van deze [auto van het merk 1] op 19 april 2008. [naam verzekeringsmaatschappij 3] heeft op basis van deze aangifte € 41.300 op 29 mei 2008 uitgekeerd aan [naam persoon 2] . Uit tot de stukken van het geding behorende bankafschriften blijkt dat [naam persoon 2] op dezelfde dag € 25.000 naar de bankrekening van eiser heeft overgemaakt en € 8.595 naar de gezamenlijke bankrekening van eiser en de partner. Het bedrag van € 8.595 is dezelfde dag doorgestort naar de bankrekening van eiser. Op 3 juni 2008 maakt [naam persoon 2] € 6.385 over naar het rekeningnummer van de partner.

10.3.

In zijn aangifte ib/pvv 2008 heeft eiser geen opgave gedaan van inkomsten afkomstig van verzekeringspenningen. Eiser heeft in zijn aangifte slechts inkomsten uit dienstbetrekking van € 49.645 bruto en € 15.826 ingehouden loonheffing aangegeven. Voorts heeft eiser in zijn aangifte € 705 als aftrekbaar bedrag persoonsgebonden uitgaven geclaimd.

10.4.

Met dagtekening 11 februari 2011 is de aanslag ib/pvv 2008 opgelegd. Hierbij is in afwijking van de aangifte rekening gehouden met een bedrag aan verzekeringspenningen en inkomsten uit autohandel van in totaal € 64.460. Het bedrag aan aftrekbare persoonsgebonden uitgaven van € 705 is in verband met de aanpassing van het drempelbedrag als gevolg van deze correctie, gecorrigeerd naar nihil.

10.5

In de uitspraak op bezwaar is de correctie in verband met de verzekeringspenningen teruggebracht naar € 47.380. De correctie in verband met de inkomsten uit autohandel van € 17.080 is bij de uitspraak op bezwaar komen te vervallen. Het percentage van de opgelegde vergrijpboete is bij de uitspraak op bezwaar teruggebracht van 50% naar 40%.

2009

11.1.

Op 26 januari 2009 is aangifte gedaan van diefstal van een [auto van het merk 4] met kenteken [kenteken 7] op 25 januari 2009 te [plaats B] . De aangifte is gedaan door [naam persoon 3] , een vriend van eiser. Na afhandeling van de aangifte bij de verzekeringsmaatschappij ontvangt [naam persoon 3] van [naam verzekeringsmaatschappij 1] een bedrag van € 51.037 op zijn bankrekening. De betalingsdatum is 13 mei 2009 voor € 46.525 en 9 juli 2009 voor een bedrag van € 4.512,92. Op 13 mei 2009 heeft [naam persoon 3] een bedrag van € 14.637 gestort op een gezamenlijke bankrekening van eiser en de partner. Op gelijke datum heeft hij zowel op een bankrekening van eiser als op een bankrekening van de partner een bedrag van € 14.638 gestort. De partner heeft van het door haar ontvangen bedrag op 14 mei 2009 € 14.600 overgemaakt naar een bankrekening van eiser. Op 26 en 27 mei 2009 heeft zij in acht deelbetalingen een bedrag van € 1.937,60 op de bankrekening van eiser overgemaakt.

Op 9 juli 2009 heeft [naam persoon 3] € 2.048,30 op de bankrekening van eiser gestort.

11.2.

In de aangifte ib/pvv 2009 heeft eiser geen opgave gedaan van inkomsten afkomstig van verzekeringspenningen.

11.3.

Met dagtekening 11 februari 2011 is de aanslag ib/pvv 2009 opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag is in afwijking van de aangifte rekening gehouden met een bedrag aan verzekeringspenningen en inkomsten uit autohandel van € 74.041. In de uitspraak op bezwaar is de correctie in verband met de verzekeringspenningen teruggebracht naar € 45.961. De correctie in verband met de inkomsten uit autohandel van € 28.080 is in de uitspraak op bezwaar vervallen. Het percentage van de opgelegde vergrijpboete is bij de uitspraak op bezwaar teruggebracht van 50% naar 40%.

12. Rechtbank Alkmaar heeft in haar uitspraak van 27 oktober 2010, ECLI:NL:RBALK:2010:BO8348 (strafkamer), eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 224 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, een en ander onder algemene en bijzonder voorwaarden, alsmede tot een taakstraf van 240 uren of 120 dagen vervangende hechtenis. In deze uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen:

“5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2005 tot en met 31 januari 2009 te [plaatsnaam] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere verzekeringsmaatschappijen, te weten:

- [ verzekeringsmaatschappij 1] te [plaats C] (in de zaken 1, 3 en 10) en

- [ verzekeringsmaatschappij 2] te [plaats D] (in zaak 4 en 8) en,

- [ verzekeringsmaatschappij 3] te [plaats E] (in zaak 7)

telkens heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen te weten: van

zaak 1: 51.037,92 euro en

zaak 3: 39.785 euro en

zaak 4: 41.300 euro en

zaak 7: 34.315 euro en

zaak 8: 11.385 euro en

zaak 10: 5.734,96 euro,

hebbende verdachte en/of één van zijn mededader(s) telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid

zaak 1:

- aangifte van diefstal gedaan op 25 januari 2009 van een personenauto, merk [4] , [kenteken 1], gepleegd op 25 januari 2009 te [plaats B] (België) en

- vervolgens deze aangifte van diefstal bij [verzekeringsmaatschappij 1] gemeld op 26 januari 2009 en een claim van de schade hiervan ingediend en

zaak 3:

- aangifte van diefstal gedaan op 19 augustus 2007 van een personenauto, [merk 1] , [kenteken 2], gepleegd in de periode van 17 tot en met 19 augustus 2007 te [plaats F] en

- vervolgens deze aangifte van diefstal bij [verzekeringsmaatschappij 1] gemeld op 21 augustus 2007 en een claim van de schade hiervan ingediend op 29 augustus 2007 en

zaak 4:

- aangifte van diefstal gedaan op 19 april 2008 van een personenauto, [merk 1] , [kenteken 3], gepleegd op 19 april 2008 te [plaats G] (België) en

- vervolgens deze aangifte van diefstal bij [verzekeringsmaatschappij 2] gemeld op 21 april 2008 en een claim van de schade hiervan ingediend op 20 april 2008 en

zaak 7:

- aangifte van diefstal gedaan omstreeks 24 december 2005 te [plaats H] (Tsjechië) en op 17 januari 2006 te [plaats C] van een personenauto, [auto van het merk 3] , [kenteken 4], gepleegd omstreeks 23 december 2005 te [plaats H] (Tsjechië) en

- vervolgens deze aangifte van diefstal bij [verzekeringsmaatschappij 3] gemeld en een claim van de schade hiervan ingediend op 9 januari 2006 en

zaak 8:

- aangifte van diefstal gedaan op 19 april 2006 te [plaats F] uit/vanaf een personenauto, [auto van het merk 3] , [kenteken 5], gepleegd in de periode van 8 tot en met 10 april 2006 te [plaats F] en

- vervolgens deze aangifte van diefstal bij [verzekeringsmaatschappij 2] gemeld op 10 april 2006 en een claim van de schade hiervan ingediend op 14 april 2006 en

zaak 10:

- aangifte van vernieling gedaan op 19 december 2005 van een personenauto, [auto van het merk 2] , [kenteken 6], gepleegd op 18 december 2005 te [plaats I] en

- vervolgens deze aangifte van diefstal bij [verzekeringsmaatschappij 1] gemeld op 19 december 2005 en een claim van de schade hiervan ingediend,

waardoor voornoemde verzekeringsmaatschappijen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij omstreeks 23 oktober 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [verzekeringsmaatschappij 4] te [plaats J] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van 43.000 euro, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid met zijn mededader, het volgende heeft gedaan,

zaak 2:

- aangifte van diefstal op 23 oktober 2009 te [plaats C] van een personenauto, merk [4] , [kenteken 7], gepleegd op 23 oktober 2009 te [plaats C] en

- vervolgens deze aangifte van diefstal bij voornoemde verzekeringsmaatschappij gemeld op

23 oktober 2009 en een claim van de schade hiervan ingediend op 24 oktober 2009,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in de periode van 7 april 2008 tot en met 7 mei 2008 en in de periode van 22 augustus 2004 tot en met 26 augustus 2004 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [verzekeringsmaatschappij 1] te [plaats C] (zaak 5) en [verzekeringsmaatschappij 4] (zaak 6) heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van respectievelijk 7400 euro en 37.695 euro, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid

zaak 5

- aangifte van diefstal gedaan op 8 april 2008 te [plaats A] van een motor, merk [A] , [kenteken 8], gepleegd op 7 april 2008 te [plaats A] en

- vervolgens deze aangifte van diefstal gemeld op 22 april 2008 bij [verzekeringsmaatschappij 1] en een claim van de schade hiervan ingediend op 7 mei 2008 en

zaak 6

- aangifte van diefstal gedaan op 22 augustus 2004 te [plaats F] van een personenauto, [auto van het merk 2] , [kenteken 9], gepleegd in de periode van 14 augustus 2004 tot en met 21 augustus 2004 te [plaats F] en

- vervolgens deze aangifte van diefstal op 23 augustus 2004 gemeld bij [naam bedrijf] te [plaats K] (tussenpersoon van [verzekeringsmaatschappij 4]) en een claim van de schade hiervan ingediend op 26 augustus 2004,

waardoor [verzekeringsmaatschappij 1] en/of [verzekeringsmaatschappij 4] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 22 augustus 2004 tot en met 16 november 2009 te [plaatsnaam] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte telkens voorwerpen, te weten personenauto's, te weten: twee [auto's van het merk 4] [[kenteken 1] en [kenteken 7]] en twee [auto's van het merk 1] [[kenteken 10] en/of [kenteken 3]] en een [auto van het merk 2] [kenteken 6] en een [merk A] motorfiets [kenteken 19] en geldbedragen (ten onrechte uitbetaalde verzekeringsuitkeringen en/of winstopbrengsten van de verkoop van (omgekatte) personenauto's), verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, en/of zijn mededader telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd (zaken 1, 3 en 4)

en

oplichting, meermalen gepleegd (zaken 7, 8 en 10).

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van poging tot oplichting.

Ten aanzien van feit 3:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Een gewoonte maken van witwassen.”

13. Op 11 mei 2011 is eiser in een civielrechtelijke zaak door de rechtbank Alkmaar veroordeeld tot betaling van € 43.538,23 plus wettelijke rente aan [naam verzekeringsmaatschappij 4] . Op 28 december 2011 is eiser in een civielrechtelijke zaak door de rechtbank Alkmaar veroordeeld tot betaling aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] van € 8.075,92 plus wettelijke rente en € 7.078,01 proceskostenvergoeding. Daarnaast is in deze uitspraak eiser samen met [naam persoon 3] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] van € 52.546,95 plus wettelijke rente en is eiser samen met de partner hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] van € 46.995,47 plus wettelijke rente.

14. Bij beschikking van 28 februari 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam (in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 25 oktober 2012) het bedrag van het door eiser in verband met de hierna genoemde strafzaak genoten wederrechtelijk verkregen voordeel, onder verrekening op grond van het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht van voormelde toegekende vorderingen, de daarover verschuldigde wettelijke rente en kosten, vastgesteld op € 5.343,80 en eiser de verplichting opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen. Bij beschikking van 30 oktober 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam deze aan eiser opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gewijzigd in die zin dat de betalingsverplichting wordt gesteld op nihil.”

Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank zijn door partijen geen bezwaren aangevoerd. Het Hof zal dan ook van die feiten uitgaan en voegt daar nog het volgende aan toe.

2.2.

Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan van de volgende belastbare inkomens uit werk en woning:

Jaar Aangegeven belastbaar inkomen

uit werk en woning

2005 € 22.073

2006 € 17.479

2007 € 36.366

2008 € 40.018

2009 € 40.648

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de (navorderings)aanslagen IB/PVV en de daarbij opgelegde boetes terecht, en zo ja, niet te hoog zijn vastgesteld. Meer specifiek is nog in geschil:

  • -

    of met betrekking tot de jaren 2005 t/m 2007 sprake is van een nieuw feit dan wel kwader trouw op basis waarvan kan worden nagevorderd;

  • -

    of de activiteiten waarvoor belanghebbende - als beschreven onder 12 van de rechtbankuitspraak - strafrechtelijk is veroordeeld, voor zover die geleid hebben tot in de (navorderings)aanslagen begrepen inkomen - een bron van inkomen voor belanghebbende vormen;

  • -

    of belanghebbende in de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan (zodat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast);

  • -

    of belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen voor een te hoog bedrag zijn vastgesteld;

  • -

    of de aanslagen berusten op een redelijke schatting;

  • -

    of sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel;

  • -

    of de boetes dienen te worden vernietigd dan wel te worden verminderd; en

  • -

    of de door de rechtbank voor de onderhavige zaken toegekende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 5.500 te laag is.

In hoger beroep zijn de aanslagen Zvw 2008 en 2009 niet in geschil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

Vooraf

18. Verweerder heeft aangegeven dat de aanslagen zvw 2008 en 2009 in de beroepsfase op nihil zijn gesteld. Reeds hierom zijn de beroepen in de zaken over deze jaren gegrond.

Onrechtmatig verkregen bewijs

19. Anders dan eiser aanvoert, is de rechtbank van oordeel dat de verstrekking van de strafrechtelijke gegevens door het OM aan verweerder berust op een toereikende wettelijke regeling. Het stond verweerder derhalve vrij deze gegevens, daaronder begrepen de verslagen van de politieverhoren van eiser, te gebruiken voor het opleggen van de in deze zaken in geschil zijnde (navorderings)aanslagen.

Nieuw feit/kwade trouw

20. De rechtbank merkt allereerst op dat de eventuele afwezigheid van een nieuw feit dan wel kwade trouw geen rol speelt bij de beoordeling van de aanslagen ib/pvv 2008 en 2009, nu deze aanslagen binnen de aanslagtermijn zijn opgelegd en het hier geen navorderingsaanslagen betreft.

21. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan de inspecteur een navorderingsaanslag opleggen als enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw, rust op de inspecteur.

22. Verweerder mag bij het vaststellen van een aanslag ib/pvv uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (vergelijk onder andere het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2009, nr. 07/10292, ECLI:NL:HR:2009:BG9068).

23. Verweerder is pas op het moment van een melding in oktober 2008 bekend geworden met de mogelijkheid dat eiser zekere inkomsten niet heeft aangegeven waarna is besloten in verband hiermee een onderzoek jegens eiser te starten. De enkele omstandigheid dat verweerder bij de aanslagregeling ib/pvv 2005 op het punt van de rente en kosten van geldleningen voor de eigen woning van de aangifte is afgeweken impliceert niet dat er reeds op dat moment aanleiding was voormeld onderzoek te starten. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank in elk van de onderhavige jaren sprake van een nieuw feit en kan niet worden gezegd dat verweerder een ambtelijk verzuim heeft begaan. Verweerder was derhalve bevoegd tot navorderen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nieuw feit.

24. De rechtbank wijst in verband met het betoog van eiser dat verweerder bekend moet zijn geweest met het feit dat reeds een groot aantal auto’s op zijn naam waren gesteld nog op het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515. In dit arrest overwoog de Hoge Raad onder meer:

“2.3.2.

Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van een belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier bevattende de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige, dat met name voor de inspecteur niet de verplichting bestaat tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn, en dat de inspecteur slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier is gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (zie HR 21 april 1971, nr. 16535, BNB 1971/158). Voorts gaat het te ver in het algemeen de eis te stellen dat bij de regeling van de aanslag in de IB/PVV voor een bepaald jaar steeds, ook als daartoe geen bijzondere aanleiding bestaat, reeds op de eenheid aanwezige akten betreffende levering van onroerende zaken in het dossier voor de IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige aanwezig moeten zijn (vgl. HR 29 april 1987, nr. 24542, BNB 1987/236).”

Gelet op dit arrest gaat, anders dan eiser aanvoert, de onderzoeksplicht van verweerder bij het opleggen van een aanslag ib/pvv niet zover dat hij daartoe ook aanslagen motorrijtuigenbelasting die niet in het dossier ib/pvv van eiser zijn opgenomen, dient te raadplegen.

Bron van inkomen

25. Eiser voert aan dat hij geen werkzaamheden heeft verricht die naar hun aard en omvang onmiskenbaar waren gericht op het behalen van redelijkerwijs te verwachten voordeel. Met zijn werkzaamheden beoogde hij geen voordeel te behalen, evenmin was er een voordeelsverwachting. Gelet op de gewezen jurisprudentie inzake resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: row) en voorheen inkomsten uit andere arbeid, waaruit geen duidelijk beeld rijst over de belastbaarheid van inkomsten uit de activiteiten met auto’s welke eiser hier heeft verricht, had eiser niet behoeven te weten dat de inkomsten die hij hieruit genoot, belast zouden zijn als row. Eiser stelt dat hij niet over voorkennis of daarmee gelijk te stellen bijzondere kennis beschikte. De door hem verrichte handelingen zijn zo minimaal dat deze naar aard en omvang niet kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden. Deze handelingen leiden niet tot voordelen die het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan.

Niet kan worden gezegd dat er een aanzienlijk bedrag niet is aangegeven. Eiser concludeert dat er geen sprake is van een bron van inkomen.

26. Voor het verkrijgen van de nu in de (navorderings)aanslagen belaste inkomsten heeft eiser deelgenomen aan het economisch verkeer, onder meer door de aankoop van de auto’s waarmee bestrafte handelingen zijn gepleegd, het doorverkopen en/of doen demonteren van deze auto’s en het doen van valse aangiftes van diefstal. Uit de stukken van het geding en uit hetgeen ter zitting is verklaard komt naar voren dat eiser met zijn handelingen een bepaald voordeel beoogde en dat dit voordeel zich gedurende een reeks van jaren ook gematerialiseerd heeft. Dat de werkzaamheden van geringe omvang zouden zijn geweest, zoals eiser heeft aangevoerd, zo daar al sprake van zou zijn, doet hierbij niet ter zake. Ook geringe werkzaamheden kunnen leiden tot belastbare inkomsten, te denken valt hierbij aan de jurisprudentie inzake tipgelden.

De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van eiser dat hij het risico liep betrapt te worden op verzekeringsfraude. Uit de feitelijke gang van zaken moet immers worden afgeleid dat eiser jarenlang met zijn frauduleuze handelen is weggekomen. De rechtbank leidt hieruit af dat de pakkans niet zo groot is geweest dat geconcludeerd moet worden dat enig voordeel niet redelijkerwijs te verwachten was.

27. De rechtbank tekent hierbij nog het volgende aan. Gelet op zijn werkzaamheden als medewerker van [een overheidsorgaan] had eiser kennis en ervaring op het gebied van verzekeringen. Zo had hij voor zijn werk geregeld contacten over inhoudelijke zaken met verzekeringsmaatschappijen. Eiser heeft in zijn verhoren zelf aangegeven dat hij tijdens zijn werk ook privé dingen deed, hierover contact had met verzekeringsmaatschappijen en dat hij toen eens boos is geworden. Eiser was in de onderhavige jaren bij een groot (54) aantal overschrijvingen van auto’s direct dan wel indirect (bijvoorbeeld via de partner en/of door middel van een verstrekte lening aan een derde) betrokken. Eiser is met zijn ‘auto-activiteiten’ doorgegaan ook nadat de Belastingdienst een onderzoek naar deze activiteiten was gestart. Eiser heeft een resultaat behaald doordat de verzekeringspenningen uiteindelijk naar zijn bankrekening zijn overgemaakt. Mede gelet op overweging 26. is de rechtbank van oordeel dat dit resultaat voor hem een bron van inkomen vormde.

28. Dit leidt tot het oordeel dat eiser over de jaren 2005 tot en met 2009 row-inkomsten heeft genoten. De omstandigheid dat eiser in 2011 civielrechtelijk is veroordeeld tot terugbetaling van bedragen aan de verzekeringsmaatschappijen maakt dit niet anders, reeds omdat in voormelde jaren geen terugbetaling heeft plaatsgevonden en deze betalingsverplichtingen eerst zijn ontstaan in 2011 en derhalve na de nu in geschil zijnde jaren. Eiser heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat een terugbetalingsverplichting in de jaren 2005 – 2009 redelijkerwijs te voorzien was, zodat ook voor het vormen van een voorziening ter zake hiervan geen grond was. Het betoog van eiser dat uit de omstandigheid dat de ontnemingsvordering in de strafzaak op nihil is gesteld volgt dat hij in de onderhavige jaren geen row-inkomsten heeft genoten, faalt. Dat de ontnemingsvordering op nihil is gesteld houdt verband met de verplichting op grond van artikel 36e, achtste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht om bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering te brengen. Dit laat echter onverlet dat de ontvangen verzekeringspenningen in verband waarmee die vorderingen zijn ontstaan, in fiscale zin voor eiser inkomsten vormen.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

29. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat om die reden de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.

30. Artikel 27e, eerste lid, van de Awr bepaalt, voor zover van belang, dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Dit artikel vindt geen toepassing voor zover het beroep is gericht tegen een vergrijpboete.

31. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

32. Eiser heeft voor de alle in geschil zijnde jaren aangifte ib/pvv gedaan. Hij heeft hierin geen inkomsten in verband met de door hem gepleegde strafbare feiten ontvangen verzekeringspenningen ter grootte van, naar de rechtbank op grond van de vaststaande feiten aannemelijk acht, € 35.000 (2005), € 51.435 (2006), € 39.785 (2007), € 47.380 (2008) en € 45.961 (2009) aangegeven. Het betoog van eiser dat verweerder het bedrag dat hij in 2009 van [naam persoon 3] heeft ontvangen niet correct heeft berekend is in het licht van de overgelegde stukken en de gemotiveerde betwisting door verweerder onvoldoende onderbouwd.

33. Nu eiser deze inkomsten ten onrechte niet heeft aangegeven, acht de rechtbank aannemelijk dat hij zowel absoluut als relatief gezien tot aanzienlijke bedragen te lage aangiftes ib/pvv heeft gedaan. Het hiermee te weinig betaalde bedrag aan belasting en premies is in absolute zin aanzienlijk. De rechtbank stelt voorts vast dat hiervan uitgaande de volgens de aangiftes verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser ten tijde van het doen van de aangifte ten minste zich ervan bewust moest zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting en premies niet zou worden geheven. Hierdoor heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank over elk van de in geschil zijnde jaren niet de vereiste aangifte gedaan, zodat over alle jaren de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.

34. Omkering en verzwaring van de bewijslast betekent dat eiser moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de correcties te hoog zijn. Eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet overtuigend aangetoond dat de betalingen door de verzekeringsmaatschappijen bij hem tot een onjuist bedrag in aanmerking zijn genomen. Weliswaar is eiser veroordeeld tot het terugbetalen van ontvangen verzekeringsuitkeringen, maar dit is eerst geruime tijd na de onderhavige jaren gebeurd en in die jaren was door eiser niet redelijkerwijs te verwachten dat hij de ontvangen bedragen zou dienen terug te betalen.

35. Eiser voert aan dat de door hem genoten inkomsten zoals door verweerder vastgesteld, dienen te worden verminderd met de door de partner, [naam persoon 3] en [naam persoon 2] genoten inkomsten voor de door hen verrichte handelingen c.q. activiteiten. Deze inkomsten zijn hem niet toe te rekenen en moeten in mindering op zijn inkomen worden gebracht.

Eiser is onder meer veroordeeld in verband met, kort gezegd, verzekeringsfraude. In dat kader heeft eiser inkomsten genoten door middel van bijschrijvingen op zijn eigen bankrekening of op de en/of rekening van eiser en de partner, dan wel zijn er bedragen betaald aan derden die deze dezelfde dag hebben doorgestort op een van deze twee genoemde bankrekeningen. Dat een deel van de stortingen aanvankelijk op een andere bankrekening dan wel de genoemde en/of rekening is betaald, neemt niet weg dat deze betalingen aan eiser kunnen worden toegerekend en bij hem kunnen worden belast.

Eiser heeft gesteld dat hij aan [naam persoon 3] en [naam persoon 2] leningen heeft verstrekt. Voor het aannemelijk achten van het bestaan van deze leningen heeft eiser nog geen begin van bewijs geleverd, laat staan dat hij van het bestaan van dergelijke leningen heeft doen blijken.

De door de verzekeringsmaatschappijen betaalde uitkeringen aan eiser zijn, anders dan door hem is aangevoerd, voor eiser belaste inkomsten en niet slechts een vergoeding in verband met door hem geleden schade. De rechtbank wijst hierbij op de door eiser tegenover de politie afgelegde verklaring over het samen met [naam persoon 3] en [naam persoon 2] in scene zetten van een diefstal waarbij een door eiser gekochte auto op naam werd gezet van [naam persoon 3] en werd ‘gestolen’, de ‘gestolen’ auto vervolgens werd omgekat en de opbrengsten van de verzekeringsuitkering door drie werden gedeeld (en eiser uiteindelijk de omgekatte auto verkreeg omdat daar de waarde in zat die eindelijk hem het geld zou opleveren, zoals eiser in dit verhoor heeft verklaard).

Verweerder heeft onweersproken verklaard dat uitsluitend bij eiser zijn belast de bedragen uit activiteiten die per saldo aan hem zijn toegevallen en dat voor zover [naam persoon 2 en naam persoon 3] bedragen hebben genoten, deze niet bij eiser zijn belast. De partner is door de strafrechter vrijgesproken. Verweerder heeft terecht de op de partner betrekking hebbende inkomsten en de overige doorbetalingen door [naam persoon 2 en naam persoon 3] aan eiser toegerekend. Eiser, op wie de verzwaarde bewijslast rust, heeft het tegendeel niet doen blijken.

36. Eiser voert verder aan dat de door eiser zelf in verband met zijn auto-activiteiten gemaakte kosten in aftrek op zijn inkomen kunnen worden gebracht.

Kosten en lasten die verband houden met misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door de Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld, zijn gelet op artikel 3.14, vierde lid, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001, niet aftrekbaar. Aftrek van dergelijke kosten en lasten is eerst mogelijk vanaf het moment dat eiser daadwerkelijk uitgaven doet om de door het misdrijf veroorzaakte schade te herstellen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299). Gelet hierop komen, nu eiser door de strafrechter is veroordeeld, de in verband hiermee door eiser gemaakte kosten niet voor aftrek in aanmerking. De rechtbank wijst er nog op dat verweerder onweersproken heeft verklaard dat in de uitspraken op bezwaar alleen rekening is gehouden met de niet opgegeven inkomsten afkomstig uit de verzekeringsfraude en niet met eventuele inkomsten afkomstig uit de autohandel.

Redelijke schatting

37. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting de door hem in de navorderingsaanslagen aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. Hierbij moet verweerder een zekere armslag worden gegeven om een redelijke schatting te maken van het inkomen van eiser. Door zich hierbij te baseren op het vonnis in de strafzaak tegen eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank verweerder de (navorderings)aanslagen op overtuigende wijze onderbouwd. De rechtbank wijst er nog op dat verweerder de eerder bijgetelde inkomsten uit de handel in auto(onderdelen) in bezwaar heeft teruggenomen.

De schattingen van de inkomsten zijn derhalve niet willekeurig of onredelijk.

38. Eiser heeft aangevoerd dat de ontnemingsvordering volledig is terugbetaald en dat het bedrag hiervan in mindering moet komen op de in de aanslagen vastgestelde inkomens. Hij heeft verder, voor het eerst ter zitting, opgemerkt dat hij in het jaar 2014 bij benadering € 120.000 heeft terugbetaald aan verzekeringsmaatschappijen, waarbij een deel van dit bedrag, € 45.000, is voldaan uit de overwaarde van de door eiser verkochte woning en overigens heeft hij in dat jaar nog € 77.000 terugbetaald.

De rechtbank oordeelt hierover dat de door eiser gestelde gedane betalingen niet in mindering op de aanslagen kunnen worden gebracht, reeds omdat eiser deze terugbetalingen onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft op geen enkele wijze doen blijken welk bedrag wanneer aan welke verzekeraar is terugbetaald. Evenmin is gebleken op welke schuld de betreffende betaling ziet of op welk jaar de betreffende betaling betrekking heeft. De rechtbank laat hierbij nog in het midden of een in betaling in 2014 kan leiden tot een aftrek op het inkomen van eiser in een van de jaren 2005-2009 en wijst in dit verband op het reeds onder 36. vermelde arrest van de Hoge Raad. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat ultimo een van de jaren 2005-2009 door eiser redelijkerwijs te verwachten was dat hij de door hem uit zijn werkzaamheden genoten bedragen zou dienen terug te betalen.

39. Voorts heeft eiser gesteld dat het bedrag van de in een jaar belaste werkzaamheden ten onrechte niet in aanmerking zijn genomen overeenkomstig de in dat jaar verrichte werkzaamheden. Zo heeft hij bijvoorbeeld in 2004 bepaalde activiteiten verricht welke bij hem bij de uitbetaling in 2005 zijn belast. Verweerder heeft voor het jaar van belastingheffing ten onrechte niet aangesloten bij het jaar waarin de hiermee verband houdende werkzaamheden zijn verricht, zo voert eiser aan.

Verweerder heeft hierover onweersproken opgemerkt dat het zo kan zijn dat er werkzaamheden ter zake van een auto gedeeltelijk in een eerder jaar dan het jaar van de ontvangst van de daaruit genoten inkomsten zijn verricht en in welk laatstgenoemd jaar deze inkomsten tot het inkomen van eiser zijn gerekend.

Nu niet eerder dan bij de uitbetaling de hiermee behaalde voordelen in aanmerking zijn genomen, kan niet worden gezegd dat deze voordelen in een te laat jaar in de heffing zijn betrokken. Voor zover eiser aanvoert dat inkomsten gedeeltelijk in een eerder jaar zouden moeten zijn belast, heeft hij niet aan kunnen geven om welke bedragen het daarbij gaat, zodat de rechtbank reeds daarom voorbij gaat aan deze stelling.

Boetes

40. Op grond van artikel 67d van de Awr kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist dan wel onvolledig is gedaan. Op grond van artikel 67e van de Awr kan de inspecteur met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt ook voorwaardelijk opzet verstaan, namelijk als de belastingplichtige met zijn gedragingen (of nalaten te handelen) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig inkomsten zouden worden aangegeven en of dat te weinig belasting zou worden geheven.

41. Verweerder heeft eiser bij kennisgevingen van 17 november 2010 en 11 januari 2011 op de hoogte gesteld van het voornemen om de respectievelijke (navorderings)aanslagen ib/pvv 2005 tot en met 2009 vast te stellen en hierbij op grond van artikel 67d dan wel 67e van de Awr vergrijpboetes op te leggen over het bedrag van het in aanmerking te nemen row. De motiveringen van de boetes luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

“U hebt inkomsten genoten die een bron van inkomen vormen voor de inkomstenbelasting. Het is algemeen bekend dat deze inkomsten aangegeven dienen te worden voor de inkomstenbelasting. U hebt deze inkomsten niet aangegeven in uw aangifte inkomstenbelasting. De aanslag is daarom tot een te laag bedrag vastgesteld waardoor te weinig belasting is geheven. Het gaat om een aanzienlijk bedrag dat nimmer aan uw aandacht kan zijn ontsnapt. Ik stel dat u deze inkomsten willens en wetens niet hebt aangegeven in uw aangifte inkomstenbelasting. Ik ben van mening dat er sprake is van opzet” (jaren 2005, 2006 en 2007)

en

“U hebt inkomsten genoten die een bron van inkomen vormen voor de inkomstenbelasting. Het is algemeen bekend dat deze inkomsten aangegeven dienen te worden voor de inkomstenbelasting. U hebt deze inkomsten niet aangegeven in uw aangifte inkomstenbelasting. Het gaat om een aanzienlijk bedrag dat nimmer aan uw aandacht kan zijn ontsnapt. Ik stel dat u deze inkomsten willens en wetens niet hebt aangegeven in uw aangifte inkomstenbelasting. Ik ben van mening dat er sprake is van opzet.” (jaren 2008 en 2009).

42. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de voor de boetes gegeven motivering ondeugdelijk is. De in de kennisgevingen opgenomen verwijzing naar de handel in auto’s en verzekeringsfraude kan niet anders worden begrepen dan dat verweerder hiermee aannemelijk heeft willen maken dat in de onderhavige jaren door eiser row is genoten. De omstandigheid dat een strafrechtelijke veroordeling nadien heeft plaatsgevonden doet er niet aan af dat eiser gehouden was de in 2005, 2006, 2007, 2008 en 2009 genoten resultaten in zijn aangiftes ib/pvv te verantwoorden. Van een ongeoorloofde samenloop van de boetes met de strafrechtelijke veroordeling is evenmin sprake nu de strafrechtelijke veroordeling ziet op andere gedragingen, namelijk medeplegen van oplichting, oplichting, medeplegen van poging tot oplichting en het een gewoonte maken van witwassen, terwijl de boetes zijn opgelegd wegens het ten onrechte niet aangeven van belastbaar row in de aangiftes ib/pvv.

43. Uit het voorgaande volgt dat eiser de row in zijn aangiften ib/pvv had moeten vermelden. Eiser heeft door deze inkomsten niet te verantwoorden in zijn aangiften ib/pvv 2005, 2006, 2007, 2008 en 2009 willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij onjuist en onvolledig aangifte zou doen en dat als gevolg hiervan de (primitieve) aanslagen over deze jaren tot te lage bedragen zouden worden vastgesteld. Het voor opzet vereiste bewustzijn bij eiser berust met name op de bewezenverklaring in het strafvonnis waaruit volgt dat eiser zich wederrechtelijk aanzienlijke voordelen heeft toegeëigend en hiervoor de nodige inspanningen heeft verricht. Gelet op de aard en de omvang van de door eiser in dit verband gedurende vijf jaren verrichte werkzaamheden, de bij eiser beroepsmatig aanwezige kennis en ervaring op het gebied van verzekeringen en de omvang van de hieruit voorgekomen voordelen, is de rechtbank van oordeel dat het voor opzet vereiste bewustzijn bij eiser aanwezig is geweest ten tijde van de doen van de betreffende aangiftes ib/pvv. De rechtbank acht opzet bewezen.

44. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet opnemen van enig row in zijn aangifte berust op een pleitbaar standpunt. Immers, tegenover de wederrechtelijk verkregen voordelen staan betalingsverplichtingen aan benadeelde partijen opgelegd door de civiele rechter en de ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast komt uit de jurisprudentie betreffende row geen eensluidend beeld naar voren over de belastbaarheid van inkomsten uit bepaalde activiteiten en heeft in de jurisprudentie nog nooit een geval van verzekeringsfraude geleid tot belastingheffing over de daaruit genoten inkomsten, aldus nog steeds eiser.

De rechtbank acht in deze geen pleitbaar standpunt aanwezig. Eveneens verwerpt de rechtbank het beroep van eiser op afwezigheid van alle schuld (avas). Eiser was hoe dan ook gehouden de door hem genoten inkomsten in zijn aangiftes te vermelden. Het is aan opzet van eiser te wijten dat over de jaren 2005 tot en met 2007 de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld door het niet vermelden van de inkomsten in de betreffende aangiftes en dat over de jaren 2008 en 2009, indien de aangiftes over deze jaren zouden zijn gevolgd, de aanslagen over deze jaren op gelijke wijze tot te lage bedragen zouden zijn vastgesteld. Eiser heeft hiermee bewust op de koop toe genomen dat de aangiftes onjuist zouden zijn. Hoewel eiser door de strafrechter is veroordeeld voor andere delicten dan waarvoor in de onderhavige zaken boetes zijn opgelegd, neemt dit niet weg dat hetgeen eiser in deze zaken heeft aangevoerd, noch de in het strafvonnis bewezenverklaarde feiten reden voor de rechtbank zijn om in de onderhavige zaken een pleitbaar standpunt of avas aanwezig te achten.

45. De hoogte van de verschuldigde belasting is deels komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze omstandigheid dient in aanmerking te worden genomen bij de afweging of de opgelegde vergrijpboetes, gelet op de omstandigheden van de gevallen, passende en ook geboden sancties zijn voor de vergrijpen die zijn begaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008, nr. 41.832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962). De rechtbank ziet geen aanleiding de opgelegde boetes in verband hiermee te matigen nu de aanslagen berusten op strafrechtelijke bewezenverklaringen die steun vinden in de gedingstukken en de rechtbank geen twijfel heeft over de juistheid en de hoogte van de in aanmerking genomen inkomsten.

46. De rechtbank acht (de hoogte van) de boetes, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden van de gevallen, uit een oogpunt van normhandhaving passend en geboden. Hetgeen eiser verder hierover heeft aangevoerd, met name zijn beperkte financiële draagkracht, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, te meer nu eiser zich door zijn eigen handelen zich zelf in deze positie heeft gebracht.

47. Het bepalen van de gegrondheid van de aan eiser opgelegde boetes dient ingevolge artikel 6 van het EVRM te geschieden binnen een redelijke termijn. Verweerder heeft in casu in bezwaar de boetes reeds met 20% verminderd vanwege undue delay. De rechtbank ziet in verband hiermee geen reden de boetes verder te verlagen (vergelijk Hof Amsterdam van 2 juli 2009, nr. 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298).

Vergoeding immateriële schade

48. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

49. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het (gemotiveerde) bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

50. Voorafgaand aan de beantwoording van die vraag zal de rechtbank zich buigen over de vraag of sprake is van samenhangende zaken. In het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252 is daartoe het volgende overwogen:

“In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel (zie HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117.”

51. De rechtbank is van oordeel dat de procedure met betrekking tot alle (navorderings)aanslagen ib/pvv en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet over de jaren 2005 tot en met 2009 als een cluster van samenhangende zaken moet worden beschouwd, zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase. Dit brengt met zich dat ter zake van de in geding zijnde (navorderings)aanslagen voor de aanvang van de redelijke termijn moet worden uitgegaan van 3 januari 2011, zijnde de datum waarop verweerder de gronden van het oudste bezwaarschrift (navorderingsaanslag over het jaar 2005) heeft ontvangen. Uitgaande van de datum van ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift op 3 januari 2011 en het moment waarop de rechtbank thans uitspraak doet, is meer dan zeven verstreken.

52. In een geval als het onderhavige waarin meerdere zaken van een eiser die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp gezamenlijk zijn behandeld, is de rechtbank van oordeel dat voor de procedures kan worden volstaan met de toekenning van een schadevergoeding van éénmaal € 500 per half jaar. Niet aannemelijk is dat eiser zo veel meer spanning en frustratie heeft ondervonden, omdat sprake is van meerdere (navorderings)aanslagen en beschikkingen heffingsrente, dat daarmee een hogere vergoeding dan € 500 per half jaar gerechtvaardigd is.

53. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van eerdergenoemd overzichtsarrest van de Hoge Raad van

19 februari 2016. Gelet op het feit dat de termijn op 3 januari 2011 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 12 januari 2018, bedraagt de voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) 7 jaar en een maand (85 maanden). De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) 5 jaar en een maand (61 maanden). Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 5.500. Van het tijdsverloop in eerste aanleg dient de periode vanaf de datum van de eerste uitspraak op bezwaar tot de datum uitspraak van de rechtbank (18 december 2015 tot 12 januari 2018), derhalve een tijdsverloop van afgerond 25 maanden, worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (61 – 25 =) 36 maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding 36/61 deel van € 5.500 te vergoeden (€ 3.246) en de Minister 25/61 deel (€ 2.254). Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op zijn beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

Slotsom

54. Uitsluitend gelet op hetgeen is overwogen in 18 dienen de beroepen in de zaken HAA 16/460 en HAA 16/461 gegrond te worden verklaard. Voor het overige zijn deze twee beroepen, en de beroepen in de zaken HAA 16/457, HAA 16/458 en HAA 16/459 ongegrond.

Proceskosten

55. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 999 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, een wegingsfactor van 1. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Aangezien verweerder in de bezwaarfase al een proceskostenvergoeding heeft toegekend van € 100 voor alle zaken gezamenlijk, dient verweerder nog € 899 aan eiser te vergoeden.”

5 Beoordeling van het geschil

Vooraf

5.1.Ter zitting van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde het standpunt dat sprake was van het gebruik door de inspecteur van onrechtmatig verkregen bewijs, ingetrokken.

5.2.

Voorts heeft belanghebbendes gemachtigde ter zitting van het Hof verklaard zijn getuigenaanbod, er op neerkomend [naam persoon 2] en [naam persoon 3] als getuige te (doen) horen, geen gestand te doen.

Nieuw feit/kwade trouw

5.3.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank te dezer zake (nieuw feit/kwader trouw) in onderdelen 20 tot en met 24 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt de gronden van de rechtbank zoals weergegeven in de onderdelen 20 tot en met 24 van haar uitspraak derhalve over en maakt die tot de zijne. Daarbij merkt het Hof nog op dat de definitieve aanslagen IB/PVV 2005, 2006 en 2007 zijn vastgesteld op respectievelijk 28 maart 2007, 24 juli 2008 en 24 oktober 2008. Nu de inspecteur eerst in oktober 2008 een signaal over mogelijke (niet aangegeven) inkomsten van belanghebbende bereikte is dit een feit waarmee hij ten tijde van de aanslagregeling nog geen rekening kon houden. In hoger beroep heeft belanghebbende voorts geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een nieuw of ander licht op de kwestie kunnen werpen.

Bron van inkomen

5.4.

Het Hof onderschrijft de conclusie van de rechtbank te dezer zake, er op neerkomend dat de activiteiten waarvoor belanghebbende - als beschreven onder 12 van de rechtbankuitspraak - strafrechtelijk is veroordeeld, voor zover die geleid hebben tot in de (navorderings)aanslagen begrepen inkomen voor belanghebbende een bron van inkomen (belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden) vormen. Daarbij overweegt het Hof het volgende.

5.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank terecht overwogen dat belanghebbende voor het verkrijgen van de in de (navorderings)aanslagen belaste inkomsten heeft deelgenomen aan het economische verkeer. Belanghebbendes activiteiten - voor zover die geleid hebben tot belastbaar inkomen dat in de (navorderings)aanslagen is begrepen - bestonden onder meer uit het doen van valse aangiften van diefstal van auto’s, het melden van de diefstal aan verzekeraars, het indienen van valse claims bij verzekeraars en het in dat verband (ten onrechte) innen van de verzekeringspenningen. Uit de aard der zaak vonden deze activiteiten (hierna ook de verzekeringsfraude) in het economisch verkeer plaats. Aan het vereiste van deelname in het economische verkeer is daarmee naar het oordeel van het Hof ruimschoots voldaan. Al hetgeen belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd, onder meer over de - volgens belanghebbende - geringe omvang van de activiteiten, doet hier niet aan af en brengt het Hof derhalve niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt het Hof tevens dat de rechtbank in laatstgenoemd verband terecht heeft overwogen dat ook geringe werkzaamheden kunnen leiden (en in dit geval ook leiden) tot een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.

5.6.

Ook verenigt het Hof zich met de conclusie van de rechtbank dat belanghebbende met de bewuste activiteiten voordeel heeft beoogd en dat voordeel ook redelijkerwijs kon verwachten. Dat vloeit naar het oordeel van het Hof reeds voort uit de aard van de onderwerpelijke activiteiten. Immers, die activiteiten waren gericht op het plegen van verzekeringsfraude. Dat daarmee een voordeel wordt beoogd en dat voordeel ook redelijkerwijs kon worden verwacht, is inherent aan die activiteiten.

5.7.

Het vorenstaande betekent, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, dat de inkomsten die belanghebbende in de onderhavige jaren heeft genoten uit de frauduleuze activiteiten (kort gezegd de ontvangen verzekeringsuitkeringen) belastbaar inkomen uit werk en woning (namelijk belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden) voor belanghebbende vormen.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

5.8.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank te dezer zake op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt de gronden van de rechtbank zoals weergegeven in de onderdelen 30 tot en met 33 van haar uitspraak over en maakt die tot de zijne. Het Hof voegt daaraan, mede naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, nog het navolgende toe.

5.9.

Vast staat dat belanghebbende voor alle in geschil zijnde jaren aangifte IB/PVV heeft gedaan zonder daarbij de inkomsten die hij in verband met de door hem gepleegde strafbare feiten heeft ontvangen (de verzekeringspenningen uit de verzekeringsfraude) aan te geven. Uit de vaststaande feiten volgt dat belanghebbende direct (van de verzekeringsmaatschappijen) dan wel indirect (via [naam persoon 2] en [naam persoon 3] ) uiteindelijk verzekeringspenningen heeft ontvangen ten bedrage van € 35.000 (2005), € 51.435 (2006), € 39.785 (2007), € 47.380 (2008) en € 45.961 (2009). Deze inkomsten heeft belanghebbende - zoals volgt uit rechtsoverweging 5.7 - ten onrechte niet aangegeven. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Immers (in ieder jaar) is voldaan aan het vereiste dat sprake is van een gebrek dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van het gebrek in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. de hoogte van voornoemde verzekeringspenningen met de aangeven belastbare inkomens uit werk en woning 2005 tot en met 2009, zoals vermeld onder 2.2). Het Hof acht voorts aannemelijk dat belanghebbende zich bij het doen van de aangiften, en het achterwege laten daarin van de verzekeringspenningen, bewust was van dit gebrek en de gevolgen daarvan voor de belastingheffing.

5.10.

Belanghebbende heeft in dit verband met betrekking tot het jaar 2009 nog aangevoerd dat uit het door de inspecteur bij zijn verweerschrift in eerste aanleg overgelegde mutatie overzicht (bijlage 59, pagina 197) blijkt dat hij niet € 45.961 maar slechts € 17.986,30 van [naam persoon 3] heeft ontvangen. Dienaangaande overweegt het Hof dat dit het vorenstaande niet anders maakt. Immers, ook een niet aangegeven bedrag van € 17.986,30 is ruimschoots voldoende om te concluderen dat voor 2009 niet de vereiste aangifte is gedaan. Voorts wijst het Hof erop dat belanghebbende in zijn berekening er ten onrechte aan voorbij gaat dat hij in 2009 naast de directe overboekingen door [naam persoon 3] op zijn privé-rekening indirect andere bedragen uit de verzekeringsfraude van [naam persoon 3] heeft ontvangen. Deze indirecte ontvangsten zijn niet opgenomen in het door belanghebbende genoemde mutatieoverzicht. De inspecteur heeft die indirecte ontvangsten in zijn berekening terecht wel meegenomen en komt daarmee op een hoger bedrag uit.

5.11.

Het Hof verwerpt ook het in hoger beroep ingenomen standpunt van belanghebbende dat bij de beoordeling of al dan niet de vereiste aangifte is gedaan, ook de kosten die samenhangen met de door belanghebbende gepleegde strafbare feiten waaruit de inkomsten zijn voortgevloeid in aanmerking dienen te worden genomen. De rechtbank heeft in onderdeel 36 van haar uitspraak terecht en op de juiste gronden geconcludeerd dat die kosten op grond van het bepaalde in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001, niet aftrekbaar zijn. Onder die omstandigheden dienen die kosten naar het oordeel van het Hof ook bij de beoordeling of al dan niet de vereiste aangifte is gedaan buiten beschouwing te worden gelaten. Het andersluidende standpunt van belanghebbende berust op een onjuiste uitleg van de wettelijke bepalingen.

Overtuigend aantonen onjuistheid aanslagen

5.12.

Nu belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan, is voor alle voorliggende jaren sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit betekent dat belanghebbende moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de correcties te hoog zijn. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daar niet in geslaagd. Belanghebbende heeft met al hetgeen hij heeft aangevoerd niet overtuigend aangetoond dat zijn inkomsten uit de verzekeringsfraude tot een onjuist bedrag in aanmerking zijn genomen. Het Hof verenigt zich in dit verband met wat de rechtbank heeft overwogen en beslist in de onderdelen 34 en 35 van haar uitspraak en maakt de daarbij door de rechtbank gebezigde gronden tot de zijne.

Redelijke schatting

5.13.

Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat de aanslagen berusten op een redelijke schatting. Daarbij acht het Hof met name van belang dat, naar uit de vaststaande feiten blijkt, uitsluitend bij belanghebbende zijn belast de bedragen aan uitgekeerde verzekeringspenningen die per saldo aan hem (via overboeking op een bankrekening van belanghebbende dan wel via overboeking op een gezamenlijke rekening van belanghebbende en zijn toenmalige partner) zijn toegekomen en dat voor zover [naam persoon 2 en naam persoon 3] daadwerkelijk bedragen hebben genoten (anders dan de aan belanghebbende doorgestorte bedragen), deze niet bij belanghebbende zijn belast. Daarnaast merkt het Hof voor het jaar 2009 op dat de inspecteur bij zijn schatting voorbij kon gaan aan de door belanghebbende in 2009 (na 13 mei) overgemaakte bedragen (van in totaal € 1.975) naar [naam persoon 3] reeds omdat door belanghebbende niet aannemelijk is gemaakt waar deze bedragen betrekking op hebben.

5.14.

Dat belanghebbende in 2011 civielrechtelijk is veroordeeld tot terugbetaling van bedragen aan de verzekeringsmaatschappijen, maakt dit niet anders, reeds omdat in de in geschil zijnde jaren geen terugbetaling heeft plaatsgevonden en deze terugbetalingsverplichtingen eerst zijn ontstaan in 2011. Dat een terugbetalingsverplichting in de onderhavige jaren redelijkerwijs te voorzien was, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan zulks zou kunnen worden geconcludeerd. Hiermee hoefde de inspecteur bij zijn schatting van de inkomsten voor de onderhavige jaren dan ook redelijkerwijs geen rekening te houden.

Gelijkheidsbeginsel

5.15.

Belanghebbende heeft voor het Hof nog aangevoerd dat sprake zou zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat - kort gezegd - bij belanghebbende wel inkomsten uit de verzekeringsfraude in aanmerking zijn genomen en bij [naam persoon 2 en naam persoon 3] en [naam toenmalige partner] (zijn toenmalige partner) niet. Het Hof verwerpt dit beroep op het gelijkheidsbeginsel, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van (voldoende) gelijke gevallen. Dit geldt ook voor toepassing van de zogenoemde meerderheidsregel. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat uit de gedingstukken volgt (hetgeen door de inspecteur ook onweersproken is gesteld) dat belanghebbende de leidende persoon bij de verzekeringsfraude is geweest en dat zijn rol vele malen groter is geweest dan die van de andere drie personen. Ten aanzien van zijn voormalige partner volgt dat reeds uit het feit dat zij is vrijgesproken van betrokkenheid bij de oplichting. Ten aanzien van [naam persoon 2 en naam persoon 3] volgt dit naar het oordeel van het Hof uit de feitelijke gang van zaken zoals weergegeven onder de vaststaande feiten voor zover het hun betrokkenheid betreft, in samenhang bezien met het feit dat zij, zeker afgezet tegen de aanzienlijke bedragen die belanghebbende met de verzekeringsfraude heeft ontvangen, daaruit slechts zeer geringe bedragen hebben ontvangen. Het overgrote deel van de aan hen uitbetaalde verzekeringsuitkeringen hebben zij immers doorbetaald aan belanghebbende. Bij [naam persoon 2 en naam persoon 3] zijn uiteindelijk slechts geringe sommen achtergebleven (€ 1,410 bij [naam persoon 2] en € 5.076 bij [naam persoon 3] ). Dat [naam persoon 2 en naam persoon 3] desondanks ook strafrechtelijk zijn veroordeeld, doet hier niet aan af en maakt het vorenstaande derhalve niet anders.

5.16.

Al het vorenstaande betekent dat de hoger beroepen voor zover deze zijn gericht tegen de (hoogte van de) (navorderings)aanslagen geen doel treffen.

Boetes

5.17.

Met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde boetes is het Hof van oordeel dat de rechtbank in de onderdelen 40 t/m 47 van haar uitspraak terecht en op de juiste gronden heeft geconcludeerd dat deze terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd en dat, nu de inspecteur in bezwaar de boetes reeds met 20% heeft verminderd vanwege undue delay, in verband daarmee geen reden bestaat de boetes verder te verlagen. Evenals de rechtbank acht het Hof opzet ter zake van het beboetbare feit bewezen. Belanghebbende heeft in hoger beroep in zoverre geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een nieuw of ander licht op deze kwesties kunnen werpen.

5.18.

Anders echter dan de rechtbank in onderdeel 46 (laatste volzin) van haar uitspraak heeft overwogen, vindt het Hof wel aanleiding de boetes verder te matigen wegens de financiële omstandigheden van belanghebbende. Gelet op alles wat belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd, daaronder mede begrepen zijn stelling dat hij is aangewezen op aanvullende bijstand, en daarbij mede in aanmerking nemend de gegevens die belanghebbende aan het Hof heeft verstrekt in verband met zijn verzoek om af te zien van de heffing van griffierecht wegens betalingsonmacht waaruit blijkt dat hij begin 2018 was aangewezen op een WW-uitkering met een toeslag - op basis waarvan overigens is geconstateerd dat hij voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht griffierecht (zie hierna onder 5.22) - acht het Hof een verdere matiging van de boetes tot op 10% van de boetegrondslag op zijn plaats. Het Hof zal derhalve de inspecteur gelasten de boetes zodanig te verminderen. Voor een nog verdere matiging van de boetes bestaat geen aanleiding.

Vergoeding immateriële schade

5.19.

De rechtbank heeft aan belanghebbende voor de onderhavige zaken in verband met de overschrijding van de redelijke termijn een vergoeding van immateriële schade toegekend van in totaal € 5.500. Belanghebbende heeft in hoger beroep de berekening van dit bedrag niet bestreden. Wel stelt belanghebbende in hoger beroep dat de totale toegekende vergoeding in zoverre te laag is, daar hem dit bedrag voor iedere zaak afzonderlijk dient te worden toegekend, derhalve in totaal 5 x € 5.500. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling. Anders dan belanghebbende meent, is het Hof van oordeel dat de onderhavige 5 zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk - kort gezegd - de vraag of bij belanghebbende terecht inkomsten uit verzekeringsfraude in aanmerking zijn genomen. De door belanghebbende in hoger beroep benoemde verschillen tussen de zaken acht het Hof van ondergeschikt belang en rechtvaardigen dan ook niet de tegengestelde conclusie. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geconstateerd dat in dit verband sprake is van samenhang tussen de 5 zaken van belanghebbende en daarvan uitgaande bij de berekening van de hoogte van de schadevergoeding voor alle 5 de zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, meer specifiek r.o. 3.10.2). Nu overigens tegen de hoogte van de schadevergoeding zoals door de rechtbank vastgesteld geen grieven zijn aangevoerd en het Hof ook niet is gebleken dat deze op een te laag bedrag is berekend, vindt het Hof geen aanleiding te concluderen dat de door de rechtbank toegekende schadevergoeding te laag is. Ook in zoverre treft het hoger beroep geen doel.

Slotsom

5.20.

De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep van belanghebbende gedeeltelijk doel treft en dat de bestreden uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven voor zover deze betrekking hebben op de vergrijpboetes. Dit betekent dat de belastingaanslagen in stand dienen te blijven en dat de boetes verder dienen te worden gematigd tot op 10% van de respectievelijke boetegrondslagen. Het Hof zal beslissen als hierna vermeld.

Proceskosten

5.21.

Aangezien het hoger beroep van belanghebbende gedeeltelijk slaagt, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) stelt het Hof het bedrag van de te vergoeden kosten voor de hoger beroepsfase overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief vast op in totaal € 1.536 [2 punten (hoger beroepschrift, bijwonen zitting) x € 512 (tarief 2019) x 1 (zwaarte zaak) x 1,5 (factor wegens samenhang)].

Griffierecht

5.22.

Het verzoek van belanghebbende om af te zien van de heffing van griffierecht wegens betalingsonmacht, is bij griffiersbrief van 4 april 2018 (voorlopig) toegewezen (zie hiervoor onder 1.5), omdat op basis van de door belanghebbende in verband met dat verzoek verstrekte gegevens is geconstateerd dat hij voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht griffierecht. Het Hof ziet vervolgens, gelet op die door belanghebbende verstrekte gegevens, geen aanleiding om te bepalen dat belanghebbende alsnog het griffierecht zou moeten betalen.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de vergrijpboetes;

  • -

    verklaart de beroepen gegrond voor zover deze betrekking hebben op de vergrijpboetes;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de vergrijpboetes;

  • -

    vermindert de vergrijpboetes tot op 10% van de boetegrondslag; en

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.536.


De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, P.F. Goes en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kwestro als griffier. De beslissing is op 22 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.