Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:5141

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2019
Datum publicatie
22-10-2021
Zaaknummer
23-003911-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een door hem gehuurde bedrijfspand aan anderen ter beschikking gesteld voor het kweken van een aanzienlijke hoeveelheid hennepplanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003911-17

Datum uitspraak: 13 mei 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-136762-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1983,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 primair en 2 subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte dan ook

niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

29 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging bestaande uit een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder

1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, indien deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat een andere straf zou moeten worden opgelegd. De verdachte heeft een ruimte in een pand verhuurd aan anderen. Na enige tijd bleek dat hierin een hennepkwekerij was opgezet. De verdachte dacht dat hij de ruimte verhuurde voor legale bezigheden en hij had het geld nodig gelet op zijn financiële situatie. De verdachte heeft echter nooit de afgesproken huur ontvangen. Voorts is de verdachte bedreigd en mishandeld voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg. Hierdoor voelt de verdachte zich reeds gestraft.
De verdachte werkt momenteel als leidinggevende en probeert de touwtjes aan elkaar te knopen. Hij verdient € 2.500 per maand. Hij heeft de vordering van Liander betaald. De verdachte heeft € 12.000,- schuld. De verdachte is in staat een taakstraf uit te voeren, maar dat is lastig gelet op zijn lange werkweken van ongeveer 45 uren. De verdachte zou het liefst een geldboete krijgen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een door hem gehuurde bedrijfspand aan anderen ter beschikking gesteld voor het kweken van een aanzienlijke hoeveelheid hennepplanten. Gezien de hoeveelheid aangetroffen planten kan het niet anders dan dat de hennep voor verdere verspreiding bedoeld was. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers. Daarnaast leidt de teelt van hennep veelal tot negatieve maatschappelijke effecten en gevaar voor omringende bebouwing. Daar komt nog bij dat met het kweken van hennep grote illegale winsten worden behaald, waarmee het een sterk corrumperende werking heeft en ander strafbaar handelen in de hand werkt.

Voorts overweegt het hof dat de verdachte misschien op voorhand niet wist dat de ruimte die hij (onder)verhuurde gebruikt zou worden voor de teelt van hennep, maar na enige tijd wist de verdachte dat in die ruimte een hennepplantage zat en dat hij ook wilde meeprofiteren.

Het hof heeft rekening gehouden met straffen die doorgaans worden opgelegd voor hennepkwekerijen van deze omgang. De zogenoemde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht noemen bij een hennepkwekerij met een omvang van 100 tot 500 hennepplanten als vertrekpunt van denken een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Het hof acht om deze reden, en mede gelet op de financiële situatie van de verdachte, een geldboete niet passend.

Aangezien bewezen is verklaard dat de verdachte medeplichtig was, zal het hof een lagere straf opleggen dan doorgaans wordt opgelegd aan de ‘pleger’, degene die zelf hennep teelt. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte ook andere nadelige consequenties heeft ondervonden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Deze omstandigheden wegen in het voordeel van de verdachte. Ook is het hof van oordeel dat naast een taakstraf kan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis, voor zover het inhoudelijk aan het oordeel van het hof is onderworpen, en voor zover daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf is opgelegd en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen – voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. J.D.L. Nuis en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van

mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 mei 2019.