Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:5053

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
23-000586-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging m.u.v. straf. Bedreiging met zware mishandeling. Voorwaardelijk verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000586-18

datum uitspraak: 15 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-700377-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] ,

adres: [woonplaats] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 primair en

1 subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte blijkens de akte rechtsmiddel onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof hetgeen is weergegeven onder ‘3.5. Bewijsoverweging’ als volgt zal aanvullen:

na de zin: ‘Er vond een achtervolging met hoge snelheid plaats waarbij verdachte een schroevendraaier uit het raam van een rijdende auto heeft gegooid.’ wordt toegevoegd: ‘Uit het dossier volgt dat de verdachte deze schroevendraaier achterwaarts, in de richting van de politieauto, heeft gegooid.’

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht – indien het hof vaststelt dat de verdachte op de bewuste dag op de bijrijdersstoel van de Volkswagen Golf heeft gezeten – [getuige] te doen horen als getuige. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de anoniem gebleven getuige niet tot het bewijs kan worden gebezigd, dat [getuige] om die reden een cruciale getuige is en dat het zodoende noodzakelijk is de laatste als getuige te (doen) horen over zijn waarnemingen omtrent het instappen, het aantal personen in de auto en hun respectieve posities.

Het hof acht het niet noodzakelijk [getuige] als getuige te doen horen, reeds omdat het hof geen beletsel ziet om de verklaring van de anoniem gebleven getuige tot het bewijs te bezigen. Daarom wijst het hof het voorwaardelijke verzoek af.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De raadsman heeft verzocht – mocht het hof tot een bewezenverklaring komen – een voorwaardelijke straf op te leggen, nu de redelijke termijn voor berechting is overschreden. Verder heeft de verdediging naar voren gebracht dat de schoonvader van de verdachte wacht op een ingrijpende operatie en dat dit waarschijnlijk zal betekenen dat de vrouw van de verdachte veel voor haar vader zal moeten zorgen, waardoor de zorg voor de kinderen voor een belangrijk deel door de verdachte zal moeten worden ingevuld.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling. De verdachte heeft, terwijl hij zich als passagier bevond in een met een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur rijdende auto, een schroevendraaier uit het raam gegooid in de richting van een achtervolgende politieauto met daarin twee verbalisanten. Deze schroevendraaier kwam op de weg vlak voor de politieauto terecht. De verdachte heeft daarmee aanzienlijke gevoelens van angst bij de verbalisanten teweeg gebracht. Dergelijk handelen is bovendien gezagsondermijnend en getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Daarbij heeft de verdachte de verkeersveiligheid en daarmee de veiligheid van weggebruikers in het algemeen, en van de verbalisanten in het bijzonder, in gevaar gebracht. Het hof acht dit een ernstig feit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 september 2019 is hij meermaals eerder ter zake van misdrijven onherroepelijk veroordeeld. De verdachte heeft daaruit kennelijk geen lering getrokken.

In hetgeen de raadsman en de verdachte omtrent de persoonlijke situatie van laatstgenoemde hebben aangevoerd vindt het hof geen aanleiding een voorwaardelijke straf op te leggen, nu dit geen recht zou doen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het hof acht in beginsel, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken passend.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in eerste aanleg is overschreden. Het hof zal deze overschrijding in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting.

Het hof acht, alles afwegende en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. P. Greve en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van

mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

15 oktober 2019.

mr. P. Greve is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

==========================================================================

[…]