Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:5028

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2019
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
23-002697-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Mega Vandros. Afwijzing verzoek verdediging tot verwijzing naar ander gerechtshof wegens ‘betrokkenheid’ gerechtshof Amsterdam ex art. 62b RO, omdat in Passage-zaken is geoordeeld dat verdachte de moord op X heeft uitgelokt en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Die verwijten zijn ook in deze zaak aan de orde. Rechtbank heeft beslissingen hof Amsterdam in Passage-zaken overgenomen, zodat het hof nu in wezen zijn eigen beslissingen moet beoordelen, aldus verdediging. Hof wijst verzoek af. Het hof in deze zaak is samengesteld uit andere raadsheren. De strafrechter vormt zich een eigen oordeel op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting. Hij neemt kennis van beslissingen van andere feitenrechters, maar laat zich daardoor niet leiden. In hoger beroep is sprake van een nieuwe feitelijke beoordeling die betrekking heeft op alle aspecten van de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-002697-19

Uittreksel uit het proces-verbaal van de op 2 december 2019 in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam

Tegenwoordig zijn:

mr. R.P. den Otter, voorzitter,

mr. M.M. van der Nat en mr. R. Kuiper, leden,

mr. O.F. Qane en mr. T. Kaandorp, griffiers.

De voorzitter deelt het volgende mede als beslissing en motivering van de beslissing op het verwijzingsverzoek van de verdediging, zoals gedaan ter terechtzitting van 13 november 2019.

Oordeel van het hof

Artikel 62b RO, luidt als volgt:

“Het gerechtshof kan een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.”

De memorie van toelichting bij de Wet herziening gerechtelijke kaart, waarbij de huidige tekst van art. 62b RO is ingevoerd, houdt onder meer het volgende in:

“Artikel 46b

Thans is in artikel 6, tweede lid, van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen (dat ingevolge dit wetsvoorstel van rechtswege zal vervallen) geregeld dat zaken waarbij eigen personeel van de rechtbank of het arrondissementsparket is betrokken, in een nevenzittingsplaats buiten het arrondissement kunnen worden behandeld. (..) In zijn advies over het conceptwetsvoorstel heeft de Raad voor de rechtspraak er terecht op gewezen dat het eenvoudiger is om voor deze evidente categorie van zaken uitdrukkelijk in de wet een verwijzingsmogelijkheid op te nemen. Dit voorstel wordt overgenomen. Daarbij is gekozen voor een wat bredere werking, overeenkomstig de voorziening die per 1 april 2002 is opgenomen in artikel 8:13, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht. Die bepaling maakt verwijzing naar een andere rechtbank mogelijk indien naar het oordeel van de verwijzende rechtbank door «betrokkenheid van de rechtbank» behandeling van de zaak door een andere rechtbank gewenst is. Deze formulering omvat niet alleen gevallen waarin een rechtbankmedewerker partij of betrokkene bij de zaak, maar maakt verwijzing ook mogelijk als bijvoorbeeld de rechtbank zelf partij is (bijvoorbeeld bij een geschil over het al dan niet verlenen van een bouwvergunning) of als sprake is van een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft. (..) Artikel 46b zal vanzelfsprekend ook toegepast kunnen worden, indien er sprake is van een geschil waarbij niet een rechtbankmedewerker, maar een medewerker van het arrondissementsparket betrokken of partij is.

(…)

Y (artikel 62b)

(...) in artikel 62b [wordt] voor het gerechtshof eenzelfde regeling opgenomen als in het nieuw voorgestelde artikel 46b is opgenomen voor rechtbanken. Daarmee wordt mogelijk gemaakt dat zaken waarbij het gerechtshof betrokkenheid heeft, naar een ander gerechtshof kunnen worden verwezen.”

(Kamerstukken II 2010/2011, 32 891, nr. 3, p. 52 en 53)

Het hof zal de zaak niet naar een ander gerechtshof verwijzen.

Als het hof betrokken is bij een zaak, heeft het de bevoegdheid de zaak te verwijzen. Het hof is betrokken bijvoorbeeld als het hof zelf of een medewerker van het hof partij is bij de zaak. Ook is daarvan sprake als een medewerker van het arrondissements- of ressortsparket partij is bij de zaak of een advocaat die regelmatig bij het hof optreedt. In deze zaak spelen deze situaties niet.

De bevoegdheid om de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof is mede bedoeld om te waarborgen dat de behandeling van een zaak plaatsvindt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht (zie: HR 27 maart 2018, ECLI:HR:2018:455). De feiten en omstandigheden waarop door de verdediging een beroep is gedaan, leveren geen objectief gerechtvaardigde vrees op dat de onderhavige zaak tegen de verdachte bij berechting door het gerechtshof Amsterdam niet door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht wordt berecht. Die feiten en omstandigheden wekken geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Het gerechtshof Amsterdam in deze zaak is immers samengesteld uit raadsheren die niet op enige wijze bij de Passage-zaken of enige eerdere strafzaak tegen de verdachte, betrokken zijn geweest.

Het behoort tot de kern van het beroep en de taak van de strafrechter, dat hij zich een eigen oordeel vormt op basis van het ter beschikking gestelde procesdossier in samenhang met de resultaten van het onderzoek ter terechtzitting waaraan hij zelf deelneemt. De strafrechter neemt kennis van beslissingen van andere feitenrechters, maar laat zich daardoor niet leiden. Verder moet worden opgemerkt dat in een hoger beroep, waarin de verdediging onder meer opkomt tegen de door de rechtbank uitgesproken bewezenverklaring, geen sprake is van een min of meer beperkte toetsing van het oordeel van de rechtbank, maar van een nieuwe feitelijke beoordeling die betrekking heeft op alle aspecten van de zaak.

Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van het hof geen reden om de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof, zoals door de verdediging verzocht. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.