Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4990

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
23-001469-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag door met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen. Het verweer dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer heeft aanvaard, wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001469-19

datum uitspraak: 31 oktober 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-701049-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1988,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in P.I. Lelystad te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
17 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 18 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

- een of meermalen (met gebalde vuist) (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd/lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- een of meermalen in/op/tegen het gezicht/hoofd/lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt en/of geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair:
hij op of omstreeks 18 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere wonden op het hoofd en/of in het gezicht en/of een opgezwollen oog, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet

- een of meermalen (met gebalde vuist) (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd/lichaam te slaan en/of stompen en/of

- een of meermalen in/op/tegen het gezicht/hoofd/lichaam te trappen en/of schoppen.

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 18 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- een of meermalen (met gebalde vuist) (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd/lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- een of meermalen in/op/tegen het gezicht/hoofd/lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt en/of geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

meest subsidiair:
hij op of omstreeks 18 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] een of meermalen (met gebalde vuist) (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd/lichaam te slaan en/of stompen en/of

- die [slachtoffer] een of meermalen in/op/tegen het gezicht/hoofd/lichaam te trappen en/of schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd wegens proceseconomische redenen.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Weliswaar wordt niet betwist dat er trappende bewegingen zijn gemaakt door de verdachte maar niet kan worden vastgesteld dat alle trappende bewegingen raak zijn geweest en dat daarbij het hoofd van [slachtoffer] hard is geraakt. Op een gegeven moment is de verdachte gestopt met trappen en is hij weggelopen. [slachtoffer] kon toen nog zitten en opstaan. Daarom kan niet worden gesteld dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het overlijden van [slachtoffer], aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden blijkt dat de verdachte, nadat hij harde vuistslagen tegen het lichaam van [slachtoffer] had gegeven, meerdere malen met zeer veel kracht en langdurig trapte en/of schopte tegen het lichaam van [slachtoffer], terwijl deze op de grond lag en dat de verdachte op een ander moment de zittende [slachtoffer] een voorwaartse trap tegen het hoofd gaf, waardoor diens hoofd naar achteren deinsde. Het hof heeft ter terechtzitting de camerabeelden bekeken en waargenomen dat laatstgenoemde trap met geschoeide voet is gegeven. Dat de verdachte (ook daarvoor) met een geschoeide voet heeft geschopt/getrapt volgt eveneens uit het feit dat vegen en schoenafdrukken op het hoofd van [slachtoffer] zijn waargenomen.

De verdachte heeft bij de politie erkend dat hij heeft gestompt en een paar keer heeft geschopt tegen het hoofd. Ook de getuige Van Schravendijk heeft gezien dat de verdachte meerdere malen met volle kracht stond in te trappen op het hoofd en de romp van het slachtoffer, dat op de grond lag.

Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien maakt dat naar het oordeel van het hof vaststaat dat de verdachte meermalen – met geschoeide voet – op/tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt: eerst terwijl die op de grond lag en daarna, toen die op een bankje zat.

Een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is. Door met geschoeide voet hard te trappen/schoppen tegen dit kwetsbare lichaamsdeel wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer door fataal (schedel- en hersen)letsel in het leven geroepen. Uit de gedragingen van de verdachte, zoals die blijken uit het voorgaande, bezien in het licht van de overige te bezigen bewijsmiddelen, leidt het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm voorts af dat de verdachte bewust deze aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer heeft aanvaard. Het opzet van de verdachte is dan ook minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en acht de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 18 januari 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen (met gebalde vuist) met kracht tegen het lichaam van [slachtoffer] heeft geslagen en meermalen op en tegen het hoofd en lichaam van [slachtoffer] heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden.

De raadsman heeft het hof verzocht in haar oordeel omtrent de strafoplegging mee te nemen dat de verdachte geen relevante documentatie heeft en dat de verdachte uit eigen beweging zou zijn gestopt en spijt zou hebben betuigd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer meermalen met kracht tegen het hoofd getrapt/geschopt, onder meer terwijl het slachtoffer op de grond lag en geen weerstand bood. Door zodanig te handelen heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zijn leven in gevaar gebracht. Deze explosie van geweld op klaarlichte dag is niet alleen angstaanjagend voor het slachtoffer, maar zeker ook voor omstanders die hiervan getuige zijn geweest. Een ernstig geweldsdelict als het onderhavige brengt tevens gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich. Dit rekent het hof de verdachte ernstig aan. Dat de verdachte op zeker moment is gestopt met zijn gewelddadige uitspatting acht het hof geen strafmatigende omstandigheid. Te minder daar de verdachte na een eerste reeks van gewelddadigheden en nadat het slachtoffer gewond op een bankje was gaan zitten nogmaals op het slachtoffer afging waarna hij hem, terwijl omstanders dit trachtten te voorkomen, wederom een harde trap tegen het hoofd gaf.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van
1 oktober 2019 waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk wegens diefstal, gevolgd door geweld, tot een gevangenisstraf is veroordeeld, hetgeen in het nadeel van de verdachte weegt.

Gelet op het voorgaande kan geen andere straf worden opgelegd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Het hof heeft daarbij acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Anders dan de raadsman heeft bepleit, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof geen blijk gegeven van inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen. De verdachte heeft immers ten overstaan van de politie, evenals ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zijn handelen normaal is waar hij vandaan komt. Het hof ziet ook overigens geen reden af te wijken van de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf en acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. C. Roseboom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 oktober 2019.

=========================================================================

[…]