Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4987

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
23-004193-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot oplichting door middel van een geldwisseltruc. Verwerping van het verweer dat het opzet zou ontbreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004193-18

datum uitspraak: 16 oktober 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-702707-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1964,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

2 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, althans geld, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich, toen en daar, naar (het winkelbedrijf van) genoemde [slachtoffer] heeft begeven en/of (vervolgens) die [slachtoffer] heeft verzocht, een stapel bankbiljetten van Euro 5,00 en voor een totaal bedrag van Euro 250,00, te willen omwisselen voor bankbiljetten met een grotere waarde (dan die van Euro 5,00) en/of (vervolgens) bij de (her)telling van de (weer) uit handen van die [slachtoffer], aan hem, verdachte, geretourneerde/overhandigde stapel bankbiljetten van Euro 5,00, een of meer, bankbiljetten van Euro 5,00 (welke hij, verdachte, in zijn (linker) hand vasthield), met de pink van zijn, verdachte's, linkerhand, heeft afgescheiden en/of gesplitst en/of (vervolgens) dat afgescheiden en/of gesplitste deel, (snel) achter zijn, verdachte's, rug heeft gebracht en/of gehouden en/of (vervolgens) de overige bankbiljetten, welke hij, verdachte, in zijn (linker) hand had(over)gehouden, (opnieuw) aan die [slachtoffer] heeft overhandigd (als betrof het de reeds getelde, oorspronkelijke, stapel en/of hoeveelheid biljetten van Euro 5,00, welke hij, verdachte, ter omwisseling aan die Van [slachtoffer] had aangeboden).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van opzet op de tenlastegelegde gedraging; er was sprake van een misverstand. De verdachte ging naar de winkel van de aangever [slachtoffer] om een hoeveelheid contant geld te wisselen, maar kwam daarbij tot het besef dat hij minder geld bij zich had dan hij aanvankelijk dacht. De aangever heeft dit niet goed begrepen en op enig moment (ten onrechte) het gevoel gekregen slachtoffer te worden van een wisseltruc, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De gedragingen van de verdachte die naar voren komen uit de aangifte en de in deze zaak beschikbare camerabeelden, die ter terechtzitting in hoger beroep zijn afgespeeld, rechtvaardigen geen andere conclusie dan dat hij (doelbewust) heeft geprobeerd een geldwisseltruc uit te voeren. Dat sprake zou zijn geweest van een misverstand is geenszins aannemelijk geworden. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het tenlastegelegde feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 november 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van geld, met vorenomschreven oogmerk opzettelijk listiglijk naar de winkel van [slachtoffer] heeft begeven en [slachtoffer] heeft verzocht een stapel bankbiljetten van Euro 5,00 voor een totaal bedrag van Euro 250,00 te willen omwisselen voor bankbiljetten met een grotere waarde en bij de telling van de (weer) uit handen van [slachtoffer], aan hem geretourneerde stapel bankbiljetten van Euro 5,00, bankbiljetten (welke hij in zijn (linker) hand vasthield) heeft afgescheiden en dat afgescheiden deel (snel) achter zijn rug heeft gebracht en gehouden en de overige bankbiljetten, welke hij in zijn hand had gehouden, (opnieuw) aan [slachtoffer] heeft overhandigd (als betrof het de reeds getelde, oorspronkelijke, stapel).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot oplichting.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien dagen, waarvan zes dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot oplichting door middel van het toepassen van een geldwisseltruc. Met zijn brutale en gewiekste handelwijze heeft hij een grove inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat een winkelier in de bezoekers van zijn winkel moet kunnen stellen. Naast financiële schade brengt een feit als het onderhavige gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg, niet alleen bij het slachtoffer zelf, maar ook in de samenleving.

De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij in het verleden vaker een geldwisseltruc heeft toegepast, maar dat hij daarmee is gestopt. Het hof kan gelet op het bovenstaande echter niet anders dan de conclusie trekken dat de verdachte dit gedrag toch geen halt heeft toegeroepen. Gelet op het voorgaande en gezien de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden uitgesproken acht het hof een gevangenisstraf zoals opgelegd door de politierechter passend en geboden. Hieruit spreekt dat het hof, anders dan de raadsman, een gevangenisstraf met de duur van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht geen recht vindt doen aan de ernst van het bewezenverklaarde. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding een deel van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm te gieten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van

mr. C. Roseboom en mr. D. Boessenkool, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 oktober 2019.

mr. W.M.C. Tilleman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]