Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4974

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
23-001674-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging gelet op lopende asielprocedure verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001674-18

datum uitspraak: 9 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer

15-078880-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1971,

adres: [adres].

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 september 2019.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 21 april 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een nationaal paspoort van Irak, voorzien van het nummer [nummer] waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op grond van nieuwe informatie tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij na de terechtzitting in eerste aanleg een asielaanvraag heeft ingediend. De raadsman heeft in aanvulling daarop naar voren gebracht dat de asielprocedure nog steeds loopt. Hij heeft om die reden de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit.

De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen nu de asielaanvraag niet is aangetoond. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat indien kan worden aangetoond dat sprake is van een lopende asielprocedure, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, in het bijzonder de uitspraak gepubliceerd onder het nummer ECLI:HR:2015:1093.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de mededelingen van de raadsman - die enige steun vinden in stukken met betrekking tot de vreemdelingenbewaring - dat ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep sprake is van een nog lopende asielprocedure volgend op een door de verdachte, die als vreemdeling moet worden aangemerkt, gedane eerste asielverzoek.

De verdachte wordt vervolgd voor overtreding van het bepaalde in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Uit de strekking van artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag) vloeit voort dat het openbaar ministerie in de op artikel 231 Sr gebaseerde vervolging van een verdachte die vreemdeling is en zich tegen de beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden, slechts dan ontvankelijk is indien onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is (Hoge Raad 6 november 2012, LJN: BW9266).

De Hoge Raad heeft in de hierboven door de advocaat-generaal bedoelde uitspraak van 21 april 2015 overwogen dat in een geval als het onderhavige, waarin geen sprake is van een onherroepelijke afwijzing van de eerste door de verdachte gedane asielaanvraag, bij een strafvervolging ter zake van het in artikel 231 Sr strafbaar gestelde misdrijf geen ruimte bestaat om te onderzoeken of aan de (overige) voorwaarden van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag is voldaan.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het openbaar ministerie, overeenkomstig het (subsidiaire) standpunt van de advocaat-generaal en met de raadsman, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. A.M. van Woensel en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2019.

mr. A.M. van Woensel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]