Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4972

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
23-000159-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal. Verzoek om toepassing 9a Sr afgewezen en voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, ondanks verwachte overlevering naar Polen en mededeling verdachte dat hij niet meer plegen strafbare feiten niet kan beloven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000159-19

datum uitspraak: 9 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 januari 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 15-150237-18 en 23-005246-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,

verblijfadres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 september 2019.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 1 februari 2018 te Heerhugowaard een bedieningskast ([bedieningskast]), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 februari 2018 te Heerhugowaard een bedieningskast ([bedieningskast]) die toebehoorde aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week met een proeftijd van één jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepleit op grond van de door Polen verzochte overlevering van de verdachte in verband met straffen van aanzienlijke duur die hij daar moet uitzitten, de geringe ernst van het feit en de omstandigheid dat de verdachte het feit heeft bekend.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan diefstal van een bedieningskast. De verdachte is daarbij brutaal te werk gegaan en heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendom van anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 augustus 2019 is hij eerder in Nederland voor een vermogensdelict onherroepelijk veroordeeld en heeft hij het onderhavige feit in de proeftijd daarvan gepleegd. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte.

Gelet hierop en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Voor toepassing van artikel 9a Sr of een andere strafmodaliteit, zoals ter terechtzitting door de verdediging naar voren gebracht, ziet het hof geen enkele aanleiding. Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet kan zeggen dat hij niet opnieuw een strafbaar feit zal plegen, zal het hof, om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig maakt, de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 125,00 aan materiële schade. Uit de stukken in het dossier is het hof gebleken dat de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg te kennen heeft gegeven zijn vordering bij te stellen tot een bedrag van € 121,45, te weten het bedrag van de bedieningskast exclusief omzetbelasting. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot dat bedrag (€ 121,45). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard het niet eens te zijn met de vordering van de benadeelde partij, nu hij de bedieningskast nog steeds onder zich heeft en deze aan de benadeelde partij zou kunnen retourneren. Het hof is echter van oordeel dat de verdachte daartoe genoeg gelegenheid is geboden en hij daarvan, zelfs nadat de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg te kennen had gegeven in dat geval de vordering te zullen intrekken, geen gebruik heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof is de verdachte dan ook tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2016 opgelegde voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen nu niet alle stukken die zien op die vordering zich in het dossier bevinden en uit de overige stukken niet kan worden vastgesteld wanneer de proeftijd is ingegaan.

Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT5752) kan, wanneer het gaat om niet-naleving van een algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, eerste lid, Sr, ook een strafbaar feit begaan vóór het ingaan van de proeftijd aanleiding geven tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. Voorts kan uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting worden afgeleid dat de verdachte op de terechtzitting en bij de uitspraak aanwezig is geweest, zodat hij wist dat aan hem een voorwaardelijke geldboete was opgelegd. Nu de verdachte zich voor het einde van de daaraan gekoppelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De omstandigheid dat niet meer stukken met betrekking tot die zaak in het onderhavige dossier voorhanden zijn, kan daaraan niet afdoen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 121,45 (honderdeenentwintig euro en vijfenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 121,45 (honderdeenentwintig euro en vijfenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 februari 2018.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2016, parketnummer 23-005246-15, te weten van:

een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. F.M.D. Aardema en mr. A.E. Kleene-Krom , in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2019.

mr. Van Woensel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]