Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4968

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
23-003368-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal stuk dakgoot vanaf het erf van een woning. De omstandigheid dat de verdachte het goed nog zou kunnen retourneren is geen reden tot afwijzing van de materiële vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003368-18

datum uitspraak: 9 oktober 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-132398-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 september 2019.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

3.
hij op of omstreeks 3 juli 2018 in de gemeente Hollands Kroon, vanaf een - door een hekwerk afgesloten - erf behorende bij een woning gelegen aan de [adres 2] te Wieringerwerf, een dakgoot en/of een (zogenaamde) Multicutter, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover nog inhoudelijk aan de orde, worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 juli 2018 in de gemeente Hollands Kroon, vanaf een erf behorende bij een woning gelegen aan de [adres 2] te Wieringerwerf, een dakgoot die toebehoorde aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen onder 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 27 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is ’s nachts het erf van de aangever opgelopen en heeft daar een stuk dakgoot weggenomen. Hij heeft er op die manier blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van de aangever die hij schade en overlast heeft berokkend.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 augustus 2019 is hij eerder voor misdrijven, waaronder vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof in het nadeel van de verdachte meeweegt.

Gelet op het voorgaande, en met name de ernst van het feit, kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf.

Ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat het leven van de verdachte een wending ten goede heeft genomen nu zijn woonsituatie gestabiliseerd lijkt te zijn en hij op oproepbasis werkt. Het hof ziet hierin aanleiding de passend te achten gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm opleggen. Daarmee wordt mede beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot

schadevergoeding. Deze bedraagt € 572,65 aan materiële schade te vermeerderen met wettelijke

rente. De benadeelde partij, die door de politierechter niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering,

heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu de op de vordering vermelde goederen niet van de benadeelde partij zelf maar van zijn vader waren. Ten aanzien van de dakgoot heeft de raadsman bepleit de vordering af te wijzen, omdat de verdachte het goed nog onder zich heeft en aan de rechthebbende kan retourneren.

Het hof leidt uit het dossier af dat het stuk dakgoot van het erf van aangever [benadeelde] is weggenomen en hij ook degene is die de vordering heeft ingediend. Het hof is daarom voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat naar billijkheid kan worden geschat op 25,00, te weten de kosten van een pvc dakgoot. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor afwijzing van de vordering omdat de verdachte het goed nog zou kunnen retourneren ziet het hof geen aanleiding, nu dit ten eerste een onzekere gebeurtenis is en voorts niet aannemelijk is geworden dat daarmee het vermogensnadeel van het slachtoffer zou worden teniet gedaan. Nu de overig gevorderde schade in verband staat met de feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, kan de benadeelde partij in zoverre niet in de vordering worden ontvangen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover nog inhoudelijk aan de orde, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 27 (zevenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 25,00 (vijfentwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 25,00 (vijfentwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 juli 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. A.M. van Woensel en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2019.

mr. A.M. van Woensel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]