Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4962

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
23-000922-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenruzie. Vernieling. Mishandeling: verwerping beroep op noodweer nu verdachte willens en wetens de confrontatie heeft opgezocht. Geen sprake van noodweerexces. De redelijke termijn is niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000922-18

datum uitspraak: 11 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-689054-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1976,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

27 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

2.
zij op of omstreeks 04 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een worteldoek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.


3.
zij op of omstreeks 12 december 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door voornoemde [slachtoffer 2] elf keer te bellen (met het telefoonnummer [telefoonnummer]) en/of (vervolgens) dreigend de woorden toe te voegen: "ik maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

4.
zij op of omstreeks 05 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] in/op/tegen het gezicht, in elk geval op/tegen het lichaam, te stompen en/of te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere bewijsoverwegingen en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof zal het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging, zoals ook gevorderd is door de advocaat-generaal en bepleit is door de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Belaging is een klachtdelict. Die klacht bestaat ingevolge artikel 164 Wetboek van Strafvordering uit een aangifte en een verzoek tot vervolging. Enkel de aangifte is ook voldoende, indien op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld (HR 11 januari 1994, NJ 1994/278).

Het hof heeft geconstateerd dat zich in het dossier geen aangifte en ook geen klacht bevindt van de zijde van mevrouw [slachtoffer 2] waaruit kan worden afgeleid dat zij de bedoeling had dat tegen de verdachte een strafvervolging zou worden ingesteld ter zake van belaging.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 en 4 ten laste gelegde

Het onder 2 ten laste gelegde

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het aan haar onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe – kort samengevat – primair aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het beschadigen van het worteldoek. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het worteldoek ten tijde van het onderhavige incident al beschadigd was en om die reden niet nogmaals beschadigd kan zijn door de verdachte.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij zich op 4 mei 2015 over de schutting heeft gebogen en het worteldoek van [slachtoffer 1] heeft losgehaald, door het doek er af te trekken terwijl dit met punaises en spijkers vast zat aan de schutting. De verdachte heeft door aldus te handelen minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het worteldoek zou scheuren. Deze verklaring vindt voorts steun in het proces-verbaal van aangifte en het proces-verbaal van bevindingen van 26 september 2016. Dat een eenmaal beschadigd goed niet nogmaals beschadigd kan worden vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht.

Het onder 4 ten laste gelegde

Voorts heeft de raadsman ten aanzien van het aan de verdachte onder 4 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat, nu niet uit het dossier kan worden afgeleid wie het gevecht is begonnen, er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de mishandeling heeft begaan.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op 5 december 2016 is er bij de politie een melding binnengekomen om te gaan naar de [straat]

te Amsterdam, waar twee vrouwen met elkaar zouden hebben gevochten. Ter plaatse hebben de verbalisanten de aangeefster [slachtoffer 1] liggend op het fietspad aangetroffen. De aangeefster heeft ter plaatse verklaard dat zij door de [straat] fietste en door de verdachte werd achtervolgd. Toen zij van haar fiets was afgestapt vloog de verdachte haar aan en viel de aangeefster op de grond, waarna de verdachte haar met haar vuisten in het gezicht heeft geslagen. Getuige [getuige 1] heeft ter plaatse verklaard dat hij zag dat de verdachte op de aangeefster zat en op haar in aan het beuken was. Ook de getuige [getuige 2] zag de aangeefster op de grond liggen. De verdachte zat bovenop haar en sloeg met haar vuisten in het gezicht van aangeefster, aldus getuige [getuige 2]. Hij is uit zijn auto gestapt om in te grijpen. Vorenstaande maakt dat het hof de verklaringen van de aangeefster geloofwaardig acht, nu deze worden ondersteund door de verklaringen van twee onafhankelijke getuigen en door de letselverklaring.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, in het licht van voorgaande, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de aan genoemde bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
zij op 4 mei 2015 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een worteldoek, toebehorende aan [slachtoffer 1], heeft beschadigd.

4.
zij op 5 december 2016 te Amsterdam, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] tegen het gezicht te stompen.

Hetgeen onder 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft namens de verdachte een beroep op noodweer gedaan. De aangeefster is naar de verdachte toegelopen en heeft de situatie niet ontvlucht. Nu de verdachte door de aangeefster aan haar haren werd getrokken en bovenop de aangeefster terecht is gekomen in een worsteling valt niet uit te sluiten dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Het hof gaat uit van de aan de wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, zoals benoemd in de overwegingen aangaande de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde.

Naar het oordeel van het hof kunnen, gelet hierop, de gedragingen van de aangeefster niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Voorts is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van haar lijf. Integendeel, uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte willens en wetens de confrontatie met de aangeefster heeft gezocht en een reactie van de aangeefster, bestaande uit het trekken van de haren, heeft uitgelokt. De gedragingen van de verdachte kunnen niet worden aangemerkt als “verdediging”, maar moeten – naar de kern bezien – als aanvallend worden beschouwd.

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ook nog aangevoerd dat sprake zou zijn geweest van noodweerexces.

Het hof verwerpt ook dit verweer en overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging ook sprake kan zijn indien op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat. Daarvoor is nodig dat haar gedragingen het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

In dit verband gaat het hof eveneens uit, zoals eerder overwogen, van de aan de wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, zoals benoemd in de overwegingen aangaande de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde. Nu het hof de door de verdediging gestelde feitelijke toedracht niet aannemelijk acht, zijn de gedragingen van de verdachte niet het onmiddellijk gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Geen andere omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank, naast de algemene voorwaarden, aan de verdachte als bijzondere voorwaarden opgelegd een meldplicht, een behandelverplichting en een contactverbod met het slachtoffer.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een worteldoek, toebehorende aan haar toenmalige buurvrouw, de aangeefster. Zij heeft daarmee schade en overlast voor voornoemd slachtoffer veroorzaakt. Voorts heeft zij diezelfde aangeefster op klaarlichte dag midden op straat mishandeld door haar met haar vuisten in het gezicht te slaan. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn en letsel opgelopen en verdachte heeft door zo te handelen grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Gelet op het vorenstaande – en in aanmerking genomen een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 juni 2019, waaruit blijkt dat zij eerder ter zake mishandeling en vernieling onherroepelijk is veroordeeld – acht het hof de straf zoals opgelegd door de rechtbank in beginsel passend. Gelet op de ouderdom van het feit en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van strafrecht ziet het hof echter aanleiding de omvang van de taakstraf te matigen. Anders dan door de raadsman is bepleit, ziet het hof geen aanleiding om strafvermindering toe te passen op grond van overschrijding van de redelijke termijn, nu deze naar het oordeel van het hof niet is geschonden. Het onder 2 bewezen verklaarde feit heeft weliswaar op 4 mei 2015 plaatsgevonden, maar de verdachte is pas op 13 oktober 2016 op de hoogte geraakt van een aangifte hieromtrent tegen haar, blijkens het politieverhoor van die datum, waarna op 31 januari 2018 de dagvaarding aan de verdachte is uitgereikt. Het hof is van oordeel dat deze zaak met het vonnis daterend van 6 maart 2018 binnen de gestelde redelijke termijn van twee jaren is afgedaan. Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde is het hof eveneens van oordeel dat de redelijke termijn niet is geschonden nu tussen de pleegdatum en het vonnis nog geen twee jaren zijn verstreken.

Ten slotte ziet het hof aanleiding om een deel van de taakstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daaraan zal als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer in beide onderhavige zaken worden verbonden, nu uit het dossier is gebleken dat er een reële mogelijkheid bestaat dat zij elkaar tegen het lijf kunnen lopen en dit tot confrontaties kan leiden.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is - direct of indirect - contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer 1].

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M. Jurgens en mr. T. Blom, in tegenwoordigheid van

mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 juli 2019.

mrs. M. Jurgens en T. Blom zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]