Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4944

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
23-003363-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een knuppel op zijn hoofd te slaan en mishandeling door hem te bijten en met een knuppel tegen zijn handen en heupen te slaan. Strafverzwarende omstandigheid wegens familieband o.b.v. art. 304 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003363-18

datum uitspraak: 17 oktober 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-706088-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Noorwegen) op [geboortedag] 1975,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair
zij op of omstreeks 22 maart 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] meermalen, althans éénmaal, met een knuppel op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1. subsidiair
zij op of omstreeks 22 maart 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde] meermalen, althans éénmaal, met een knuppel op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.
zij op of omstreeks 22 maart 2017 te Amsterdam haar echtgenoot, [benadeelde], heeft mishandeld door

- hem in zijn schouder(s) te bijten en/of

- hem met een knuppel op/tegen zijn handen en/of heupen te slaan en/of

- meerdere malen in haar handen te spugen en dit in het gezicht van die [benadeelde] af te vegen als gevolg waarvan die [benadeelde] pijn en/of letsel en/of een hevig gevoel van onlust heeft bekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, een andere strafoplegging en een andere beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij komt dan de rechtbank.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs en de strafbaarheid

(Putatief) noodweer(exces)

De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat zij heeft gehandeld uit noodweer, dan wel putatief noodweer, dan wel noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat over en weer geweld is toegepast. De aangever heeft daarbij geprobeerd de verdachte van een steile trap te duwen dan wel haar in ieder geval richting die trap te duwen. De verdachte wilde zichzelf in veiligheid brengen en heeft, omdat zij anders niet zou zijn opgewassen tegen de verdachte, een speelgoedknuppel gepakt om zich te verweren en daarmee de aangever geslagen.

Het hof stelt op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte en [benadeelde] waren ten tijde van de ten laste gelegde feiten getrouwd. Echter was hun relatie gebrouilleerd en woonden zij al enige tijd niet meer samen. Samen hebben zij twee kinderen, die bij [benadeelde] woonden. De verdachte is op 22 maart 2017 bij [benadeelde] langsgekomen om de kinderen te zien. [benadeelde] bemerkte dat de verdachte had gedronken en dat zij zich zeer vervelend gedroeg tegen hem en de kinderen. [benadeelde] verzocht de verdachte weg te gaan. Toen de verdachte hieraan geen gevolg gaf, heeft [benadeelde] de politie gebeld. De verdachte probeerde de telefoon uit de handen van [benadeelde] te trekken en beet hem in zijn linker schouder. Vervolgens heeft de verdachte uit haar tas een houten (speelgoed)knuppel gepakt en daarmee op het hoofd van [benadeelde] geslagen. Kort daarna heeft de verdachte nogmaals met de knuppel tegen het hoofd van [benadeelde] geslagen, alsook tegen diens handen en heupen en heeft de verdachte hem nogmaals gebeten in een schouder. [benadeelde] heeft ten gevolge van het gebeuren een drietal bulten en een snee op zijn hoofd en bijtafdrukken in zijn beide schouders opgelopen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [benadeelde] waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Verdachtes verklaring dat [benadeelde] haar van de trap zou gaan duwen, vindt geen ondersteuning in het dossier. Ook overigens acht het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte (abusievelijk) in de veronderstelling verkeerde dat zij zich in een noodweersituatie bevond.

Nu op geen enkel moment sprake is geweest van een noodweersituatie kan ook geen sprake zijn van een geslaagd beroep op noodweerexces.

Derhalve verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

Voorwaardelijk opzet

Door aangever met een houten knuppel meermalen met kracht tegen het hoofd te slaan, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Het hoofd is immers een kwetsbaar lichaamsdeel. Indien daarop met een harde knuppel wordt geslagen is de kans op ernstig (hersen)letsel aanmerkelijk. Uit het handelen van verdachte blijkt daarom dat zij voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

Artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht

Het hof is van oordeel dat sprake is van de strafverzwarende omstandigheid zoals genoemd in artikel 304 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Weliswaar woonden de verdachte en [benadeelde] niet meer samen ten tijde van de tenlastegelegde feiten, doch zij waren nog wel met elkaar gehuwd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair
zij op 22 maart 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [benadeelde] meermalen met een knuppel tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.
zij op 22 maart 2017 te Amsterdam haar echtgenoot, [benadeelde], heeft mishandeld door

- hem in zijn schouders te bijten en

- hem met een knuppel tegen zijn handen en heupen te slaan

als gevolg waarvan die [benadeelde] pijn en letsel heeft bekomen.

Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Anders dan de advocaat-generaal kwalificeert het hof de bewezenverklaarde feiten als meerdaadse samenloop nu sprake is van meerdere gewelddadige gedragingen op verschillende momenten.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 150 uren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van haar echtgenoot door hem met een houten knuppel tegen het lichaam en het hoofd te slaan en hem in beide schouders te bijten. Dit deed de verdachte in het bijzijn van hun jonge kinderen. Het slachtoffer is onder meer aan zijn hoofd gewond geraakt. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert bovendien dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lang de lichamelijke en/of psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden, hetgeen blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring ook hier het geval is. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij zich voor de ogen van hun kinderen volledig heeft laten gaan in de richting van hun vader.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft het hof acht geslagen op de over verdachte opgemaakte rapportages. Hieruit komt onder meer naar voren dat bij de verdachte gevoelens van machteloosheid en boosheid ten opzichte van het slachtoffer van invloed zijn geweest op het gedrag van de verdachte. Het hof zal de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in enigszins strafmatigende zin meewegen. Het acht daarom, en gelet op het feit dat de verdachte first offender is, een taakstraf een passende onvoorwaardelijke straf. Hoewel de raadsvrouw naar voren heeft gebracht dat de verdachte niet meer woonachtig is in Nederland en van haar geen BRP-adres bekend is, is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat er aanwijzingen zijn dat zij (ook) regelmatig in Nederland verblijft. Het hof acht om die reden, anders dan de advocaat-generaal, de tenuitvoerlegging van een taakstraf mogelijk.

Teneinde de verdachte ervan te weerhouden nogmaals een strafbaar feit te plegen zal het hof daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 2.920,00 aan materiële schade, € 2.500,00 aan immateriële schade en € 9.657,83 aan overige schade (kosten straat/contactverbod en kosten rechtsbijstand). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.635,00, waarvan

€ 1.135,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. De kosten rechtsbijstand zijn toegewezen tot een bedrag van € 922,00. Voor het overige heeft de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd tot toewijzing van de gevorderde materiële schadevergoeding, behalve voor wat betreft de therapie van de kinderen, toewijzing van de vordering betreffende immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00 en de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering met betrekking tot de kosten van het straat/contactverbod. Voorts heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot toewijzing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft betoogd dat in geval van een bewezenverklaring de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, omdat de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de verdediging de hoogte van het gevorderde bedrag betwist en het hof verzocht een lager bedrag vast te stellen. In dit verband heeft zij onder meer aangevoerd dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts heeft zij betoogd dat de rechtbank de medische kosten ten onrechte heeft toegewezen, nu deze post onvoldoende is onderbouwd. Verder verzoekt zij de kosten psycholoog/manueel therapeut te matigen, omdat er ook andere klachten behandeld worden. Tot slot heeft de verdediging verzocht om de immateriële schadevergoeding te matigen en bij de proceskostenveroordeling rekening te houden met het liquidatietarief in kantonzaken.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het hof begroot die schade op € 369,78 ten aanzien van de schadepost “Eigen risico [namen 1]”, € 15,22 ten aanzien van de post “Medische zorg – PNOZORG”, € 150,00 ten aanzien van de post “Therapie – [therapie]” en € 1.200,00 ten aanzien van de post “Psycholoog en manueel therapeut”. Ten aanzien van de schadepost “Haptotherapie [namen 2]” overweegt het hof dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is, nu de kosten voor therapie voor de kinderen geen schade zijn die de benadeelde partij zelf door het bewezenverklaarde heeft geleden.

Het hof concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal

€ 1.735,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Immateriële schade

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op een bedrag van

€ 2.000,00.

Daarbij is in het bijzonder gelet op:

- de ernst van de aantasting in de persoon van de benadeelde partij;

  • -

    de aard en de ernst van de letsels die de benadeelde partij ten gevolge van het incident heeft opgelopen, te weten twee littekens op zijn schouders en een litteken op zijn hoofd;

  • -

    de omstandigheid dat de benadeelde partij hierdoor gedurende lange tijd psychologische klachten heeft ondervonden;

  • -

    de omstandigheid dat niet alleen de benadeelde partij zelf maar ook zijn twee kinderen te kampen hebben met de ernstige gevolgen van de mishandeling.

Daarnaast is gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Voor het overige is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering voor zover dit het immateriële deel betreft, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het toe te wijzen bedrag ter compensatie van immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Overige schade

Onder de post “Gemaakte kosten in verband met straat-/contactverbod” vordert de benadeelde partij

€ 8.387,33 voor de kosten rechtsbijstand in civiele procedures tussen de benadeelde partij en verdachte. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet als kosten voor rechtsbijstand in de onderhavige strafzaak kunnen worden aangemerkt. Ook betreft het geen materiële schade die de benadeelde partij rechtstreeks door het bewezenverklaarde heeft geleden. Het hof verklaart de vordering voor dit gedeelte daarom niet-ontvankelijk.

Onder de post “Rechtsbijstand in strafzaak” vordert de benadeelde partij € 1.270,50 voor de kosten rechtsbijstand in de onderhavige strafzaak. Het hof is van oordeel dat deze vordering kan worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Het hof acht vermindering van de te betalen schadevergoeding vanwege eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij niet aan de orde, nu niet aannemelijk is dat de benadeelde partij verwijtbaar heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.735,00 (drieduizend zevenhonderdvijfendertig euro) bestaande uit € 1.735,00 (duizend zevenhonderdvijfendertig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 1.270,50 (duizend tweehonderdzeventig euro en vijftig eurocent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.735,00 (drieduizend zevenhonderdvijfendertig euro) bestaande uit € 1.735,00 (duizend zevenhonderdvijfendertig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 (zevenenveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente:

met betrekking tot de materiële schade op:

- 5 mei 2017 over een bedrag van € 369,78 ter zake van “Eigen risico [namen 1]”

- 30 maart 2017 over een bedrag van € 15,22 ter zake van “Medische zorg – PNOZORG”

- 6 april 2017 over een bedrag van € 150,00 ter zake van “Therapie – [therapie]”

- 22 december 2017 over een bedrag van € 1.200,00 ter zake van “Psycholoog en manueel therapeut”

en met betrekking tot de immateriële schade op:

22 maart 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. M.L.M. van der Voet en mr. M. van der Horst, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Trel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 oktober 2019.

Mr. M. van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]