Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:49

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
200.229.867/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Nihilstelling kinderalimentatie voor de duur van de wettelijke schuldsanering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.229.867/01

zaaknummer rechtbank: C/15/252429 / FA RK 16-7403

beschikking van de meervoudige kamer van 8 januari 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. D.J. Klock te Haarlem,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. T.J.J.M. Wijngaard te Haarlem.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 4 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 15 december 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 4 oktober 2017.

2.2

De vrouw heeft op 23 februari 2018 een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 4 april 2018 een verweerschrift op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de vrouw van 20 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op 21 juni 2018;

- een brief van de zijde van de man van 20 juni 2018 met een bijlage, ingekomen op 21 juni 2018;

- een brief van de zijde van de man van 21 juni 2018 met een bijlage, ingekomen op dezelfde datum.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 2 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.6

Zoals ter zitting in hoger beroep besproken heeft de man, na afloop van de mondelinge behandeling, op 16 juli 2018 een brief met nadere stukken ingediend, die bij het hof is ingekomen op 17 juli 2018.

Bij brief van 14 juli 2018, bij het hof ingekomen op 26 juli 2018, heeft de vrouw op voornoemde brief en stukken van de man gereageerd.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2009 te Praag (Tsjechië) met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 28 september 2015 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 27 mei 2015 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Uit dit huwelijk is de minderjarige [zoon] (hierna te noemen: [de minderjarige] ) geboren [in] 2010, te [geboorteplaats] .

3.3

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.4

Bij de echtscheidingsbeschikking van 27 mei 2015 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: de kinderbijdrage) dient te voldoen van € 165,- per maand. Deze kinderbijdrage bedraagt ingevolge de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2017 € 171,- per maand en met ingang van 1 januari 2018 € 173,- per maand.

3.5

De man is tevens de vader van:

- de minderjarige [kind A] (hierna te noemen: [kind A] ), geboren [in] 2016 te [geboorteplaats] , en

- de minderjarige [kind B] (hierna te noemen: [kind B] ), geboren [in] 2017 te [geboorteplaats] .

3.6

Bij vonnis van de rechtbank van 19 juni 2018 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man uitgesproken.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man de beschikking van 27 mei 2015 te wijzigen in die zin dat de door hem te betalen kinderbijdrage met ingang van 22 april 2016 op nihil wordt gesteld, afgewezen. Tevens is afgewezen het verzoek van de vrouw de man ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te gelasten de bescheiden zoals genoemd onder punten I a tot en met k van het petitum van het gewijzigd zelfstandig verzoek van de vrouw alsnog over te leggen, dan wel hem te bevelen de door haar betwiste stellingen nader te onderbouwen met de hiervoor bedoelde schriftelijke (financiële) stukken, op straffe van betaling van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 15.000,-.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

4.3

In het principaal hoger beroep verzoekt de vrouw het verzoek van de man af te wijzen.

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw, indien en voor zover het verzoek van de man toch aanleiding geeft om tot wijziging van het overeengekomen bedrag aan kinderalimentatie over te gaan:

- de man ex artikel 22 Rv te bevelen, althans de man op grond van artikel 843a Rv tot medewerking te gelasten – al dan niet bij tussenbeschikking – om binnen een termijn van vier weken, althans binnen een nader door het hof te bepalen termijn, de hierna volgende bescheiden en informatie te verstrekken, te weten:

i. de ondertekende schuldhulpovereenkomst (inclusief eventuele bijlagen) tussen de man en de gemeente Haarlem inzake zijn schuldhulpverleningstraject;

ii. een volledig overzicht van zijn actuele schuldenpositie, voor zover dit niet al blijkt uit de hiervoor genoemde schuldhulpverleningsovereenkomst (inclusief eventuele bijlagen);

iii. een volledig overzicht van alle aflossingen door de man gedaan op de huwelijkse schuldenposten sinds de echtscheidingsbeschikking van 27 mei 2015;

- te bepalen dat de ingangsdatum van het gewijzigde bedrag aan kinderalimentatie zal zijn de datum van de uitspraak in hoger beroep.

4.4

De man verzoekt de verzoeken van de vrouw in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In principaal en incidenteel hoger beroep

5.1

De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn verzoek in hoger beroep nu hij heeft nagelaten het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de geboorteakte van [kind B] tijdig over te leggen. Het hof stelt vast dat de man deze stukken weliswaar niet in het geding heeft gebracht, maar acht zich voldoende voorgelicht om op basis van de beschikbare stukken een beslissing te nemen. Het ontbreken van het proces-verbaal en de geboorteakte kan in het onderhavige geval dan ook niet tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek leiden.

5.2

Tussen partijen is de draagkracht van de man en de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de kinderbijdrage in geschil.

5.3

Het hof overweegt als volgt.

5.4

Allereerst is aan de orde de vraag of zich sinds de echtscheidingsbeschikking van 27 mei 2015 (waarbij de kinderbijdrage ten behoeve van [de minderjarige] is vastgesteld) een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft voorgedaan.

Het hof stelt vast dat de man, naast het feit dat hij na de echtscheidingsbeschikking tevens vader is geworden van [kind A] en [kind B] , met ingang van 19 juni 2018 is toegelaten tot de WSNP vanwege zijn schuldenlast. De schulden van de man betreffen (mede) de afwikkeling van de huwelijkse schulden van partijen. Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande sprake van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man rechtvaardigt.

5.5

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of deze wijziging van omstandigheden dient te leiden tot een wijziging van de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] . Het hof neemt hierbij het volgende tot uitgangspunt.

Ingeval een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, dient in het algemeen in die gevallen waarin voor het vrij te laten bedrag (VTLB) niet met de onderhoudsverplichting is rekening gehouden, de geldende onderhoudsverplichting voor de duur van de schuldsaneringsregeling op nihil te worden bepaald. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de onderhoudsplichtige gedurende de tijd waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, slechts kan beschikken over het op de voet van artikel 295 lid 2 van de Faillissementswet (Fw) door de rechter-commissaris vastgestelde VTLB, welk bedrag onder het bijstandsniveau is gelegen, tenzij de rechter-commissaris op de voet van artikel 295 lid 3 Fw anders heeft bepaald. Derhalve moet worden aangenomen dat een onderhoudsplichtige, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen. Dit kan anders zijn, indien het vrij te laten bedrag door de rechter-commissaris op een hoger bedrag is bepaald (Hoge Raad 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008: BD7589).

Uit het door de man (bij brief van 16 juli 2018) overgelegde Rapport berekening VTLB en de beschikking van de rechter-commissaris van 12 juli 2018, blijkt dat de rechter-commissaris bij de berekening van het VTLB van de man geen rekening heeft gehouden met de kinderbijdrage. Dit wordt door de vrouw ook niet (langer) betwist. Voorts zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken om af te wijken van het uitgangspunt dat moet worden aangenomen dat een onderhoudsplichtige voor de periode dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, niet over draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te voldoen.

5.6

Uit het voorgaande volgt dat het hof de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] op nihil zal stellen. Deze nihilstelling zal gelden voor de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de nihilstelling. Hoewel de man pas bij vonnis van 19 juni 2018 tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten, ziet het hof voldoende grond om als ingangsdatum voor de nihilstelling van de kinderbijdrage 14 december 2016 te hanteren, zijnde de datum waarop het inleidend verzoekschrift van de man bij de rechtbank is binnengekomen. Vanaf die datum heeft de vrouw rekening kunnen, en moeten, houden met een wijziging van de kinderbijdrage. Gelet op het schuldenoverzicht van de gemeente Haarlem (productie 15 bij de brief van de man van 13 september 2017) en op de aard van de daarin vermelde schulden, acht het hof voldoende aannemelijk dat de schulden van de man – die uiteindelijk hebben geleid tot toelating van de WSNP – op 14 december 2016 ook al bestonden, in elk geval grotendeels, en dat de man gelet op de omvang daarvan al vanaf dat moment geen draagkracht had om enige kinderbijdrage ten behoeve van [de minderjarige] te voldoen. Het feit dat de man, zoals aangevoerd door de vrouw, niet voldoende heeft aangetoond dat hij afloste op de schulden doet aan het voorgaande niet af. Het hof zal de kinderbijdrage dan ook met ingang van 14 december 2016, gedurende de periode dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op de man van toepassing is, op nihil stellen.

5.7

Als uitgangspunt geldt dat de rechter behoedzaam dient om te gaan met een wijziging van een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht, dat wil zeggen per datum gelegen vόόr de dag van zijn uitspraak met het oog op de mogelijke gevolgen daarvan. Dit brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven.

5.8

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vrouw het LBIO ingeschakeld heeft om de kinderbijdrage ten behoeve van [de minderjarige] te innen. Op 21 juni 2018 stond nog een bedrag van € 251,11 open. Voorts heeft de vrouw aangevoerd, hetgeen door de man op zichzelf niet is betwist, dat zij een bijstandsuitkering van de gemeente Haarlem ontvangt en de door de man betaalde kinderbijdrage in overeenstemming met de behoefte van [de minderjarige] heeft uitgegeven. Het hof acht deze omstandigheden aan de zijde van de vrouw doorslaggevend en is van oordeel dat om die reden de verplichting van de vrouw tot terugbetaling van de door de man betaalde bijdragen in redelijkheid niet kan worden aanvaard. De nihilstelling van de bijdrage met ingang van 14 december 2016 leidt derhalve niet tot een terugbetalingsverplichting voor de vrouw van hetgeen vanaf die datum door de man is betaald, of op hem is verhaald.

5.9

De overige stellingen van de man en de vrouw – met betrekking tot het inkomen van de man en de geboorte van (en kosten voor) [kind A] en [kind B] – behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.

Uit het voorgaande volgt tevens dat het verzoek van de vrouw om de door haar genoemde bescheiden en informatie te verstrekken, niet toewijsbaar is. De betreffende bescheiden, voor zover al aanwezig, zijn gezien het voorgaande niet doorslaggevend en zullen daarom niet tot een ander oordeel leiden. Bij toewijzing van het verzoek bestaat dus geen belang.

5.10

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

stelt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 27 mei 2015, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , met ingang van 14 december 2016 gedurende de periode dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is op nihil, met dien verstande dat, voor zover door de man over de periode vanaf 14 december 2016 tot heden enige bijdrage is betaald en/of op hem is verhaald, de uitkering tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. A.N. van de Beek en mr. W.K. van Duren, in tegenwoordigheid van mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier, en is op 8 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.