Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:489

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
200.232.555/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Op werkzaamheden van werknemer, in dienst van G4S, bij Dienst Justitiele Inrichtingen, is art. 8 Waadi van toepassing. Bewijsopdracht gegeven ten aanzien van de vergelijking van het ontvangen salaris met het salaris volgens de loonschalen van de inlener.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0218
JAR 2019/86
RAR 2019/75
JIN 2019/117 met annotatie van Liempd, T. van, Schreuder, C.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.232.555/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : CV 16-22433

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 februari 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. H.G. Meulmeester te Amsterdam,

tegen

G4S SECURITY SERVICES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,,

advocaat: mr. J.P.H. Zwemmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en G4S genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 25 januari 2018 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 8 augustus 2017 (tussenvonnis) en 31 oktober 2017 (eindvonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en G4S als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 7 november 2018 doen bepleiten, [appellant] door mr. Meulmeester, voornoemd en G4S door mr. Zwemmer, voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - G4S alsnog zal veroordelen:

a. tot betaling van het achterstallig loon, inclusief vakantietoeslag en overige emolumenten over de periode 4 maart 2009 tot 1 januari 2014, zijnde een bedrag van € 47.946,07;

b. tot betaling van de maximale wettelijke verhoging van 50% groot € 23.973,03, wegens vertraging ex artikel 7:625 BW over het sub a gevorderde;

c. tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het onder a en b gevorderde te rekenen vanaf de dag dat betaling van het loon verschuldigd was, althans 21 april 2014, althans 6 mei 2014, althans 4 maart 2014, althans van af de dag der dagvaarding ad € 3.962,66 + PM;

d. tot verstrekking van deugdelijke bruto/netto loonspecificaties met betrekking tot de

loonbetaling over de sub a genoemde periode;

e. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

f. tot vergoeding aan [appellant] van het mis te lopen pensioen, althans de pensioenschade, waaronder de kosten ter vaststelling van deze schade, althans voor

recht zal verklaren dat G4S gehouden is het mis te lopen pensioen, althans de

pensioenschade, waaronder de kosten ter vaststelling van die schade, te vergoeden,

althans een zodanige maatregel te treffen die het hof geraden acht.

G4S heeft zich verweerd en heeft in principaal appel verzocht het bestreden eindvonnis te bekrachtigen en de vorderingen van [appellant] af te wijzen.

G4S heeft in incidenteel appel verzocht het oordeel van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis, inhoudend dat de Waadi van toepassing is op de door G4S bij DJI als detentietoezichthouder ingezette veiligheidsemployees in het kader van de door G4S aan DJI geleverde bewakings- en beveiligingsdienstverlening, en het oordeel van de kantonrechter in de bestreden vonnissen dat de werkzaamheden van door G4S bij DJI als detentietoezichthouder ingezette beveiligingsemployees niet kunnen worden gebracht onder de tekst van de omschrijving van de werkzaamheden van de functiegroep objectbeveiliger/receptionist als opgenomen in de cao PB, te corrigeren in een door het hof te wijzen arrest.

[appellant] heeft in het incidenteel appel verzocht het door G4S ter zake genoemde oordeel van de kantonrechter te bekrachtigen.

Beide partijen hebben verzocht de andere partij in de proceskosten in beide instanties te veroordelen, met nakosten.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] is op 23 april 2007 bij G4S in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Zijn functie is in het arbeidscontract, dat schriftelijk is vastgelegd, omschreven als Beveiligingsemployee. Het bruto uurloon bedroeg laatstelijk € 14,00 voor 38 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties van toepassing verklaard, thans CAO Particuliere Beveiliging (hierna ook: CAO PB) genaamd.

2.2

[appellant] is op basis van de arbeidsovereenkomst werkzaam geweest bij de Dienst Justitiële Inrichtingen/Directie Bijzondere Voorzieningen in de penitentiaire inrichting Alphen aan de Rijn, locatie Eikenlaan, en gedurende 2012/2013 in de penitentiaire inrichting in Rotterdam.

2.3

G4S is een organisatie welke deel uitmaakt van een wereldwijd opererend concern dat oplossingen biedt op het gebied van veiligheid en beveiliging. In Nederland houdt G4S zich onder andere bezig met beveiligingsadvies, geldtransporten, beveiliging van kantoren en detentietoezicht. De wereldwijde organisatie G4S valt uiteen in twee takken respectievelijk genaamd Secure Solutions en Cash Services. Eerstgenoemde tak voert beveiligingsactiviteiten uit welke zijn ondergebracht in diverse

Business Units of vennootschappen. G4S kent/kende drie Business Units, te weten Security Services, Patrol & Response Services en Care & Justice Services. De laatste Business Unit voert/voerde uitsluitend werkzaamheden uit voor het Departement van Justitie, meer in het bijzonder de Dienst Justitiële Inrichtingen (verder ook: DJI). Voor laatstgenoemde dienst werd gewerkt onder twee contracten.

2.4

Werknemers van G4S welke ter beschikking waren gesteld van de DJI waren werkzaam in de functie van Detentietoezichthouder, en in bijzondere functies waarvoor een extra opleiding noodzakelijk is zoals Portier, Medewerker op de afdeling Extra Zorg, en Wachtcommandant. Daarnaast was er de functie van Groepsleider; deze functie werd in een hogere schaal beloond. Verder waren er twee Operationeel Managers. Alle Detentietoezichthouders dienden op hun locatie de specifieke – locatieafhankelijke - werkinstructies en regels te volgen.

2.5

Het onder 2.3 genoemde contract waaronder [appellant] werkzaam was, was gesloten tussen de Staat der Nederlanden, Ministerie van Justitie, DJI en

G4S als een overeenkomst van opdracht inzake Beveiliging en Bewakingsdiensten. Blijkens artikel 2 lid 2 van de op 15 juni 2009 gesloten overeenkomst is G4S ervoor verantwoordelijk geweest dat vanaf de inwerkingsdatum van de voormelde overeenkomst gedurende de resterende duur daarvan per Detentiecentrum de vereiste inzet van Detentietoezichthouders plaatsvond overeenkomstig bijlage 3 (postenbezetting).

2.6

[appellant] is de gehele periode 2009-2014 bezoldigd op basis van Beveiliger D in schaal 6 van de cao PB.

2.7

Bij brief van 20 januari 2014 heeft G4S verzocht om een ontslagvergunning als bedoeld in het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (oud). In de brief is de functie van [appellant] omschreven als Detentietoezichthouder. (Beveiligingsbeambte). Opgemerkt is in de brief dat “deze aanvraag bezien diende te worden in samenhang met de ontslagaanvragen voor in totaal 342 werknemers die formeel in dienst waren van G4S Security Services en werkzaam waren bij de als zelfstandige bedrijfsvestiging aan te merken Business Unit G4S Care & Justice Services”. De enige klant van laatstgenoemde Business Unit was de DJI. De reorganisatie is in voormelde brief beargumenteerd door erop te wijzen dat G4S was geconfronteerd met een enorme, snelle en onverwachte reductie van de inzet van haar medewerkers. Een en ander hield verband met verregaande bezuinigingen op het Departement van Justitie in de periode 2013-2018. In het kader van deze reorganisatie heeft de DJI, blijkens de genoemde brief, het principe gehanteerd dat de werkzaamheden die door het personeel van G4S werden verricht, opengesteld moesten worden voor eigen personeel; inhuur werd tot een absoluut minimum beperkt. Dit had tot gevolg dat in het Detentiecentrum Alphen aan de Rijn geen ingehuurd personeel meer nodig was. In de brief is verder opgemerkt onder V betreffende de personele gevolgen van de reorganisatie/bedrijfsbeëindiging, dat er geen onderscheid was gemaakt tussen de diverse rollen welke Detentietoezichthouder kon vervullen. Daarbij is onder andere gewezen op de afdeling Extra Zorg en de functies van wachtcommandant, portier en lid van het zogenaamde interventieteam.

2.8

Het UWV heeft de verzochte ontslagvergunning verstrekt en het dienstverband met [appellant] is door G4S opgezegd per brief van 28 maart 2014 tegen 1 juli 2014.

2.9

In diverse brieven gezonden door medewerkers van de ARAG Rechtsbijstandverzekering in het voorjaar van 2014 heeft [appellant] aanspraak gemaakt op nabetaling van salaris omdat G4S geen rekening zou

hebben gehouden met de toepasselijkheid van artikel 8 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). G4S is niet tot bijbetaling van dit salaris overgegaan.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg vorderingen ingesteld overeenkomstig het in hoger beroep gevorderde, met dien verstande dat hij het achterstallig loon inclusief vakantietoeslag en overige emolumenten op € 52.867,80 bruto had becijferd. [appellant] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat op hem artikel 8 Waadi van toepassing is, dat hij recht heeft op inschaling in schaal 8 van het BBRA, en dat het verschil aan salaris waarop hij recht heeft en datgene wat is uitbetaald, voor zover niet verjaard, genoemd bedrag betreft. De overige vorderingen vloeien voort uit de vordering tot nabetaling van salaris.

3.2

G4S heeft zich verweerd tegen de vorderingen en daartoe het volgende aangevoerd. De door G4S geleverde diensten vallen niet onder de Waadi en [appellant] verrichte geen werkzaamheden onder toezicht en leiding van DJI, en mocht de Waadi wel van toepassing zijn, dan is de loonverhoudingsnorm van artikel 8 lid 1 Waadi niet van toepassing, omdat hiervan krachtens artikel 8 lid 3 Waadi is afgeweken, nu de CAO PB op [appellant] van toepassing is.

3.3

De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis geoordeeld dat de loonverhoudingsnorm zoals verwoord in artikel 8 lid 1 Waadi, op [appellant] van toepassing is. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen. Nu [appellant] zijn werkzaamheden in de penitentiaire inrichting te Alphen aan den Rijn onder leiding van het bij DJI in dienst zijnde afdelingshoofd [A] verrichtte is de Waadi op zich van toepassing op de arbeidsrelatie met [appellant] .

Er was weliswaar sprake van een situatie dat G4S een groot aantal van haar werknemers ter beschikking stelde aan DJI, maar dat de instructiebevoegdheid van [A] zou moeten worden opgevat als een instructiebevoegdheid als bedoeld in artikel 7:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de kantonrechter niet onderschreven.

Van een afwijking van de loonverhoudingsnorm op grond van artikel 8 lid 3 Waadi is geen sprake omdat de CAO PB in het geheel niet voorziet in de betaling van een werknemer die in een detentie-inrichting te werk wordt gesteld als Detentietoezichthouder. Bij dit werk gaat het om het toezicht houden op gedetineerde mensen, hetgeen geheel andere werkzaamheden betreft dan het beveiligen van objecten, zoals in genoemde CAO PB is beschreven. Nu in de CAO PB geen aparte regeling is getroffen voor de detentietoezichthouder en geen van de functies in genoemde cao ook maar bij benadering gelijk is aan de functie detentietoezichthouder, is artikel 8 lid 3 Waadi niet van toepassing, en daarmee de loonverhoudingsnorm van artikel 8 lid 1 Waadi wel, aldus de kantonrechter. Tegen deze oordelen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van het tussenvonnis richten zich twee grieven in het incidenteel appel.

3.4

De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen, en daartoe het volgende overwogen. Indien [appellant] zou zijn ingeschaald in het BBRA, hetgeen op grond van artikel 8 lid 1 Waadi had moeten gebeuren, dan had dit voor hem geleid tot indeling in de schalen 3-6 BBRA (zoals G4S meer subsidiair heeft betoogd), en niet tot indeling in schaal 8 BBRA (zoals [appellant] bepleitte). Betaling volgens de schalen 3-6 BBRA zou niet tot een hoger salaris hebben geleid dan hetgeen aan [appellant] destijds daadwerkelijk was uitbetaald. [appellant] heeft daarom geen recht op nabetaling, aldus de kantonrechter. Tegen deze oordelen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van het eindvonnis richten zich de grieven in het principaal appel.

3.5

Aangezien het incidenteel appel de meest vergaande strekking heeft, zal dit eerst worden behandeld.

3.5.1

Met haar eerste grief keert G4S zich tegen de overweging van de kantonrechter dat de Waadi van toepassing is op het door G4S bij DJI inzetten van beveiligingsemployees als detentietoezichthouder en dat deze relatie ook voldoet aan de regeling van de uitzendovereenkomst in artikel 7:690 en 7:691 BW. G4S voert hiertoe aan dat geen sprake was van het ter beschikkingstellen van personeel aan DJI, dat het leveren van beveiligings- en bewakingsdiensten aan opdrachtgevers met behulp van de bij haar in dienst zijnde beveiligingsemployees de normale arbeid vormt in het bedrijf van G4S, dat de normstelling van de Waadi in dat geval niet functioneel is, en de Waadi daarom niet van toepassing is. Bovendien is van terbeschikkingstelling in de zin van (artikel 1 lid 1 sub c van) de Waadi geen sprake, nu sprake is van een tussen G4S en DJI gesloten overeenkomst van opdracht, zoals catering, schoonmaak en beveiliging. [appellant] heeft het betoog van G4S bestreden. Het hof oordeelt als volgt.

3.5.2

Uit de tussen G4S en de Staat der Nederlanden gesloten overeenkomst blijkt, dat G4S zich tegenover de Staat verbonden heeft om een volgens een bijlage 3 (Postenbezetting) genoemde ‘vereiste inzet van Detentietoezichthouders’ te laten plaatsvinden. De taken van deze personen moeten worden afgestemd op de werkprocessen binnen de afdelingen van de detentiecentra. Als er sprake is van een dreigend tekort aan de vereiste capaciteit, dan staat het de Staat vrij extra personeel te rekruteren (artikel 2.5). De Staat behoudt zich ook het recht voor om voor beveiligings- en bewakingsdiensten eigen personeel te gebruiken (artikel 3.3). Uit de overeenkomst blijkt daarmee niet dat G4S eindverantwoordelijk is voor het toezicht op de gedetineerden en dat het haar vrij staat dat resultaat te bereiken op een manier die haar goeddunkt, doch blijkt daarentegen dat G4S personeel ter beschikking stelt aan de Staat/DJI, en DJI vervolgens onder haar toezicht en leiding het G4S-personeel inzet. Dit komt overeen met het beeld dat G4S bij het UWV schetste bij het verkrijgen van ontslagvergunningen voor de detentietoezichthouders. Zo schrijft G4S: “Eind 2013 is duidelijk geworden dat op de DBV locaties per uiterlijk 1 juli 2014 in het geheel geen personeel van G4S C&JS meer zal worden ingehuurd door DJI, waardoor de activiteiten van de Business Unit C&JS dan volledig zullen zijn beëindigd. (…) Eventuele toekomstige, hernieuwde inhuuropdrachten zullen worden ondergebracht bij de Business Unit Security Services”. Aldus is naar het oordeel van het hof wel sprake van het ter beschikking stellen van personeel door G4S aan DJI, en is niet sprake van een zelfstandige uitgevoerde dienst door G4S.

3.5.3

G4S betoogt dat de ten behoeve van DJI verrichte werkzaamheden de voor G4S ‘normale arbeid’ betreft, op grond waarvan de Waadi niet functioneel zou zijn, en daarmee niet van toepassing. Uit de ontslagaanvraag bij het UWV blijkt dat de werkzaamheden van G4S ten behoeve van DJI zodanig specifiek waren, dat dit werk in een aparte Business Unit was ondergebracht (C&JS) en dat de bij DJI werkzame werknemers niet onderling uitwisselbaar werden geacht met enige andere functie binnen G4S. Echter ook wanneer de werkzaamheden ten behoeve van DJI toch als normale arbeid van G4S zouden moeten worden aangemerkt, dan betekent dat niet dat de Waadi niet van toepassing is. Zoals hierboven werd overwogen, werd door G4S personeel, waaronder [appellant] , ter beschikking gesteld aan DJI.

3.5.4

[appellant] en zijn collega’s in het detentiecentrum Alphen aan den Rijn hadden twee leidinggevenden van G4S. Vast staat echter dat deze leidinggevenden zich niet binnen genoemd detentiecentrum bevonden. Ook staat vast dat het afdelingshoofd [A] , in dienst van DJI, aan [appellant] en zijn daar werkzame collega’s - zowel in reguliere situaties als in geval van calamiteiten - opdrachten gaf over de door [appellant] te verrichten werkzaamheden binnen het detentiecentrum. Tezamen met de overige genoemde omstandigheden is aldus sprake van een door G4S uitgeoefend leiding en toezicht over [appellant] . Daarmee week deze situatie wezenlijk af van die, waarvan in de wetsgeschiedenis van de Waadi sprake was, namelijk het onder leiding en toezicht van de opdrachtnemer verrichten van werkzaamheden op het gebied van catering of beveiliging.

3.5.5

De conclusie is dat de eerste grief in incidenteel appel faalt.

3.6

Met haar tweede grief in incidenteel appel stelt G4S dat de werkzaamheden van [appellant] als detentiehouder bij DJI kunnen worden gebracht onder de tekst van de omschrijving van de werkzaamheden in de functiegroep Objectbeveiliger (met functie Beveiliger D) in bijlage 2 van de CAO PB, en dat aldus met toepassing van artikel 8 lid 3 Waadi van de loonverhoudingsnorm van lid 1 van dat artikel is afgeweken. Hiertoe voert G4S aan dat de werkzaamheden die door detentietoezichthouders worden verricht, vallen binnen de (tekst van de) omschrijving van de werkzaamheden van de objectbeveiliger in bijlage 3 van de CAO PB, die luidt: ‘Objectbeveiliger/receptionist. Deze beveiliger verricht beveiligings-, portiers- en receptiediensten op een bepaald object. Door het verrichten van controles en het signaleren van onregelmatigheden oefent de beveiliger preventief toezicht uit, waarbij het kunnen omgaan met of het optreden tegen personen een vereiste is. Toegangscontrole, sleutelbeheer, het ontvangen en registreren van bezoekers, het beantwoorden van de telefoon, etc. behoort tot de taken’. Artikel 38 lid 2 van de CAO PB bepaalt dat voor de indeling van de werknemer in een functiegroep de aard van de werkzaamheden die de beveiliger grotendeels, dat wil zeggen voor meer dan 50% verricht, bepalend is.

3.6.1

Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een cao-bepaling zoals de onderhavige de zogenoemde cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 (DSM/Fox), rov. 4.2-4.5.; HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687, NJ 2017/114 (FNV/Condor), rov. 3.4 en laatstelijk HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:678).

3.6.2

Bijlage 3 van de CAO PB kent een omschrijving van de werkzaamheden van de objectbeveiliger. Een in de cao opgenomen of voor buitenstaanders, zoals [appellant] , kenbare nadere toelichting op deze omschrijving ontbreekt. Naar het oordeel van het hof betreffen de werkzaamheden van de objectbeveiliger zoals genoemd in bijlage 3 van de cao wezenlijk andere werkzaamheden, dan de werkzaamheden verricht door de detentietoezichthouder. De objectbeveiliger beveiligt een object tegen inbreuken van buitenaf, of eventueel tegen inbreuken van binnen uit. De objectbeveiliger beveiligt, zoals ook de naam al aangeeft, objecten. De detentietoezichthouder daarentegen moet toezicht houden op personen, in het bijzonder op personen die gedetineerd zijn. Objectbeveiliging, oftewel vookomen dat er bij een detentiecentrum inbreuken van buitenaf plaatsvinden, is de taak van onder andere portiers, maar niet de taak van detentietoezichthouders. G4S heeft er op gewezen dat de cao-onderhandelaars hebben bedoeld de werkzaamheden van de detentietoezichthouder onder de omschrijving van objectbeveiliger te brengen, maar niet gesteld is, laat staan dat is komen vast te staan, dat deze bedoeling voor [appellant] kenbaar was. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de werkzaamheden van de detentietoezichthouder niet vallen onder de omschrijving van objectbeveiliger/receptionist en dat ook geen andere functie in de CAO PB bestaat die wel overeenkomt met de werkzaamheden van de detentietoezichthouder. Het hof is daarmee van oordeel dat artikel 8 lid 3 Waadi (zowel in de oude tekst als in de nieuwe tekst) niet van toepassing is.

3.6.3

De conclusie is dat de tweede grief in incidenteel appel faalt. Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van het principaal appel.

3.7

[appellant] keert zich met zijn (verder ongenummerde) grieven tegen het oordeel van de kantonrechter en de overwegingen daarbij, inhoudend dat inschaling van hem in het BBRA geen hoger salaris zou hebben opgeleverd dan hetgeen hij daadwerkelijk heeft ontvangen. [appellant] voert aan dat hij behoorde te worden ingedeeld in schaal 8 BBRA, met het daarbij voor hem geldende salaris van € 17,85 bruto per uur. Wanneer dat geschiedt, bestaat onweersproken recht op nabetaling van salaris (het door [appellant] ontvangen bedrag was gebaseerd op een uurloon van € 14,00 bruto). De vraag is derhalve of [appellant] in schaal 8 BBRA thuishoort, of maximaal in schaal 6, in welk laatste geval geen bijbetaling hoeft plaats te vinden. Dat [appellant] niet thuishoort in schaal 7 BBRA is immers niet in geschil.

3.7.1

[appellant] claimt de toepasselijkheid van schaal 8 BBRA, omdat hij naar zijn zeggen de functie Functiebegeleider vervult, althans werkzaamheden verricht die met de werkzaamheden van die Functiebegeleider te vergelijken zijn. De functie Functiebegeleider kent de volgende Resultaatgebieden:

- begeleidt nieuwe medewerkers en volgt medewerkers in hun functioneren;

- coacht en begeleidt en informeert de toegewezen executieve medewerkers;

- neemt deel aan en het werkoverleg;

- draagt bij aan het teamwerk en het teamgevoelen en houdt dit in stand;

- ziet toe op de werkhouding en het gedrag van de toegewezen executieve medewerkers;

- spreekt medewerkers aan op houdingsaspecten en voert indien noodzakelijk correctiegesprek(ken);

- hanteert personeelsinstrumenten zoals functionerings-, pop-gesprekken, treedt op als tweede beoordelaar en draagt zorg voor de registratie en de administratieve afhandeling daarvan;

- draagt bij aan de verzuimbegeleiding en begeleiding tijdens re-integratie; - inventariseert en controleert op de opleiding van de toegewezen medewerkers, en deelname aan sport;

- draagt zorg voor de selectie van geschikte kandidaten door het ondersteunen van het selectieproces en het geven van advies;

- draagt, in opdracht van AH HR, bij aan een effectieve en efficiënte inzet van executieve medewerkers in de vestiging;

- overlegt met AH HR over de realisatie van de bezetting en bewaakt de planning.

3.7.2

DJI kent ook de functie Detentietoezichthouder. Deze functie is ingedeeld in schaal 4 tot en met 6. Bij het onderwerp ‘detentietoezicht’ staan als activiteiten vermeld: voeren van intakegesprekken met ingeslotenen; bewaren van de orde en veiligheid binnen een afdeling; rapporteren/terugkoppelen over verloop van dienst en bijzonderheden; toezicht houden op ingeslotenen tijdens de dagelijkse bezigheden (tevens sport en spel en intern transport); inspecteren van cellen en afdeling in zijn geheel; toezien op de naleving van de veiligheidsregels en hygiëne, fouilleren en visiteren; tijdig signaleren en interveniëren bij dreigende ordeverstoringen; interveniëren in crisissituaties binnen de daarvoor geldende protocollen en richtlijnen.

3.7.3

In zijn arbeidsovereenkomst staat als functie van [appellant] ‘Beveiligingsemploye’ vermeld. G4S heeft in deze procedure aangevoerd dat [appellant] van 2008-2012 de functie ‘Groepsleider’ vervulde. Daartoe werd [appellant] in schaal 6 van de CAO PB ingedeeld. In 2012 werd [appellant] overgeplaatst van het detentiecentrum Alphen aan den Rijn, naar dat in Rotterdam. Aldaar wenste hij niet langer Groepsleider te zijn, en werd hij ingezet als (gewoon) beveiliger/detentietoezichthouder. Mede vanwege door [appellant] verrichte bijzondere werkzaamheden (zoals het lidmaatschap van het IBT-team) en het ontbreken van een demotieregeling werd zijn inschaling in schaal 6 gehandhaafd. Toen [appellant] medio 2013 werd teruggeplaatst naar Alphen aan den Rijn, verrichte hij niet meer de werkzaamheden van Groepsleider, aldus G4S.

3.7.4

[appellant] heeft in eerste aanleg, bij conclusie van repliek, gesteld dat hij is aangenomen als detentietoezichthouder, en niet als objectbeveiliger. Hij heeft daarbij een uitgebreide weergave gemaakt van ‘een typische werkdag als groepsleider’. In die weergave maakt hij er melding van dat hij voor dienstaanvang inlogt, dat hij dan gescreend wordt, dat hij eenmaal binnen gekomen de gedetineerden telt en kijkt naar tekenen van leven en daarvan melding maakt aan het afdelingshoofd en dat hij met het afdelingshoofd verzwarende omstandigheden bespreekt, dat hij de orde, rust en veiligheid op de afdeling handhaaft en gesprekken voert met gedetineerden. Wanneer zich een calamiteit voordoet slaat hij als eerste alarm en kan instructies krijgen van het afdelingshoofd en dan als IBT-commandant het IBT-team te leiden. Bij het vertrek controleert hij de gedetineerden op de afdeling en maakt daarvan melding aan het afdelingshoofd. [appellant] maakt, afgezien van de situatie van calamiteiten, geen melding van het op een ‘typische werkdag’ verrichten van leidinggevende werkzaamheden, terwijl hij in dat overzicht wel rept over de mogelijkheid van calamiteiten, en dus ook oog heeft gehad voor bijzonderheden die zich op een dag kunnen voordoen.

3.7.5

Nadat de kantonrechter bij tussenvonnis had overwogen dat uit de door [appellant] verstrekte informatie nauwelijks bleek van leidinggevende elementen in diens functie, maar dat hij in de gelegenheid werd gesteld een en ander nader toe te lichten, heeft [appellant] een aangepaste weergave opgesteld van de normaliter door hem verrichte werkzaamheden. In die weergave wordt wel nadrukkelijk melding gemaakt van leidinggevende werkzaamheden, zoals het bij elke aanvang van dienst controleren van de tijdige aanwezigheid van de detentietoezichthouders van G4S, als ook de aanwezigheid van de vereiste (afdelings)sterkte, de volledigheid van de vereiste uitrusting en de orde en netheid van de kleding. [appellant] verdeelde naar zijn zeggen de taken van de dag, hij hield toezicht op de correcte uitvoering van de werkzaamheden van de toezichtdetentiehouders, onderlinge verstandhoudingen die het werken op de afdeling in gevaar konden brengen werden met hem besproken en door [appellant] met het afdelingshoofd besproken. [appellant] controleerde deelname van de detentietoezichthouders aan sport en zelfverdediging/geweldstoepassing en bij onrechtmatige onttrekking meldde hij dit aan het afdelingshoofd. [appellant] maakte verslag van de functioneringsgesprekken en besprak die met de betrokken detentietoezichthouders, waarna die verslagen door dezen en hemzelf werden ondertekend. [appellant] benaderde verzuimende detentietoezichthouders over de oorzaak van hun verzuim, maakte daarvan verslag en informeerde het afdelingshoofd daarover. Alle genoemde activiteiten werden door [appellant] ingebracht in het wekelijkse werkoverleg met het afdelingshoofd, aldus [appellant] .

3.7.6

[appellant] heeft de volgende schriftelijke verklaringen ingebracht.

a. [A] , in dienst bij DJI, afdelingshoofd van het Detentiecenterum Alphen aan den Rijn, verklaart in een ongedateerd getuigschrift onder andere dat [appellant] gedurende de periode april 2008 tot juni 2014 te werk is gesteld als Groepsleider en de volgende werkzaamheden heeft verricht: begeleiden van nieuwe medewerkers en volgen van nieuwe medewerkers in hun functioneren; coachen en begeleiden en informeren van de toegewezen medewerkers; deelnemen aan en (bij afwezigheid van het afdelingshoofd) voorzitten van het werkoverleg; bijdragen aan het teamwerk en teamgevoelen in stand houden; toezien op de werkhouding en het gedrag van de toegewezen medewerkers; medewerkers aanspreken op houdingsaspecten en indien nodig het voeren van correctiegesprek(ken); hanteren van personeelsinstrumenten zoals functionerings-, pop-gesprekken, het optreden als tweede beoordelaar en zorgdragen voor registratie en administratieve afhandeling daarvan; bijdragen aan de verzuimbegeleiding en de begeleiding tijdens re-integratie; inventarisatie van en controleren op de opleiding van de toegewezen medewerkers, en deelname aan sport; zorgdragen voor de selectie van geschikte kandidaten door het ondersteunen van het selectieproces en het geven van advies; bijdragen in opdracht van afdelingshoofd aan een effectieve en efficiënte inzet van medewerkers en overleg over de realisatie van de bezetting en bewaking van de planning.

b. [B] , werkzaam bij DJI. Zij verklaart: “Hetgeen het iets anders maakt is dat jullie meewerkend voorman/vrouw waren. Maar qua invulling komt het mijns inziens het meest overeen met de functies functiebegeleider DBV of teamleider beveiliging GW, al zijn dat echt alleen leidinggevenden en niet meewerkend voormensen.”

c. [C] , afdelingshoofd veiligheid en portiers, Detentiecentrum Rotterdam. Hij verklaart in een ongedateerd getuigschrift dat [appellant] van december 2012 tot september 2013 bij het detentiecentrum in Rotterdam als groepsleider via G4S werkzaam is geweest, en dat naast de dagelijkse aansturing onder andere ook het houden van functioneringsgesprekken en het begeleiden van nieuwe medewerkers onder hem viel als ook dat hij ‘moeilijke’ kanten van het groepsleiderschap diende te verrichten, zoals slecht nieuws en verzuim gesprekken.

d. [D] , G4S en als Unit Manager direct leidinggevende van [appellant] in Alphen aan den Rijn. Hij stelt in een schriftelijke verklaring op 1 maart 2018 onder andere het volgende. Het staat vast dat de functie van groepsleider G4S binnen de organisatie van DJI feitelijk dezelfde werkzaamheden uitvoerde als de functiebegeleider van DJI. [D] maakt hierbij melding van de feitelijk door [appellant] verrichte werkzaamheden. Deze komen grotendeels overeen met de functievereisten van de Functiebegeleider, zoals vermeld onder 3.7.1.

3.7.7

G4S heeft er op gewezen dat in de schriftelijke verslagen van de met [appellant] gehouden functioneringsgesprekken, niets is opgemerkt over het door hem moeten uitoefenen of hebben uitgeoefend van leidinggevenden taken. Daarentegen wordt er wel melding van gemaakt dat [appellant] in teamverband kan werken en zich flexibel en collegiaal opstelt naar collega’s en leidinggevenden.

3.7.8

G4S heeft een schriftelijke verklaringen ingebracht van de volgende personen:

a. [E] , HR Adviseur DJI. Hij schrijft dat de werkzaamheden van een detentietoezichthouder niet – zelfs niet bij benadering – te vergelijken zijn met die van een Functiebegeleider. De Functiebegeleider vormt samen met het Afdelingshoofd het zogenaamde duale management van een afdeling. De taken van de Functiebegeleider zijn uitsluitend leidinggevend en organisatorisch van aard en dus niet uitvoerend van aard. Detentietoezichthouders hadden geen geweldsinstructie, dat wil zeggen beschikten niet over het geweldsmonopolie (waaronder het met zogenaamde harde middelen ingrijpen, zoals wapenstok, pepperspray en handboeien). De detentietoezichthouder hoort thuis in schaal 4/5 BBRA.

b. [F] , destijds directeur operaties bij G4S. [F] stelt dat [D] een gekleurde weergave heeft genoemd van de taken van de groepsleidersfunctie bij G4S. Ook stelt hij dat [appellant] , kennelijk op verzoek van [D] , enkele van diens werkzaamheden heeft overgenomen.

3.8

Nu [appellant] stelt dat de door hem verrichte werkzaamheden behoren te worden ingedeeld in schaal 8 BBRA en hij daarom recht heeft op nabetaling, rust op hem, nu G4S gemotiveerd betwist dat hij thuishoort in schaal 8 BBRA en dat hij te weinig loon heeft ontvangen, de bewijslast dat de door hem verrichte werkzaamheden vallen onder schaal 8 BBRA. Hetgeen [appellant] daartoe thans heeft ingebracht is onvoldoende om zulks bewezen te achten.

3.9

[appellant] heeft nadrukkelijk bewijs aangeboden van zijn stelling dat hij had moeten worden ingeschaald in schaal 8 BBRA. Hij noemt daarbij het als getuigen horen van [C] , [A] en [D] . Nu het horen van de door [appellant] genoemde getuigen zou kunnen bijdragen aan het hiervoor genoemde bewijs, zal [appellant] worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling, dat de door hem van 2009 tot 2014 verrichte werkzaamheden vallen onder schaal 8 BBRA.

3.10

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

4 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

laat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stelling dat de door hem van 2009 tot 2014 verrichte werkzaamheden vallen onder schaal 8 BBRA;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal kunnen plaatsvinden voor mr. G.C. Boot, daartoe als raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en uur;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 19 maart 2019 voor opgave door de advocaat van [appellant] van de te horen getuigen en van de verhinderdata van partijen en de getuigen in de maanden februari tot en met juni 2019;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, A.S. Arnold en E.W. de Groot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.