Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4700

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
07-01-2020
Zaaknummer
23-003348-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijke invoer van cocaïne via Schiphol

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003348-18

datum uitspraak: 6 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer

15-104488-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Aruba) op [geboortedag] 1993,

gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

23 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde aangezien hij geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het in Nederland invoeren van de in zijn koffer aangetroffen cocaïne.

De raadsman heeft hiertoe kort samengevat aangevoerd dat de verdachte op eigen verzoek een koffer van een zekere [medeverdachte] heeft geleend en niet op de hoogte was van het feit dat zich in de koffer een dubbele bodem bevond waarin cocaïne verborgen was. Voorafgaande het inpakken van de koffer is de verdachte niets opgevallen en heeft hij geen vreemde geur geroken. Ook op de luchthaven van Aruba, waar de koffer is opengemaakt en gecontroleerd, heeft niemand de cocaïne opgemerkt, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Niet ter discussie staat dat de verdachte met een vlucht vanuit Aruba op 28 mei 2018 op Schiphol is gearriveerd en dat na controle is gebleken dat er 1.444,8 gram cocaïne in zijn koffer zat.

Volgens vaste jurisprudentie heeft te gelden dat een passagier, die per vliegtuig bagage vervoert, met de inhoud daarvan bekend is en voor die inhoud dan ook verantwoordelijk is. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken.

Het hof is van oordeel dat daarvan niet is gebleken en stelt in dat verband het volgende vast.

De verdachte heeft voorafgaande aan zijn vlucht naar Nederland via WhatsApp contact gehad met ene [medeverdachte]. Genoemde gesprekken lijken betrekking te hebben op (het vervoeren van) verdovende middelen. De verdachte heeft op 23 mei 2018 gevraagd wanneer hij ‘het ding’ gaat zien, waarop [medeverdachte] heeft geantwoord dat het ‘een goed ding is’ en dat ‘het goed komt’. Ook op 24 mei 2018 heeft de verdachte gesprekken gevoerd via WhatsApp, waarin onder meer gesproken wordt over ‘twee zendingen’ en waarbij [medeverdachte] de verdachte liet weten dat ze konden genieten van ‘la paca’ in hun zak. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat ‘la paca’ geld betekent.

Na aankomst op Schiphol heeft de verdachte een WhatsApp-bericht van [medeverdachte] ontvangen, waarin deze de verdachte vroeg waar hij was, zodat ‘[naam]’ hem kon ophalen, en tegen de verdachte zei dat hij naar Burger King moest gaan. Daar aangekomen trof de verdachte twee mannen aan die hem in opdracht van [medeverdachte] kwamen ophalen.

Tegenover de hiervoor voor het aannemen van opzet redengevende omstandigheden mag een verklaring van de verdachte worden verwacht.

De verdachte heeft enerzijds verklaard dat hij voor zichzelf een koffer had geleend van [medeverdachte], omdat hij niet beschikte over een grote koffer. Maar ook dat [medeverdachte] op dezelfde dag als de verdachte op Schiphol zou aankomen en dat [medeverdachte] twee koffers had ingecheckt, maar omdat dit niet kon bij de [maatschappij] zou [medeverdachte] de koffer op de dag van aankomst van de verdachte overnemen. De verdachte heeft niet kunnen uitleggen wat hij vervolgens zonder koffer zou doen. Deze verklaringen zijn tegenstrijdig, reeds omdat de verdachte in het eerste geval voor zichzelf de koffer wilde meenemen en in het tweede geval voor Emelio.

De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] hem erin moet hebben geluisd en dat hij geen contact meer met hem heeft gehad na zijn aanhouding. De verdachte heeft die [medeverdachte] er dus niet op aangesproken.

De verdachte heeft over de met [medeverdachte] gevoerde WhatsApp-gesprekken verklaard dat deze betrekking hebben op de reparatie van de auto van [medeverdachte], terwijl dat uit de gesprekken en de context daarvan niet kan worden afgeleid. De verdachte heeft geen concrete en verifieerbare gegevens op dit onderdeel verstrekt, zodat dit niet aannemelijk is geworden.

Het hof acht het door de verdachte geschetste scenario onaannemelijk, nu de verdachte evenmin verdere, voor het hof nader verifieerbare gegevens heeft verstrekt die het door hem geschetste scenario zouden kunnen onderbouwen. Het is op zijn minst opvallend te noemen dat de verdachte niet in staat is geweest enig bewijs voor het bestaan van [medeverdachte] te leveren, terwijl die [medeverdachte] naar zijn zeggen een familievriend is. Het dossier bevat ook overigens geen enkel concreet en deugdelijk aanknopingspunt wat het alternatieve scenario van de verdachte ondersteunt.

Het hof acht evenals de rechtbank dan ook bewezen dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen Nederland heeft gebracht en derhalve opzet heeft gehad op het invoeren van de in de koffer aangetroffen hoeveelheid cocaïne in Nederland.

Het door de raadsman gevoerde en tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 mei 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht de op te leggen sanctie tot de helft te beperken omdat de verdachte na zijn aanhouding heeft meegewerkt om de twee mannen die hem op Schiphol kwamen afhalen te kunnen arresteren en omdat de verdachte niet voor strafonderbreking in aanmerking komt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van bijna anderhalve kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding en (groot)handel in harddrugs en als afgeleide het gebruik ervan, betekenen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid, brengen onrust voor de samenleving met zich en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft gelet op de hoogte van de straffen die plegen te worden opgelegd aan koeriers die een hoeveelheid van één tot anderhalve kilogram aan harddrugs hebben ingevoerd. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de oriëntatiepunten van het LOVS. Voor de invoer van een dergelijke hoeveelheid harddrugs wordt een gevangenisstraf voor de duur van 8 tot 12 maanden als uitgangspunt passend geacht. Het hof heeft geen aanknopingspunten gezien om van de oriëntatiepunten af te wijken. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de medewerking van de verdachte niet van die orde is dat dit strafmatiging zou rechtvaardigen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. N.A. Schimmel en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W.M. Lut, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 februari 2019.

mr. J.G.W.M. Lut is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.=========================================================================

[…]