Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:462

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
23-001043-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voorbereidings-/bevorderingshandelingen invoer cocaine. Niet buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen dat de verdachte met zijn handelwijze op de luchthaven een bijdrage heeft willen leveren aan de (verlengde) invoer van de cocaine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001043-15

datum uitspraak: 14 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 februari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-801133-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 en

31 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding van 9 december 2013 ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 2 oktober 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (te weten ongeveer 11.979 gram netto), zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 2 oktober 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam en/of Hoofddorp en/of (elders in) Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (te weten ongeveer 11.979 gram netto), zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of diens mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of diens mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

- ( meermalen) met elkaar en/of met (een contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemer(s) (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- ( meermalen) afspraken gemaakt en/of overleg gevoerd en/of gesproken met elkaar over het in ontvangst nemen van verdovende middelen en/of het geven van instructies/aanwijzingen aan een mededader en/of een persoon genaamd [medeverdachte 1] en/of

- zich als medewerker van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2], al dan niet tijdens werktijd, beschikbaar gesteld en/of gehouden en/of zich daarbij opgehouden in een of meerdere vertrek(ken) van de Luchthaven Schiphol en/of

(vervolgens) aanwijzigingen/inlichtingen verschaft aan een een persoon, genaamd [medeverdachte 1], in welke richting en/of naar welk vertrek zich deze [medeverdachte 1] diende te begeven en/of alwaar deze [medeverdachte 1] een zich bij zich dragende/met zich vervoerende (rug)tas diende te deponeren/achter te laten en/of

(vervolgens) een (rug)tas van [medeverdachte 1] in ontvangst genomen en/of een (rug)tas welke die [medeverdachte 1] had achtergelaten opgepakt en/of verplaatst en/of (vervolgens) een (rug)tas opengemaakt en/of uit voornoemde (rug)tas meerdere pakketten genomen en/of gedeponeerd in/op een (schoonmaak)emmer en/of kar en/of

- een auto voorhanden/ter beschikking gehad waarin de cocaïne vervoerd kon worden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Nu de advocaat-generaal dit ook heeft gevorderd, terwijl dit eveneens is bepleit door de raadsvrouw, wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd.

Naar het oordeel van het hof is evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair is ten laste gelegd. Dat oordeel berust op het volgende.

[medeverdachte 1] heeft op 2 oktober 2013 als passagier van een vlucht van Peru naar Amsterdam een hoeveelheid van bijna 12 kilogram (van een materiaal bevattende) cocaïne ingevoerd. De cocaïne bevond zich in pakketten in een door hem meegevoerde rugtas. Volgens afspraak moest [medeverdachte 1] die rugtas op de luchthaven Schiphol achterlaten in de buurt van gate D21, waarna een ander de drugs zou meenemen. Na zijn aankomst op Schiphol zijn de drugs door opsporingsambtenaren onderschept en vervangen door pakketten papier. Teneinde de ophaler(s) van de drugs te achterhalen is [medeverdachte 1] onder observatie van opsporingsambtenaren alsnog met de rugtas (met daarin pakketten papier) naar gate D21 getogen en heeft de rugtas daar achtergelaten. Vervolgens heeft de medeverdachte [medeverdachte 2] de tas daar gepakt en onder zich genomen.

De verdachte, die op Schiphol werkte en onder andere schoonmaakwerkzaamheden verrichtte, bevond zich op 2 oktober 2013 op de D-pier, ook toen [medeverdachte 1] zich naar gate D21 begaf. Hij heeft [medeverdachte 1], terwijl deze ter hoogte van gate D12 bij een telefooncel stond, op de schouder getikt en hem vervolgens met zijn arm gewezen in de richting van gate D21. Kort daarvoor heeft de verdachte bij gate D21 staan praten met - in ieder geval - [medeverdachte 2]. Door geen plausibele verklaring te geven voor zijn handelwijze op de luchthaven en zelfs opzichtig te ontkennen dat hij [medeverdachte 1] op de schouder heeft getikt (dossierparagraaf 4.3), heeft de verdachte zichzelf in een verdachte hoek geplaatst. Toch acht hof het voorgaande niet toereikend om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat hij met zijn handelwijze op de luchthaven een bijdrage heeft willen leveren aan de (verlengde) invoer van de drugs. Daarbij is in aanmerking genomen dat onbekend is waarover de verdachte met [medeverdachte 2] heeft gesproken en dat uit het voorgaande noch uit andere stukken uit het dossier met een voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat de verdachte, toen hij naar gate D21 wees, wist dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 1] daar drugs zou deponeren. Een en ander wordt niet anders door de omstandigheid dat hij de dag na de invoer 14 maal telefonisch contact heeft gezocht met de medeverdachte

[medeverdachte 3], reeds omdat het hof ook van laatstgenoemde niet kan vaststellen dat hij zich op strafbare wijze met de voorbereiding of bevordering van de (verlengde) invoer van drugs heeft ingelaten. Dat de verdachte zich op een van de andere tenlastegelegde manieren aan de voorbereiding of bevordering van en drugstransport heeft schuldig gemaakt, is niet gebleken. Bij die stand van zaken dient de verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

14 februari 2019.

[…]