Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4615

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
01-01-2020
Zaaknummer
18/00630
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:8511, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Oorspronkelijk arrest: ECLI:NL:GHAMS:2021:588
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Uitgaven voor specifieke zorgkosten.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/9
Viditax (FutD), 02-01-2020
FutD 2020-0127
V-N 2020/11.24.8
NTFR 2020/183
NLF 2020/0178 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 18/00630

5 november 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.A. Klaver),

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/5571 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

(gemachtigde: H.P.E. Bourne).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 23 december 2016 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.552.

1.2.

Na tegen de hiervoor vermelde aanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak op bezwaar, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.900.

1.3.

Bij uitspraak van 8 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 12 november 2018, aangevuld bij brief van 9 december 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2019. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde voornoemd en, namens de inspecteur, H.P.E. Bourne en M. Gomez. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met de uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Feiten

1. Eiser is gehuwd met [Y] . Eiser heeft voor het jaar 2015 een aangifte ib/pvv ingediend. In de aangifte is een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 9.250. Er is een bedrag van € 5.302 wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen.

2. Met dagtekening 23 december 2016 heeft verweerder een aanslag ib/pvv voor het jaar 2015 aan eiser opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.452. Er is geen aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten verleend.

3. Het door eiser ingediende bezwaarschrift heeft ertoe geleid dat verweerder een aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft verleend van € 3.652.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe.

2.2.

Ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende (het origineel van) een verklaring van de huisarts van hem en zijn vrouw overgelegd, gedagtekend 21 januari 2019 en voorzien van handtekening en stempelafdruk van deze huisarts. Deze verklaring luidt:

“1) De heer [X] 2013-2014

Geboortedatum: [..-..-....]

Lijdt aan incontinentie/onbedoeld vochtverlies, vanwege prostaatproblemen

Sinds 2010 = permanent

2) mevrouw [Y] 2013-2014

Geboortedatum: [..-..-....]

Lijdt (lijden) aan huidproblemen/huideczeem.

Er is zalf/crème voorgeschreven ter bestrijding/behandeling van deze ziekte.

Sinds 2010 = permanent

Aldus verklaard en ondertekend

(…)”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

- heeft belanghebbende recht op een aftrek wegens uitgaven voor andere hulpmiddelen als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, onder d, van de Wet IB 2001?

- heeft belanghebbende recht op een aftrek wegens uitgaven voor extra kleding en beddengoed (voor hemzelf en zijn echtgenote) als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, onder g, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Uitgaven voor andere hulpmiddelen; batterijen voor een hoorapparaat

4.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek wegens uitgaven voor andere hulpmiddelen. Aan dit oordeel heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd:

“7. Eiser verzoekt om aftrek van kosten voor de aanschaf van batterijen voor zijn hoorapparaat en heeft daarvoor een stelpost van € 70 opgevoerd. Hij stelt dat een stelpost voor batterijen voor een hoorapparaat in een andere zaak in de aanslagregeling door verweerder is geaccepteerd zonder dat bonnen en betaalbewijzen zijn overgelegd en legt een kopie van de correspondentie in die andere zaak over. De rechtbank is van oordeel dat niet met een stelpost kan worden volstaan en dat vanwege het ontbreken van de facturen en betaalbewijzen niet aannemelijk is gemaakt dat de opgevoerde kosten in 2015 daadwerkelijk zijn gemaakt en op eiser hebben gedrukt. Dat in een andere zaak door verweerder wel op basis van een stelpost een aftrek van € 100 is verleend voor batterijen voor een hoorapparaat, leidt niet tot een ander oordeel, nu uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, niet aannemelijk is geworden dat verweerder met de verlening van de aftrek jegens één of meer andere belastingplichtigen toepassing heeft gegeven aan een door verweerder gevoerd (begunstigend of interpretatief) beleid dan wel dat verweerder daarmee het oogmerk van begunstiging had. Hieruit volgt dat verweerder niet gehouden is jegens eiser een zelfde lijn te volgen. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel zou eiser daarnaast kunnen baten indien verweerder in een meerderheid van de met eiser vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege heeft gelaten. Daarvan is echter evenmin gebleken. Verweerder heeft terecht geen aftrek verleend voor uitgaven voor batterijen voor een hoorapparaat.”

4.2.

Het Hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, werpt geen ander of nieuw licht op de zaak.

Uitgaven voor extra kleding en beddengoed

4.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek wegens uitgaven voor extra kleding en beddengoed voor hemzelf en zijn echtgenote. Aan dit oordeel heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd:

“8. Eiser stelt dat hij recht heeft op aftrek voor uitgaven voor extra kleding en beddengoed voor hemzelf en voor zijn echtgenote. Hij heeft daartoe een door zijn gemachtigde handgeschreven en van een stempel en paraaf van de huisarts voorziene verklaring overgelegd, inhoudende dat eiser lijdt aan prostaatproblemen/onbedoeld vochtverlies en dat zijn echtgenote lijdt aan huidproblemen/huideczeem en zalf/crème gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij in het onderhavige jaar last had van incontinentie en dat zijn echtgenote in het onderhavige jaar last had van huidproblemen, laat staan dat deze aandoeningen ten minste een jaar hebben geduurd of vermoedelijk zullen duren. Verweerder heeft terecht geen aftrek wegens uitgaven voor extra kleding en beddengoed verleend.”

4.4.

In hoger beroep heeft belanghebbende de onder 2.2 aangehaalde verklaring van de huisarts overgelegd. De inspecteur heeft in reactie op de verklaring betoogd dat deze, zoals vermeld door de huisarts, is afgegeven voor de jaren 2013 en 2014, zodat aan de verklaring geen bewijs kan worden ontleend voor het jaar 2015. Het Hof volgt de inspecteur hierin niet. Zowel voor belanghebbende als voor zijn echtgenote heeft de huisarts aan de verklaring toegevoegd “sinds 2010 = permanent”. Hiermee heeft de huisarts tot uitdrukking gebracht dat sprake is van chronische aandoeningen, waar beiden reeds sinds 2010 aan lijden.

Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende daarom, met het overleggen van deze verklaring, voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat hij in het jaar 2015 leed aan prostaatproblemen welke leidden tot onbedoeld vochtverlies en dat zijn vrouw in 2015 leed aan een huidaandoening waarvoor zij een zalf of crème diende te gebruiken.

4.5.

De inspecteur heeft, ook na kennisneming van de verklaring van de huisarts, niet betwist dat voornoemde lichamelijke gebreken kosten met zich hebben gebracht voor de aanschaf van extra kleding en beddengoed. Evenmin is tussen partijen in geschil dat deze kosten op belanghebbende hebben gedrukt. Hieruit volgt dat belanghebbende in aanmerking komt voor de door hem verlangde aftrek van tweemaal € 310. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

4.6.

Gelet op het vorenoverwogene dient het inkomen uit werk en woning als volgt te worden berekend:

Inkomen (pensioen + AOW) € 14.552

Specifieke zorgkosten

- dieetkosten € 1.900

- extra kleding en beddengoed € 620 +

€ 2.520

Verhoging 113% € 2.848 +

€ 5.368

Drempel € 395 -/-

Aftrekbare specifieke zorgkosten € 4.973 -/-

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 9.579

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

5 Kosten

Het Hof vindt aanleiding voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 in verbinding met artikel 8:108 van de Awb. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 4,5 [beroepschrift, repliek, zitting rechtbank, hoger beroepschrift en zitting Hof] x € 512 x 1 = € 2.304.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, behoudens voor wat betreft de kostenvergoeding;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.579;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.304;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 46 (beroep bij de rechtbank) en € 126 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 172 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 5 november 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.