Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:460

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
01-05-2019
Zaaknummer
23-001075-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van voorbereiding/bevorderen invoer cocaine. Vrijspraak medeplegen. Dat de door de koerier ingevoerde cocaine reeds door de douane in beslag was genomen staat i.c. aan een bewezenverklaring niet in de weg. Nadere bewijsoverwegingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001075-15

datum uitspraak: 14 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 februari 2015 in de strafzaak onder parketnummer

15-801126-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag],

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

24 en 31 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek

van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding van 9 december 2013 ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 2 oktober 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (te weten ongeveer 11.979 gram netto), zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 2 oktober 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam en/of Hoofddorp en/of (elders in) Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (te weten ongeveer 11.979 gram netto), zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of diens mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of diens mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

- ( meermalen) met elkaar en/of met (een contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemer(s) (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- ( meermalen) afspraken gemaakt en/of overleg gevoerd en/of gesproken met elkaar over het in ontvangst nemen van verdovende middelen en/of het geven van instructies/aanwijzingen aan een mededader en/of een persoon genaamd [medeverdachte 1] en/of

- zich als medewerker van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , al dan niet tijdens werktijd, beschikbaar gesteld en/of gehouden en/of zich daarbij opgehouden in een of meerdere vertrek(ken) van de Luchthaven Schiphol en/of

(vervolgens) aanwijzigingen/inlichtingen verschaft aan een een persoon, genaamd [medeverdachte 1] , in welke richting en/of naar welk vertrek zich deze [medeverdachte 1] diende te begeven en/of alwaar deze [medeverdachte 1] een zich bij zich dragende/met zich vervoerende (rug)tas diende te deponeren/achter te laten en/of

(vervolgens) een (rug)tas van [medeverdachte 1] in ontvangst genomen en/of een (rug)tas welke die [medeverdachte 1] had achtergelaten opgepakt en/of verplaatst en/of (vervolgens) een (rug)tas opengemaakt en/of uit voornoemde (rug)tas meerdere pakketten genomen en/of gedeponeerd in/op een (schoonmaak)emmer en/of kar en/of

- een auto voorhanden/ter beschikking gehad waarin de cocaïne vervoerd kon worden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, kwalificatie en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Nu de advocaat-generaal dit ook heeft gevorderd, terwijl dit eveneens is bepleit door de raadsman, wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal met nummer PL27RP/13-071208 van 2 oktober 2013, in de wettelijke vorm

opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierparagraaf 0.7).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

Naar aanleiding van de grote toevoer van verdovende middelen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, vanuit diverse risicolanden waaronder Peru, Lima, werd op 2 oktober 2013 omstreeks 15:30 uur door de Douane, Unit Fysiek Toezicht Passagiers, een verscherpte controle uitgevoerd op vlucht KL744 vanuit Peru op de F-pier ter hoogte van gate F03 van de luchthaven Schiphol. Wij waren belast met de controle op passagiers komende vanuit bovengenoemde vlucht.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag omstreeks 15:40 uur dat een mij onbekende man mij wilde passeren. De man droeg een zwarte rugzak. De man overhandigde mij desgevraagd een Ecuadoraans paspoort en een vliegticket. Het paspoort was voorzien van een goed gelijkende foto. Uit het paspoort kon ik opmaken dat de man was genaamd:

[medeverdachte 1] .

Op het vliegticket las ik dat deze ten name was gesteld van [medeverdachte 1] en dat hij op 1 oktober 2013 vanuit Peru, Lima, naar Amsterdam is vertrokken. Ik wilde de zwarte rugtas die [medeverdachte 1] meevoerde aan een controle onderwerpen. [medeverdachte 1] plaatste de rugtas op de grond. Ik heb de rugtas geopend en zag hierin enkele kledingstukken. Nadat ik de kledingstukken uit de tas had verwijderd zag ik diverse transparante plastic pakketten, inhoudende een witte substantie. Ik telde negen pakketten.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb met [medeverdachte 1] een gesprek in het Spaans gevoerd. [medeverdachte 1] en ik zijn de Spaanse taal voldoende machtig.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb met een fretboortje een gaatje geboord in een willekeurig gekozen pakket. Bij het terugtrekken zag ik dat er een witte substantie, die qua kleur en samenstelling geleek op cocaïne, aan mijn fretboortje bleef kleven. Ik heb de aangetroffen substantie getest met een van rijkswege verstrekte MMC cocaïne testset. De uitslag gaf een positieve kleurreactie, zodat aangenomen mag worden dat de aangetroffen substantie vermoedelijk cocaïne bevat.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb [medeverdachte 1] op 2 oktober 2013 te 15:50 uur aangehouden als verdachte van vermoedelijk overtreding van artikel 2 Opiumwet en heb hem dit ter plekke medegedeeld. Ik heb telefonisch contact opgenomen met de hulpofficier van justitie. Deze heeft mij toestemming gegeven om [medeverdachte 1] te verzoeken of hij wil meewerken bij het onderkennen van eventuele afhalers of opdrachtgevers. Desgevraagd deelde [medeverdachte 1] mij mede dat:

- hij vrijwillig wil meewerken degenen die zijn rugzak met de zogenoemde pakketten cocaïne over zouden nemen te onderkennen;

- hij een telefoonnummer moest bellen om mede te delen dat hij aangekomen is en vervolgens naar gate D21 moest lopen om de rugzak over te dragen;

- hij de personen die het van hem overnemen niet kent, dat in Lima foto’s van hem zijn gemaakt zodat de afhalers hem op Schiphol zouden kunnen herkennen.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb de zwarte rugtas en de negen pakketten, inhoudende vermoedelijk cocaïne, in beslag genomen.

Omstreeks 16:30 uur zijn [medeverdachte 1] en de rugtas, inhoudende de negen pakketten, overgedragen aan medewerkers van het Douane Burgerteam en het Schipholteam van de Koninklijke Marechaussee ten behoeve van het vervolgonderzoek.

2. Een proces-verbaal met nummer PL27RP/13-071208 van 3 oktober 2013, in de wettelijke vorm

opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (dossierparagraaf 0.8).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

Op 2 oktober 2013 omstreeks 15:50 uur ontving het Drugs Team Schiphol een telefonische melding van de Douane uniformdienst dat zij een man, afkomstig van vlucht KL744 komende uit Lima, Peru, hadden aangehouden met in zijn handbagage een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen.

Bevindingen [verbalisant 3]

Op genoemde datum omstreeks 16:17 uur arriveerde ik, verbalisant [verbalisant 3] , samen met collega [verbalisant 8] op pier G, gate G10, van de luchthaven Schiphol. Daar werd ik door de aanwezige douaniers gewezen op een man die later bleek te zijn genaamd:

[medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] was in het bezit van een zwarte rugtas, zoals beschreven in het proces-verbaal van bevindingen van de Douane van 2 oktober 2013 [het hof begrijpt: het onder 1 genoemde proces-verbaal]. Ik heb mij tegenover [medeverdachte 1] gelegitimeerd in de Spaanse taal als opsporingsambtenaar der Koninklijke Marechaussee. Tijdens het gesprek dat [medeverdachte 1] voerde met [verbalisant 2] van de Douane uniformdienst gaf [medeverdachte 1] aan dat de vermoedelijk verdovende middelen zouden moeten worden overgedragen ter hoogte van de D-pier, gate D21. [verbalisant 2] is de Spaanse taal voldoende machtig. [medeverdachte 1] gaf te kennen dat hij wilde meewerken aan een observatie om mogelijke afhalers/opdrachtgevers te onderkennen.

De officier van justitie in het arrondissement Haarlem gaf op 2 oktober 2013 toestemming voor een observatie met als doel personen die mogelijk waren betrokken bij de drugssmokkel op te sporen.

Hierna heb ik de 9 pakketten vermoedelijk verdovende middelen uit de rugtas verwijderd en vervangen door neppakketten, zijnde blauwe pakken printpapier.

Ik heb [medeverdachte 1] - door collega [verbalisant 2] van de Douane in de Spaanse taal - medegedeeld dat deelname aan de observatie inhoudt dat:

- hij hierdoor geen strafvermindering zou gaan krijgen;

- hij op elk moment kon aangeven dat hij zijn medewerking zou kunnen beëindigen;

- hij de eerder door de organisatie verkregen instructies gewoon zou moeten gaan opvolgen.

[medeverdachte 1] gaf aan dit te hebben begrepen en graag te willen meewerken.

Bijstand CTR

Tijdens de observatie is gebruik gemaakt van de Camera Toezicht Ruimte (CTR) van de Koninklijke Marechaussee, welke de beschikking heeft over meerdere beweegbare camera’s op Schiphol. Verbalisant [verbalisant 6] heeft live meegekeken en hiervan verslag bijgehouden. Tevens zijn er meerdere snapshots van deze beelden gemaakt, die later bij het dossier zullen worden gevoegd.

Observatie

Op 2 oktober 2013 te 16:45 uur werd de observatie gestart.

Ik, verbalisant [verbalisant 3] , zag dat [medeverdachte 1] ter hoogte van pier G, gate 10, telefonisch contact zocht met het nummer dat hij kennelijk moest bellen na aankomst in Nederland en vermoedelijk in de Spaanse taal een gesprek voerde. Ik hoorde [medeverdachte 1] “D beinte uno” zeggen, wat vrij vertaald in het Nederlands D21 betekent. Hierna zijn [medeverdachte 1] en ik richting pier D gate 21 gelopen. Omstreeks 16:59 uur kwamen wij aan op de D-pier ter hoogte van gate 21.

Bevindingen [verbalisant 6]

Op 2 oktober 2013 bevond ik, verbalisant [verbalisant 6] , mij in de CTR van de Koninklijke Marechaussee. Ik zag door middel van camerabeelden het volgende.

Om 17:00 uur verplaatste [medeverdachte 1] zich in de richting van gate 21 van de D-pier. [medeverdachte 1] liep naar een telefooncel, pakte de hoorn, keek op zijn telefoon en probeerde kennelijk te bellen. Ik zag zijn lippen niet bewegen en kort nadat hij de hoorn aan zijn oor had gehouden hing hij deze weer op.

[medeverdachte 1] liep in de richting van de D-pier gate 21 en ging daar zitten. Om 17:22 uur probeerde [medeverdachte 1] bij een KPN telefooncel een telefoongesprek te voeren. Ditmaal zag ik de lippen van [medeverdachte 1] bewegen en zag het eruit dat hij een gesprek voerde.

Bevindingen [verbalisant 5]

Ik, verbalisant [verbalisant 5] , bevond mij op 2 oktober 2013 te 17:22 uur op de D-pier. Nadat [medeverdachte 1] een telefoongesprek had gevoerd kwam hij naast mij zitten en hoorde ik hem zeggen dat het nog 10 minuten zou duren.

Bevindingen [verbalisant 3]

Ik, verbalisant [verbalisant 3] , zag dat [medeverdachte 1] op 2 oktober 2013 om 17:27 uur naar een eetgelegenheid liep ter hoogte van pier D, gate 10, en daar iets te drinken bestelde. Daarna liep [medeverdachte 1] weer in de richting van gate 21 van de D-pier. Ter hoogte van gate 22 belde [medeverdachte 1] weer bij een KPN telefooncel en schreef met een pen iets op zijn hand. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen dat we geduld moesten hebben en dat hij het telefoonnummer op zijn hand had geschreven omdat zijn telefoon bijna leeg was.

Bevindingen [verbalisant 5]

Om 17:48 uur liep ik, verbalisant [verbalisant 5] , in de richting van D-pier gate 12. Ik zag een mij onbekende negroïde kale man die in tegenovergestelde richting liep. Deze man was gekleed in een zwarte broek en blauwe trui. Ik zag dat hij zichtbaar een Schipholpas droeg.

Bevindingen [verbalisant 6]

Op 2 oktober 2013 te 17:58 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 6] , dat [medeverdachte 1] ter hoogte van gate 12 van de D-pier bij een groene KPN telefooncel een nummer intoetst. Ik zag dat de eerder genoemde man langs [medeverdachte 1] loopt, hem met zijn rechterhand aantikt en vervolgens met zijn rechterarm wijst in de richting van gate D21. Hierna loopt de negroïde man weer terug in de richting van gate 10 van de D-pier. Ik zag dat [medeverdachte 1] richting gate 21 begon te lopen en dat twee schoonmakers, die later bleken te zijn genaamd:

[medeverdachte 2] , geboren in 1969 te [geboorteplaats 2]

en

[verdachte] [het hof begrijpt: [verdachte] ]

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats 1] ,

zich ophielden bij gate 21 van de D-pier. Omstreeks 18:03 uur ging de kleinste schoonmaker van de twee, later bekend als [verdachte] , bij gate D21 naar binnen. De andere schoonmaker, die een forser postuur had en over zijn poloshirt ook nog een jas in dezelfde kleuren droeg, later bekend als [medeverdachte 2] , doorliep en zich voor gate D21 ophield.

Hierna zag ik dat [medeverdachte 1] om 18:03 uur ook gate [D]21 binnenging. [medeverdachte 2] liep om 18:04 uur de gate binnen. Hierna kon via de camera’s niets meer worden waargenomen omdat de camera’s op deze locatie niet te besturen zijn en geen zicht hebben.

Bevindingen [verbalisant 6]

Ik, verbalisant [verbalisant 6] , zag op de beeldschermen van de CTR dat [medeverdachte 1] op 2 oktober 2013 om 18:06 uur zonder zwarte rugtas gate 21 van de D-pier uit komt lopen en hierna in de richting van gate 10 van de D-pier loopt.

Bevindingen [verbalisant 5]

Op 2 oktober 2013 omstreeks 18:04 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 5] , dat twee mannen, gekleed in een zwarte broek en een zwart poloshirt met oranje strepen met een snelle pas in de richting van gate D21 liepen. Eén van de mannen was duidelijk groter en dikker. Ik ben in de richting van gate D21 gelopen en zag [medeverdachte 1] mij tegemoet komen zonder de zwarte rugtas, die hij eerder op zijn rug droeg. Nadat ik [medeverdachte 1] gepasseerd was zag ik dat links van mij in de aviobrug zich de grotere en dikkere man bevond, die later bleek te zijn genaamd [medeverdachte 2] . Tevens zag ik dat de kleinere man, die later bleek te zijn genaamd [verdachte] , met beide handen de zwarte rugtas, die [medeverdachte 1] eerder met zich droeg, naar binnen trok in een ruimte bij gate D21. Deze ruimte was afgesloten door een deur, die ik op dat moment snel open en dicht zag gaan. Vervolgens zag ik dat [verdachte] uit de ruimte kwam, linksaf ging en wegliep met een dweilwagen. Vervolgens verliet [verdachte] met een dweil in een van zijn handen in een snelle pas gate D21 in de richting van gate D12.

Bevindingen [verbalisant 3]

Op 2 oktober 2013 zag ik, verbalisant [verbalisant 3] , twee voor mij onbekende mannen, gekleed in een zwarte broek en zwarte polo voorzien van oranje strepen, zijnde bedrijfskleding van het schoonmaakbedrijf [bedrijf 1] . Deze twee mannen hielden zich op ter hoogte van gate D21.

Ik hoorde portofonisch dat [medeverdachte 1] de gate [het hof begrijpt: D21] was ingelopen met op zijn rug de zwarte rugtas inhoudende neppakketten. Hierna zag ik dat de koerier [het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ] zonder de rugtas gate D21 verliet. Hierna ben ik de gate ingelopen en zag ik dat de rugtas in een bruine kartonnen doos was gestopt. De kartonnen doos stond in/op een grijze plastic schoonmaakemmer op wieltjes. Ik zag dat de neppakketten uit de rugtas waren gehaald en dat deze zich in een blauwe schoonmaakemmer bevonden.

Hierna ben ik naar één van de schoonmaakmedewerkers van het bedrijf [bedrijf 1] gelopen en heb hem staande gehouden. De man gaf op te zijn genaamd [medeverdachte 2] . Deze verklaarde dat hij samen met collega [verdachte] met de auto naar gate 21 van de D-pier was gekomen. [verdachte] was de bestuurder van dit voertuig en in het bezit van de sleutels van dit voertuig.

Doorzoeking voertuig

Op 2 oktober 2013 omstreeks 18:45 uur werd het voertuig voorzien van het opschrift [bedrijf 1] doorzocht. Hierbij werd een zwarte jas aangetroffen op de bestuurdersstoel met hierin diverse passen op naam van [verdachte] . Hierna is gewacht tot [verdachte] het voertuig zou komen ophalen. [verdachte] is echter niet meer verschenen.

3. Een proces-verbaal van 13 mei 2014, opgemaakt door mr. R.M. Flohil, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland (losse bijlage).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 mei 2014 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [verbalisant 5] :

Ik heb mijn eigen processen-verbaal in dit dossier doorgelezen. Ik blijf bij de juistheid van die verbalen.

Wat het tijdstip 18:04 uur betreft: ik zag twee mannen in de richting van gate 21 lopen [het hof begrijpt gate D21]. Ik weet zeker wat ik toen heb gezien. Ik heb het hoofd gezien van de man die de tas pakte. Ik zag dat door de glazen wand van waaruit ik goed zicht had. Ik zag die man ook toen hij naar buiten kwam.

Waar ik mij op dat moment bevond? Ik was net van de band gestapt en draaide mij 180 graden om. Tussen mij en de glazen wand van de gate bedroeg de afstand een paar meter en door de glazen wand kan je vrij ver de gate inkijken. Ik schat de afstand van mij naar de glazen wand niet meer dan twee meter. De afstand van de glazen wand naar de glazen deur die ik open en dicht zag zwiepen bedroeg vijf à tien meter, in elk geval vijf of zes meter. Het moment is mij goed bij gebleven, omdat het een belangrijk moment was.

4. Een proces-verbaal met nummer PL27RP/13-71208 van 3 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 10] (dossierparagraaf 1.3).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 oktober 2013 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ):

Ik zou 10.000 euro krijgen voor het smokkelen van drugs van Lima naar Amsterdam. Ik kreeg een telefoonnummer dat ik moest bellen bij aankomst. Ik moest ook drie foto’s laten maken van mijzelf.

Ik kreeg de rugtas na het inchecken op het vliegveld, in het toilet. Het was een zwarte rugzak.

Ze hadden mij een telefoonnummer gegeven. Ik moest bij aankomst in Nederland bellen en wachten. Ik wist al waar ik naartoe moest. Dat hadden ze me al eerder verteld. Ik moest naar gate D21. Ik heb het gesprek [het hof begrijpt: telefoongesprek] gevoerd. Ik heb gezegd dat ik was aangekomen. De eerste paar keer zeiden ze dat ik moest wachten. Vervolgens hoorde ik dat ze in het Engels zeiden “ten minutes”. Mijn kleingeld was op dus heb ik bier gekocht om te kunnen wisselen voor de telefoon. Vervolgens ben ik naar een telefooncel gelopen. Toen kwam er een donkere, negroïde man naar mij toe. Hij had een blauwe blouse. Hij wees met gebaren dat ik richting gate D21 op moest. Hij klopte mij op mijn schouder en wees mij richting gate D21. Er waren twee mannen in deze gate [het hof begrijpt gelet op de opgemelde bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] dat één van deze twee mannen zich niet in, maar bij de gate bevond]. Deze mannen waren in het zwart en oranje gekleed in een soort uniform. Eén van de twee was iets dikker. Ik ben de gate ingegaan. De dunnere zat [daar] op een stoel in een soort kantoortje met een balie. Ik heb de rugzak neergezet. De dunnere wees dat ik het iets verder neer moest leggen. Ik ben vervolgens weggelopen zonder rugzak. De kleinere man was dunner dan de dikkere man.

Ik weet 100% zeker dat de mannen die ik zie op de foto die u mij toont [het hof begrijpt: de achter het proces-verbaal gevoegde foto met nummer DP01PS06013_A] de mannen zijn die in [het hof: dan wel bij] de gate aanwezig waren toen ik de rugzak afdeed.

5. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2019, voor zover in houdende en zakelijk weergegeven:

Mij wordt getoond de foto met nummer DP01PS06013_A die als bijlage B10 is gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 6] van 22 mei 2014. Ik ben de persoon die aan de linkerkant op die foto staat en mijn medeverdachte [medeverdachte 2] is de persoon aan de rechterkant.

6. Een proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling met nummer PL27RP/13-71208 van 2 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierparagraaf 1.2).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [medeverdachte 1]:

U toont mij een foto van twee schoonmakers in oranje [het hof begrijpt: voornoemde foto met nummer DP01PS06013_A]. De dikke staat rechts op de foto. De dunne [het hof: die mitsdien links op de foto staat] zat daar en zei mij: ‘Je moet de koffer [het hof begrijpt hier en verder: de rugtas] daar neerzetten’. Hij deed dit met gebaren. De koffer stond al in de gate. Toen gebaarde de dunne dat ik de koffer iets verder de gate in moest zetten.

7. Een proces-verbaal met nummer PL27RP/13-071208 van 4 oktober 2013, in de wettelijke vorm

opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierparagraaf 0.9).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 2 oktober 2013 heb ik samen met de opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee,

[verbalisant 8] , de hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen uit de rugtas van [medeverdachte 1] verwijderd. Ik heb negen transparante gesealde plastic pakketten, met daarin vermoedelijk verdovende middelen, in twee blauwe vuilniszakken gestopt. Hierna heb ik een knoop in de vuilniszakken gelegd en een fouilleringszak van de Koninklijke Marechaussee met nummer NR2398124 op deze blauwe vuilniszakken geplakt.

Hierna heb ik een doos gepakt met printpapier. Deze doos was geseald door middel van een plastic seal. Ik heb met handschoenen aan drie blauwkleurige pakken met printpapier gepakt en deze in de zwarte rugtas gestopt. Hierna is er op 2 oktober 2013 om 16.45 uur een observatie gestart.

Tijdens deze observatie is er vermoedelijk door een medewerker van schoonmaakbedrijf [bedrijf 1] de blauwe pakken printpapier uit de rugtas verwijderd ter hoogte van de D-pier gate 21. Ik zag dat de drie pakken in een blauwe schoonmaakemmer met zwenkwielen zaten. De zwarte rugtas en reizigersbagage was een bruine kartonnen doos gestopt. Deze doos stond boven op een grijze schoonmaakemmer met zwenkwielen. Ik heb de zwarte rugtas verwijderd uit de kartonnen doos. Ik heb vervolgens één van de pakken met mijn blote handen gepakt uit de blauwe schoonmaakemmer.

Hierna heb ik de twee pakken die nog in de blauwe emmer zaten verwijderd door mijn hand met een fouilleringszak te omhullen en hierna de pakken in de zwarte rugtas te stoppen. Het eerste, door mij met blote handen aangeraakte, pak printpapier heb ik in de bruine kartonnen doos gestopt in de blauwe emmer en achtergelaten op de D-pier gate 21. Dit om er zeker van te zijn dat de twee blauwe pakken printpapier die ter onderzoek worden aangeboden niet gecontamineerd zijn. De twee door mij veiliggestelde pakken printpapier zijn ter onderzoek overgedragen aan collega’s van de Forensische Opsporing van de Koninklijke Marechaussee te Badhoevedorp.

8. Een proces-verbaal met nummer PL27RP/13-071208 van 4 oktober 2013, in de wettelijke vorm

opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] (dossierparagraaf 0.11).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

Tijdens een controle op 2 oktober 2013 op de vlucht vanuit Lima met het vluchtnummer KL744 werd door personeel van de douane in de handbagage van [medeverdachte 1] - een zwarte rugtas - een hoeveelheid vermoedelijk cocaïne aangetroffen. De rugtas is in beslag genomen door de douane.

Door personeel van het Drugs Team Schiphol van de Koninklijke Marechaussee is een plastic zak overgedragen aan het Rechercheteam Drugsbestrijding, inhoudende de negen pakketten met hierin de vermoedelijke cocaïne afkomstig uit de in beslag genomen rugtas.

In de blauwe plastic zak troffen wij negen sealbags inhoudende een witte poederachtige stof aan. Wij hebben de sealbags onderverdeeld in negen categorieën: A tot en met I. Wij hebben vervolgens de poederachtige stof uit de pakketten verwijderd en gewogen.

Bij weging bleek het netto gewicht van de aangetroffen stof uit de categorieën A tot en met I in totaal te zijn:

Categorie A: 1.335,3 gram

Categorie B: 1.330,2 gram

Categorie C: 1.328,3 gram

Categorie D: 1.329,1 gram

Categorie E: 1.330,1 gram

Categorie F: 1.331,5 gram

Categorie G: 1.328,9 gram

Categorie H: 1.332,4 gram

Categorie I: 1.333,3 gram

Totaal gewicht categorieën A tot en met I is: 11.979,1 gram netto.

Wij hebben van de categorieën A tot en met I een monster genomen en in een afzonderlijke waardezak gedeponeerd, afgesloten en ingezonden aan het Douanelaboratorium te Amsterdam, ter analyse van de verboden stof. De monsters zijn voorzien van de Sporen Identificatie Nummers (SIN):

Categorie A: AAFF0837NL

Categorie B: AAFF0836NL

Categorie C: AAFF0835NL

Categorie D: AAFF0833NL

Categorie E: AAFF0832NL

Categorie F: AAFF0831NL

Categorie G: AAFF0830NL

Categorie H: AAFF0828NL

Categorie I: AAFF0834NL

9. Een deskundigenverslag, te weten een rapport met kenmerk PL27RP/13-071208 van de Belastingdienst, Douane Laboratorium Amsterdam van 10 oktober 2013, opgemaakt door drs. [naam] , op de door haar afgelegde belofte als vast gerechtelijk deskundige (losse bijlage).

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

In de zaak contra [medeverdachte 1]

Op 7 oktober 2013 ontving ik, drs. [naam] , hoofdscheikundige bij het Douane Laboratorium van de Belastingdienst te Amsterdam van het district Koninklijke Marechaussee Luchtvaart Schiphol:

1 plastic zak met daarin

AAFF0837NL) 1 plastic zak met wit, korrelig materiaal

AAFF0836NL) 1 plastic zak met wit, korrelig materiaal

AAFF0835NL) 1 plastic zak met wit, korrelig materiaal

AAFF0833NL) 1 plastic zak met wit, korrelig materiaal

AAFF0832NL) 1 plastic zak met wit, korrelig materiaal

AAFF0831NL) 1 plastic zak met wit, korrelig materiaal

AAFF0830NL) 1 plastic zak met wit, korrelig materiaal

AAFF0828NL) 1 plastic zak met wit, korrelig materiaal

AAFF0834NL) 1 plastic zak met wit, korrelig materiaal

In het begeleidende aanvraagformulier werd verzocht een onderzoek in te stellen naar middelen, welke vallen onder de bepalingen van de Opiumwet. Het monster is in goede staat ontvangen en bevat voldoende materiaal om onderzocht te worden.

Onderzoek

Het onderzoek is gestart op 7 oktober 2013. Het materiaal werd onderzocht met behulp van microchemische reacties en met behulp van gaschromatografie met massaselectieve detectie.

Conclusie

Het materiaal van alle bovengenoemde SIN-nummers bevat cocaïne.

10. Een proces-verbaal met nummer PL27QR/13-071208 van 10 oktober 2013, in de wettelijke vorm

opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] (dossierparagraaf 3.7).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 4 oktober 2013 ontving ik als technisch rechercheur uit handen van collega [verbalisant 3] van het Schipholteam twee pakken printpapier en de dactyloscopische signalementen van verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] .

Op 7 oktober 2013 heb ik de verpakking van de pakken printpapier door middel van de cyano acrylaat opdampmethode onderzocht op de aanwezigheid van vinger- en/of handafdrukken. Hierbij werd 1 fragment aangetroffen dat op bruikbaarheid zal worden beoordeeld door een dactyloscoop van de politie. Dit spoor werd door mij gewaarmerkt en voorzien van Spoor Identificatie Nummer (SIN): [nummer] .

11. Een proces-verbaal met nummer PL11FO-2013066842-2 van 22 oktober 2013, in de wettelijke vorm

opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 14] en [verbalisant 15] (dossierparagraaf 3.7).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Wij, verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 15] , respectievelijk taakaccenthouder dactyloscopie en deskundige dactyloscopie in opleiding, hebben 1 dactyloscopisch spoor vergeleken met het dactyloscopisch spoor van 1 verdachte.

Het dactyloscopische spoor werd digitaal aangeleverd en was voorzien van de onderstaande gegevens:

SIN: [nummer]

Het dactyloscopisch signalement van de verdachte hebben wij tevens digitaal aangeleverd gekregen. Het betrof een datyloscopisch signalement afgenomen bij: [verdachte] , geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats 1] . De slip was voorzien van incidentnummer 311001013775 en was op 4 oktober 2013 te Badhoevedorp afgenomen.

Het dactyloscopische spoor voornoemd hebben wij vergeleken met de afdrukken aanwezig op het dactyloscopische signalement van de verdachte voornoemd.

Het dactyloscopische spoor is identiek aan de afdruk van de linker middelvinger voorkomend op het dactyloscopische signalement voorzien van indicentnummer 311001013775.

Voornoemd spoor hebben wij op 22 oktober 2013 geïndividualiseerd. Onze verklaring aangaande de individualisatie van het aangetroffen spoor berusten op het feit dat door ons, bij vergelijking van het spoor met de betreffende afdruk op het dactyloscopisch signalement, ten minste 12 dactyloscopische punten van overeenkomst werden waargenomen, zonder dactyloscopische verschillen.

12. Een proces-verbaal met nummer PL27RP/13-071437 van 4 oktober 2013, in de wettelijke vorm

opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierparagraaf 3.6).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 3 oktober 2013 heb ik een donkerkleurige jas onderzocht die was voorzien van het oranjekleurige opschrift [bedrijf 1] Voornoemde jas is aangetroffen op de bestuurdersstoel en in beslag genomen in het voertuig dat buiten bij het platform stond naast gate D21. Het voertuig was voorzien van het kenteken [kenteken] en bestikkerd met onder andere de tekst [bedrijf 1]. In voornoemde jas heb ik onder andere het volgende aangetroffen:

- portefeuille met diverse pasjes waaronder een ING-betaalpas op naam van [verdachte], een KLM Flexwerkkaart, een GVB vervoersbewijs op naam van [verdachte], geboren op [geboortedag], voorzien van een foto;

- kopieën van diverse vervoersbewijzen met daarop geschreven [verdachte];

- een Bagage Operational Support (BOS) intern rijbewijs op naam van [verdachte] geboren op [geboortedag].

13. Een proces-verbaal met nummer PL27RP/13-071437 van 3 oktober 2013, in de wettelijke vorm

opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 16] en [verbalisant 17] (dossierparagraaf 3.3).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 oktober 2013 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik verricht schoonmaakwerk op Schiphol voor het bedrijf Raggers. Ik werk samen met [medeverdachte 2] [het hof leest verbeterd: [medeverdachte 2] ]. Hij is een beetje dik, dik hoofd. Hij is een beetje groter dan ik. Wij dragen een zwart-oranje shirt. Wij pakken de bedrijfsauto als wij naar de gates gaan. Ik parkeer de auto dan bij de brug. Gisteren [het hof begrijpt: 2 oktober 2013] in de middag reed ik de bedrijfsauto. Wij zijn via brug D21 naar binnen gegaan. Ik was met [medeverdachte 2] bij D21. Mijn schoonmaakkar stond naast de pilaar bij D21. Ik zag [medeverdachte 2] staan met de beveiliging. Toen ben ik weggelopen en naar huis gegaan. Ik heb mijn schoonmaakkar achtergelaten. Ik heb mijn jas in de auto achtergelaten. Mijn huissleutels waren in mijn jas. De autosleutels [naar het hof begrijpt: van de bedrijfsauto] had ik in mijn broekzak.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof het volgende als vaststaand aan. [medeverdachte 1] heeft op 2 oktober 2013 als passagier van een vlucht van Peru naar Amsterdam een hoeveelheid van bijna 12 kilogram (van een materiaal bevattende) cocaïne ingevoerd. De cocaïne bevond zich in pakketten in een door hem meegevoerde rugtas. Volgens afspraak moest [medeverdachte 1] die rugtas op de luchthaven Schiphol achterlaten in de buurt van gate D21, waarna een ander de drugs zou meenemen. Na zijn aankomst op Schiphol zijn de drugs door opsporingsambtenaren onderschept en vervangen door pakken printpapier. Teneinde de ophaler(s) van de drugs te achterhalen is [medeverdachte 1] onder observatie van opsporingsambtenaren alsnog met de rugtas (met daarin pakken papier) naar gate D21 getogen en heeft de rugtas daar achtergelaten. De verdachte, die als schoonmaker werkzaam is op Schiphol, was toen in die gate aanwezig en heeft de rugtas daar gepakt en onder zich genomen. Deze rugtas is vervolgens evenals de pakken printpapier gevonden in/op een blauwe schoonmaakemmer die bij de verdachte in gebruik was.

Het hof heeft, anders dan is betoogd door de raadsman, geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de waarnemingen van de bij de observatie op 2 oktober 2013 op Schiphol betrokken verbalisanten. Dit geldt met name voor de waarnemingen die verbalisant [verbalisant 5] bij gate D21 heeft gedaan. Uit het (mede) door hem opgemaakte proces-verbaal volgt onder meer dat hij vanaf de plaats waar hij zich bevond heeft gezien dat de verdachte met beide handen de zwarte rugzak, die de koerier [medeverdachte 1] eerder bij zich droeg, naar binnen trok in een ruimte bij gate D21 en dat de verdachte vervolgens uit die ruimte kwam en wegliep. [verbalisant 5] heeft deze waarnemingen tijdens zijn verhoor tegenover de rechter-commissaris bevestigd en heeft daarbij toegelicht dat hij vanaf de plaats waar hij zich bevond een duidelijk zicht op de deur van de genoemde ruimte had.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8] en [verbalisant 3] van 7 januari 2014 en de daarbij gevoegde afbeeldingen kan naar het oordeel van het hof, anders dan de verdediging heeft gesteld, niet worden afgeleid dat [verbalisant 5] hetgeen hij als waarneming heeft gerelateerd, niet heeft kunnen zien. Ook overigens kan in hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen concreet aanknopingspunt worden gevonden dat [verbalisant 5] niet heeft kunnen waarnemen wat hij stelt te hebben gezien. Dat [verbalisant 5] en de andere observanten niet hebben geregistreerd hoe en op welk moment de pakken printpapier uit de rugtas zijn gehaald en in de blauwe schoonmaakemmer terecht zijn gekomen, doet aan de eerdere waarnemingen van [verbalisant 5] niet af.

Zijn waarnemingen vinden bovendien steun in andere onderzoeksbevindingen. Zo is op één van de pakken printpapier, afkomstig uit de zwarte rugtas, een vingerafdruk van de verdachte gevonden.

Daarnaast heeft [medeverdachte 1] verklaard dat, nadat hij gate D21 was binnengegaan en de rugtas daar op de grond had gezet, een dunne, in het zwart en oranje geklede man, die in die gate op een stoel bij de balie zat, gebaarde dat hij de rugtas iets verder op in de gate moest neerzetten. Uit het samenstel van diens verklaring en die van de verdachte volgt dat laatstgenoemde die dunne man was. Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en ook overigens geen aanwijzing dat [medeverdachte 1] in strijd met de waarheid heeft verklaard.

Het hof leidt uit de aangetroffen vingerafdruk van de verdachte af dat hij de rugtas van [medeverdachte 1] heeft opengemaakt en daaruit de pakken printpapier heeft gehaald. De verdachte heeft daarna Schiphol verlaten onder achterlating van de rugtas, de pakken printpapier en zijn schoonmaakkar. De bedrijfsauto die die middag door hem was bestuurd (met daarin zijn jas met persoonlijke bescheiden als zijn huissleutels, portefeuille en bankpas) heeft hij bij gate D21 laten staan.

Gelet op het voorgaande en gezien de (overige) gebezigde bewijsmiddelen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte wist dat [medeverdachte 1] een rugtas met daarin cocaïne zou afleveren en dat hij de tas om die reden onder zich heeft genomen. Dit geldt te meer nu de verdachte geen andersluidende verklaring heeft gegeven voor het geven aanwijzingen aan [medeverdachte 1] en het naar binnen trekken van de tas in de ruimte in de gate en geen plausibele verklaring voor zijn overhaaste vertrek na het aantreffen van de pakken papier. Het hof ziet in de omstandigheden van dit geval geen solide aanknopingspunt voor de suggestie van de raadsman dat de verdachte de rugtas ook naar binnen kan hebben getrokken met de bedoeling om te stelen; de verdachte heeft geen verklaring van die strekking afgelegd.

In het voorgaande ligt besloten dat het hof evenmin aannemelijk acht het door de raadsman geschetste scenario dat de verdachte op 2 oktober 2013 op Schiphol slechts bezig was met het verrichten van de hem opgedragen schoonmaakwerkzaamheden en door een ongelukkige samenloop van omstandigheden bij de Koninklijke Marechaussee in beeld is gekomen, omdat dit onverenigbaar is met hetgeen blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen en de conclusies die het hof daaruit heeft getrokken.

De omstandigheid dat de rugtas van [medeverdachte 1] op het moment dat de verdachte die in ontvangst nam geen cocaïne meer bevatte, staat op zichzelf aan een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde niet in de weg. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, neergelegd in het arrest van 29 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP3862), volgt immers dat indien, zoals in het onderhavige geval, voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, het enkele feit dat die handelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter ontneemt.

Op grond van het bovenstaande kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan na te noemen bevorderings- en voorbereidingshandelingen.

De tot vrijspraak strekkende verweren worden in zoverre in al hun onderdelen verworpen.

Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof de verdachte echter wel vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen. Weliswaar zijn bij het opsporingsonderzoek - naast de verdachte - nadrukkelijk de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als mogelijk betrokkenen in beeld gekomen, maar het hof heeft niet met voldoende mate van zekerheid kunnen vaststellen dat die personen gedragingen hebben verricht die op de (verlengde) invoer van de door [medeverdachte 1] uit Peru gesmokkelde drugs waren gericht en (dus) evenmin dat zij daarbij in nauwe en bewuste samenwerking met de verdachte hebben gehandeld. Hetgeen de raadsman verder omtrent het medeplegen naar voren heeft gebracht, behoeft dan ook geen nadere bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 oktober 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, te weten ongeveer 11.979 gram netto, voor te bereiden en/of te bevorderen

- een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen

van dat feit,

hebbende hij, verdachte,

- zich als medewerker van [bedrijf 1] beschikbaar gesteld en gehouden en zich daarbij

opgehouden in vertrekken van de Luchthaven Schiphol en

- aanwijzingen gegeven aan [medeverdachte 1] waar deze [medeverdachte 1] een zich bij zich dragende

rugtas diende te deponeren/achter te laten en

- een rugtas van [medeverdachte 1] die [medeverdachte 1] had achtergelaten verplaatst en

opengemaakt en uit voornoemde rugtas meerdere pakketten genomen.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden en/of bevorderen, door een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde (kort gezegd: het medeplegen van voorbereidingshandelingen) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van bevorderings- en voorbereidingshandelingen voor de opzettelijke invoer van bijna 12 kilogram cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers zeer schadelijke stof. De genoemde hoeveelheid was van een zodanige omvang dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De verdachte was ten tijde van het plegen van voornoemde feiten bovendien als schoonmaker in dienst bij een schoonmaakbedrijf op Schiphol. In die hoedanigheid had hij door gebruik van zijn Schipholpas toegang tot delen van het beschermde gebied van de luchthaven. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij bij het bewezen verklaarde misbruik heeft gemaakt van zijn functie. Door zijn handelwijze heeft de verdachte het vertrouwen dat in hem werd gesteld op grove wijze beschaamd. Door zijn handelen heeft de verdachte bovendien getracht het systeem van controle op de internationale drugshandel op Schiphol te ondermijnen. Een en ander rechtvaardigt oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Feit is evenwel dat het bewezenverklaarde dateert van ruim vijf jaar geleden en dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 18 januari 2019, sindsdien niet met justitie in aanraking is gekomen. Nu de verdachte voorts zal worden vrijgesproken van het medeplegen van bevorderings- en voorbereidingshandelingen, zijn de door rechtbank uitgesproken en de door de advocaat-generaal gevorderde straffen te zwaar en acht het hof in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan het reeds door de verdachte ondergane voorarrest, zoals de raadsman heeft voorgesteld, zou al te zeer voorbij gaan aan de ernst van het bewezenverklaarde. Hetgeen omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte naar voren is gebracht, leidt het hof evenmin tot een andere uitkomst.

In hoger beroep is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overschreden. Ter compensatie daarvan zal het hof in plaats van de hiervoor genoemde straf, een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

14 februari 2019.