Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:458

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
24-06-2019
Zaaknummer
200.252.215/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.252.215/01

rekestnummer rechtbank : C/13/656092 / FT RK 18/1918

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 februari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. F.A. Piek te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij per fax op 3 januari 2019 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 december 2018, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 12 februari 2019. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Piek voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd.

Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg. [appellant] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken, met uitzondering van de brief van de Belastingdienst van 5 september 2018. Het hof heeft ter zitting een afschrift van laatstgenoemde brief aan [appellant] verstrekt en [appellant] gelegenheid geboden om deze brief te lezen en daarop te reageren.

2 Beoordeling

2.1

[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Het vonnis kan reeds om die reden niet in stand blijven. [appellant] was voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg niet bekend met het door de rechtbank in haar vonnis aangehaalde standpunt van de Belastingdienst. [appellant] is bovendien geen gelegenheid gegeven middels aanhouding alsnog kennis te nemen van dit standpunt en daarop adequaat te reageren. Verder is het door de rechtbank in haar vonnis aangehaalde standpunt van de Belastingdienst onjuist. De schuld aan de Belastingdienst dateert uit 1999 en is daarmee meer dan vijf jaar geleden ontstaan. Niet kan worden gesteld dat [appellant] de schuld aan de Belastingdienst niet te goeder trouw onbetaald heeft gelaten. [appellant] heeft de Belastingdienst betaling van € 200.000,= aangeboden - de oorspronkelijke vordering van de Belastingdienst op [appellant] bedroeg € 1.167.577,62 - tegen finale kwijting, maar de Belastingdienst heeft dit aanbod afgeslagen. De door de Belastingdienst veronderstelde verhaalsobjecten bestaan niet. Onjuist is dat [appellant] met mogelijke executiemaatregelen in het vooruitzicht zijn vermogensbestanddelen heeft vervreemd dan wel verder heeft bezwaard met hypotheken (o.m. ten gunste van een aan zijn echtgenote (hierna: Van Eembergen) gelieerde vennootschap Colette Holding B.V.). Ook is onjuist dat [appellant] van alles heeft verkocht om andere schuldeisers af te lossen en dat hij allerlei zekerheden heeft aangeboden aan andere schuldeisers. [appellant] heeft buiten de vordering van de Belastingdienst, uitsluitend twee hypothecaire leningen terzake van zijn onverdeelde helften van de twee onroerende zaken die hij met zijn vrouw samen bezit. Op de vorderingen van de twee bancaire schuldeisers wordt door zijn vrouw afgelost, nu [appellant] niet over inkomen daartoe beschikt.

2.2

Het hof overweegt het volgende.

2.3

Het bezwaar van [appellant] dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden kan hem niet baten. [appellant] is immers ter zitting in hoger beroep alsnog in de gelegenheid gesteld van het standpunt van de Belastingdienst kennis te nemen en daarop te reageren, zodat alsnog aan de eis van hoor en wederhoor is voldaan.

2.4

Ingevolge artikel 285 lid 1 aanhef en sub f Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard indien er voorafgaand aan het toelatingsverzoek geen minnelijk traject heeft plaatsgevonden.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof gebleken dat geen minnelijk traject als bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw heeft plaatsgevonden. Mr. Piek heeft immers desgevraagd verklaard dat geen voorstel is gedaan aan de schuldeisers en dat het minnelijk traject als bedoeld in de wet niet is doorlopen. Tevens ontbreekt de in artikel 285 lid 1 sub f bedoelde met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. In het kader van een faillissementsaanvraag kunnen in voorkomend geval mogelijk lichtere eisen worden gesteld voor toelating tot de schuldsaneringsregeling mede gelet op de duur van het voortraject, maar dit doet er niet aan af dat ook in het onderhavige geval een met redenen omklede verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw dient te worden gegeven waarom er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen (zie ook onderdeel 2.3. conclusie AG Wuisman bij HR 26 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013: BZ9955). Overlegging van een dergelijke verklaring past ook in het beleid strenger te zijn aan de poort van de wettelijke schuldsaneringsregeling die alleen te openen is voor schuldenaren die er klaar voor zijn, die een minnelijke procedure doorlopen hebben en waarvan bekend is hoe hun financiële positie is (memorie van toelichting, kamerstukken II 2004/05 nr. 7, p. 53). Gelet op het voorgaande dient [appellant] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

2.5

Ten overvloede merkt het hof op dat, ook indien er voorafgaand aan het toelatingsverzoek door [appellant] een adequaat minnelijk traject zou zijn doorlopen, het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zou zijn afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend. Uit artikel 285 lid 1 sub a, Fw vloeit voort dat in een verzoekschrift, waarin wordt verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, of in een daarbij te voegen bijlage dient te worden opgenomen een staat als bedoeld in artikel 96 Fw. Uit een dergelijke staat dient onder meer te blijken de aard en het bedrag van de baten en de schulden.

Verder dient het verzoekschrift ingevolge artikel 285 lid 1 sub c en d Fw, een gespecificeerde opgave te bevatten van de inkomsten van de schuldenaar, hoe ook genaamd en ongeacht de titel van verkrijging, die de schuldenaar pleegt te verwerven of kan verwerven, onder vermelding van de wijzigingen die daarin over de eerstvolgende drie jaren redelijkerwijs voorzienbaar zijn (sub c) en een gespecificeerde opgave van de vaste lasten van de schuldenaar (sub d). Het hof constateert dat een staat als bedoeld in artikel 96 Fw, een opgave van de inkomsten en een opgave van de lasten ontbreken, zodat niet is voldaan aan het in artikel 285 lid 1 sub a, c en d, Fw bepaalde. Daarnaast is gebleken dat [appellant] onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd met [X] . Artikel 285 lid 1 sub e Fw bepaalt dat indien de schuldenaar is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, een opgave van de gegevens, bedoeld onder artikel 285 lid 1 sub c en d Fw betreffende de echtgenoot onderscheidenlijk de geregistreerde partner dient te worden overgelegd. Aan dit vereiste heeft [appellant] evenmin voldaan. Tot slot merkt het hof op dat [appellant] - naar hij ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard - niet beschikt over eigen inkomen en thans ook geen inspanning verricht om aan het werk te komen, terwijl in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling van de schuldenaar wordt verwacht dat hij zich inspant zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw).

2.6

Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, M.L.D. Akkaya, en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.