Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4561

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
03-01-2020
Zaaknummer
23-000020-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zes personen, belediging van ambtenaren en een winkeldiefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000020-18

datum uitspraak: 16 september 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-702931-15 (hierna: zaak A) en13-706091-16 (hierna: zaak B) en 13-706092-16 (hierna: zaak C) en 13-706093-16 (hierna: zaak D) en 13-706291-16 (hierna: zaak E) en 13-706292-16 (hierna: zaak F) en 13-706290-16 (hierna: zaak G) en 13-701858-16 (hierna: zaak H) en 13-706099-17 (hierna: zaak I) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres 1],

thans verblijvend in Rijksinrichting Veldzicht te Balkbrug.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

2 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak B met betrekking tot [slachtoffer 1] en in zaak H onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak ten aanzien van deze feiten.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte, voor zover in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde, tenlastegelegd dat:

Zaak A

primair
hij op of omstreeks 1 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een gebroken neus, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 2] opzettelijk (met kracht) met gebalde vuisten in/tegen/op de neus en/of het gezicht, althans het hoofd te slaan en/of te stompen;

subsidiair
hij op of omstreeks 1 oktober 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen ( te weten een gebroken neus), opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) met gebalde vuisten in/tegen/op de neus en/of het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair
hij op of omstreeks 1 oktober 2015 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (met kracht) met gebalde vuisten in/tegen/op de neus en/of het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken neus), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Zaak B

hij op of omstreeks 21 augustus 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door eenmaal of meermalen met kracht met gebalde vuist in/tegen het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] en/of voornoemde [slachtoffer 1] te slaan, waardoor deze(n) letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

Zaak C

hij op of omstreeks 3 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 4] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan/stompen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4], en uit het schoppen/trappen tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4], tengevolge waarbij voornoemde [slachtoffer 4] pijn heeft bekomen en/of letsel heeft opgelopen;

Zaak D

1.
hij op of omstreeks 4 april 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen kiwisap en/of aardbeiensap en/of koffiemelk en/of broccoli en/of tomaten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de firma [winkel 1] ([adres 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [slachtoffer 2] heeft toegvoegd: "Jij komt wel aan de beurt en/of ik krijg jullie nog wel te pakken en/of pas maar op, jij komt ook nog wel aan de beurt hier en/of oh jij hebt nog een kleine, dat komt goed uit", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of uit het om zich heen slaan en/of uit het vechten met die [slachtoffer 2];

2.
hij op of omstreeks 4 april 2015 te Amsterdam [slachtoffer 5] heeft mishandeld door opzettelijk mishandelend die [slachtoffer 5] tegen het gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen, waardoor die [slachtoffer 5] pijn heeft ondervonden en/of letsel heeft bekomen;

Zaak E

hij op of omstreeks 21 maart 2015 te Amsterdam opzettelijk beledigend een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 1] (medewerker Landelijke Eenheid) en/of [verbalisant 2] (medewerker Landelijke Eenheid), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten, surveillance in en rond Amsterdam Centraal station, in zijn/hun tegenwoordigheid mondeling meerdere keren, in elk geval een keer, heeft toegevoegd de woorden "kanker NSBer, kankermongool, kankernazi, kankerdwerg, NSBer en/of racisten", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Zaak F

hij op of omstreeks 18 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 6] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het één of meerdere ma(a)l(en) (met kracht) slaan en/of stompen (met een gebalde vuist) op/tegen het (voor)hoofd, in elk geval het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 6], waardoor voornoemde [slachtoffer 6] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Zaak G


hij op of omstreeks 8 januari 2015 te Amsterdam [slachtoffer 7] heeft mishandeld door deze éénmaal of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen op/tegen het gezicht/hoofd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Zaak H

2.
hij op of omstreeks 10 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, [verbalisant 3], hoofdagent van politie eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: 'jij bent een vuile NSB-er en/of jij bent een nazi en/of jij houdt ervan als je mensen geboeid door hun kop kan schieten en/of jij bent een kankerhond', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3.
hij op of omstreeks 10 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, [verbalisant 4], buitengewoon opsporingsambtenaar van politie eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "je moet gewoon komen kankerhoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Zaak I

hij op of omstreeks 5 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 5], hoofagent van politie en/of [verbalisant 6], brigadier van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun (meermalen) de woorden toe te voegen: jullie zijn slavendrijvers en/of jullie hebben er voor gezorgd dat er zes miljoenen Joden zijn omgebracht en/of jullie zijn nazi's en/of jodenjagers en/of jullie zijn ook verantwoordelijk dat de indianen zijn uitgemoord, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot enigszins andere bewezenverklaringen en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vrijspraak zaak A primair en subsidiair

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte in zaak A primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot de zaken B, C, D onder 1 en 2, F en H onder 3

Zaak B

Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de enkele grond dat [slachtoffer 3] en [getuige 1] collega’s zijn, niet met zich brengt dat hun verklaringen onbetrouwbaar moeten worden geacht. Nu het hof ook overigens geen reden heeft te twijfelen aan de aangifte van [slachtoffer 3] en de getuigenverklaring van [getuige 1], die consistent en gedetailleerd zijn, zal het hof deze verklaringen tot het bewijs bezigen.

Zaak C

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat de verdachte hem op 3 oktober 2014 met zijn vlakke hand een lichte klap op zijn borst gaf, waarna [slachtoffer 4] naar de verdachte heeft gespuugd. De verdachte begon wild op hem in te slaan, waarbij de aangever zich (alleen maar) probeerde af te weren. De verdachte bleef op hem inslaan en schopte hem nadat de aangever op de grond was gevallen. De verklaring van [slachtoffer 4] wordt op wezenlijke onderdelen bevestigd door andere bewijsmiddelen. Politieambtenaar [verbalisant 7] heeft bloedingen aan het gezicht van aangever gezien en waargenomen dat het linker jukbeen van de aangever blauw en opgezwollen was. Verder is een rode gloed gezien aan de linkerzijde van de borstkas. De getuige [getuige 2] heeft op 25 juli 2016 bij de rechter-commissaris verklaard dat het de “Surinaamse jongen” (het hof begrijpt: de verdachte) was die heeft geslagen. Getuige [getuige 3] heeft blijkens zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 13 juni 2016 eveneens gezien dat de verdachte de aangever van zijn fiets heeft getrokken waarna de aangever klappen en schoppen kreeg.

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden, bezien in het licht van de (overige) te bezigen bewijsmiddelen leidt het hof af dat het handelen van de verdachte, anders dan hij stelt, in de kern aanvallend van aard was.

De lezing van de verdachte die er, naar het hof begrijpt, op neerkomt dat hij zich verdedigde wordt dan ook, gelet op het voorgaande niet aannemelijk geacht.

In het vorenstaande ligt besloten dat het beroep van de raadsman op noodweer moet worden verworpen.

Zaak D onder 1 en 2

In het bijzonder uit de aangifte van [slachtoffer 2] leidt het hof af dat het handelen van winkelmedewerkers een passende reactie vormde op de pogingen van de verdachte om te ontkomen (aan staandehouding) en het door de verdachte toegepaste geweld nadat hij werd aangesproken door deze aangever wegens het vermoeden van diefstal.

Het hof is dan ook, anders dan de raadsman van oordeel dat uit de te bezigen bewijsmiddelen volgt dat het gedrag van de verdachte op 4 april 2015 in de [winkel 1] in Amsterdam in de richting van [slachtoffer 2] puur aanvallend van aard was en dat geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding.

Ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 5] komt daar nog bij dat hij niet betrokken was bij het voorgaande. De verdachte liep op hem toe en sloeg hem “uit het niets” met gebalde vuist tegen de kaak.

Ook dit gedrag kan worden aangemerkt als puur aanvallend van aard.

Nu ook overigens in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen enkel solide aanknopingspunt kan worden gevonden voor de stelling dat sprake was van een noodweersituatie moet het beroep van de raadsman op noodweer worden verworpen.

Zaak F

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 6] op 17 maart 2015 in Amsterdam heeft mishandeld. Daartoe is het volgende redengevend.

De verdachte heeft bij de rechtbank verklaard (proces-verbaal van de zitting van 5 december 2017, pagina 10) : “Er is niet zo’n confrontatie geweest, dat we met de punt van onze neuzen tegenover elkaar stonden. Ik ken die persoon wel (…).” Met die verklaring plaatst de verdachte zichzelf op de plaats van het delict. Verder heeft de politie blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2015 beelden bekeken van de [straat] rond het tijdstip van het door de aangever [slachtoffer 6] beschreven incident. Daarop zijn de aangever en de getuige [getuige 4] te zien alsmede een persoon wiens signalement overeen komt met dat van de mishandelende persoon in de aangifte van [slachtoffer 6] (pagina 2 van deze aangifte). Deze persoon ging een woning in gelegen naast de ingang van [winkel 2].

De getuige [getuige 4] heeft blijkens zijn verklaring bij de politie op 30 maart 2015 eveneens gezien dat naast de jongen die op dat moment om hulp vroeg (het hof begrijpt: de aangever) een jongen stond die daarna een voordeur inging naast de hoofdingang van [winkel 2].

Blijkens het politieregistratiesysteem woonde de moeder van de verdachte op het adres [adres 3]. De verdachte heeft bij de politie op 28 april 2015 op de vraag of hij een sleutel van deze woning heeft verklaard: “ja ik denk het wel”.

[slachtoffer 6] heeft verder op 28 april 2015 de verdachte herkend op een door de politie getoonde foto. Hoewel dit niet expliciet is gerelateerd kan het gelet op de context van de nadere ondervraging van de aangever en de overige inhoud van het dossier niet anders zijn dan dat dit een foto van de verdachte is geweest.

Gelet op het voorgaande alsmede de inhoud van de (overige) te bezigen bewijsmiddelen acht het hof dan ook het onder F tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Zaak H onder 3

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 4] in uniform gekleed werkzaam was als medewerkster bij de Regionale Meldkamer. Omstreeks 19.04 uur kreeg zij via de telefoonlijn van 112 een gesprek binnen waarin de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde beledigende woorden heeft geuit. Zij heeft daarvan melding gemaakt aan de eenheden op straat, in vervolg waarop de verdachte omstreeks 19.25 uur op deze grond is aangehouden. Het hof stelt vast dat het tijdsverloop tussen het strafbare feit en de aanhouding dusdanig kort is dat sprake is van een aanhouding op heterdaad.

Gelet op bewoordingen en strekking zijn de uitlatingen jegens de betreffende ambtenaar zonder meer als beledigend aan te merken, ook als daarbij de context, te weten een 112 melding wordt betrokken. Daarbij merkt het hof op dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat de betreffende medewerkster niet professioneel en adequaat heeft gehandeld. Dat de verdachte tijdens het betreffende gesprek geëmotioneerd was door een incident met een huisgenoot doet aan het beledigend karakter van zijn uitlatingen niet af.

Het hof verwerpt, gelet op het voorgaande en de (overige) te bezigen bewijsmiddelen de ten aanzien van feit H onder 3 door de raadsman gevoerde verweren dan ook.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A meer subsidiair en in zaak B en in zaak C en in zaak D onder 1 en 2 en in zaak E en in zaak F meer subsidiair en in zaak G en in zaak H onder 2 en 3 en in zaak I tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A

meer subsidiair
hij op 1 oktober 2015 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met gebalde vuist tegen de neus heeft gestompt, tengevolge waarvan [slachtoffer 2] lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Zaak B
hij op 21 augustus 2014 te Amsterdam, opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door met gebalde vuist in het gezicht van [slachtoffer 3] te slaan, waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Zaak C
hij op 3 oktober 2014 te Amsterdam, [slachtoffer 4] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het stompen in het gezicht en schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer 4], tengevolge waarvan [slachtoffer 4] pijn heeft bekomen en letsel heeft opgelopen;

Zaak D

1.
hij op 4 april 2015 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen kiwisap en aardbeiensap en koffiemelk en broccoli en tomaten, toebehorende aan de firma [winkel 1] ([adres 2]), welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het om zich heen slaan en het vechten met [slachtoffer 2];

2.
hij op 4 april 2015 te Amsterdam, [slachtoffer 5] heeft mishandeld door opzettelijk mishandelend [slachtoffer 5] tegen het gezicht te stompen, waardoor [slachtoffer 5] pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen;

Zaak E

hij op 21 maart 2015 te Amsterdam, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1], medewerker Landelijke Eenheid, en [verbalisant 2], medewerker Landelijke Eenheid, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten, surveillance in en rond Amsterdam Centraal station, in hun tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kanker NSB-er, kankermongool, kankernazi, kankerdwerg, NSB-er en racisten;

Zaak F

hij omstreeks 18 maart 2015 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 6] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het éénmaal met kracht stompen met een gebalde vuist tegen het hoofd van [slachtoffer 6], waardoor [slachtoffer 6] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Zaak G

hij op 8 januari 2015 te Amsterdam, [slachtoffer 7] heeft mishandeld door deze te slaan tegen het hoofd, waardoor hij pijn heeft ondervonden;

Zaak H

2.
hij op 10 mei 2016 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaar [verbalisant 3], hoofdagent van politie eenheid Amsterdam, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “jij bent een vuile NSB-er” en “jij bent een nazi” en “jij houdt ervan als je mensen geboeid door hun kop kan schieten” en “jij bent een kankerhond”;

3.
hij op 10 mei 2016 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaar, [verbalisant 4], buitengewoon opsporingsambtenaar van politie eenheid Amsterdam, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: "je moet gewoon komen kankerhoer" althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Zaak I

hij op 5 februari 2017 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren [verbalisant 5], hoofagent van politie, en [verbalisant 6], brigadier van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: “jullie zijn slavendrijvers” en “jullie hebben er voor gezorgd dat er zes miljoenen Joden zijn omgebracht” en “jullie zijn nazi's” en “jodenjagers” en “jullie zijn ook verantwoordelijk dat de indianen zijn uitgemoord”.

Hetgeen in zaak A meer subsidiair en in zaak B en in zaak C en in zaak D onder 1 en 2 en in zaak E en in zaak F en in zaak G en in zaak H onder 2 en 3 en in zaak I meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten: het in zaak A meer subsidiair en in zaak B en in zaak C en in zaak D onder 1 en 2 en in zaak E en in zaak F en in zaak G en in zaak H onder 2 en 3 en in zaak I bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A meer subsidiair en in zaak B en in zaak C en in zaak D onder 2 en in zaak F en in zaak G bewezenverklaarde levert telkens op:

mishandeling.

Het in zaak H onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert telkens op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het in zaak E en I bewezenverklaarde levert telkens op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Het in zaak D onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde in zaak A meer subsidiair en in zaak B en in zaak C en in zaak D onder 1 en 2 en in zaak E en in zaak F en in zaak G en in zaak H onder 2 en 3 en in zaak I bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Ten aanzien van het in de zaken D bewezenverklaarde wordt in dit verband nog overwogen dat gelet op hiervoor is overwogen onder bewijsoverwegingen niet aannemelijk is geworden dat sprake is (geweest) van een noodweersituatie zodat ook het beroep op noodweerexces faalt.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder A meer subsidiair, B, C, D onder 1 en 2, E, F, G, H onder 2 en 3 en I bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 78 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. Als dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden zijn gesteld, kortgezegd: een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan een intake bij De Waag of soortgelijke instelling en een behandelverplichting. Daarnaast is hem een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder A meer subsidiair, B (voor zover nog inhoudelijk aan de orde), C, D onder 1 en 2, E, F, G, H onder 2 en 3 en I tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 138 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren. Als dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden dienen te worden gesteld dezelfde bijzondere voorwaarden als die, welke zijn gesteld in het vonnis van de rechtbank van 8 augustus 2019 (in de zaak met parketnummers 13/701022-19, 13/100872-19 en 13/088789-19: kortgezegd een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, klinische behandeling en begeleid wonen). Daarnaast is gevorderd een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht, kortgezegd, rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die in duur de reeds ondergane voorlopige hechtenis overstijgt. De raadsman wijst in dit verband eveneens op het bepaalde in artikel 9, vierde lid, Sr.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich bij verschillende incidenten schuldig gemaakt aan mishandeling van zes personen, waardoor deze personen pijn en/of letsel hebben ondervonden. Met zijn agressieve handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en een voor hen angstige situatie geschapen. Dit soort geweld veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, zeker als dit zonder duidelijke reden, onverhoeds, en op een openbare plek waar veel mensen zich bevinden, zoals in een winkel, in het openbaar vervoer of op straat plaatsvindt.

Ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 2] (zaak A) geldt nog in het bijzonder dat hij aanmerkelijke gezondheidsschade heeft ondervonden doordat zijn neus gebroken is. Het slachtoffer [slachtoffer 4] heeft zich door het handelen van de verdachte eveneens onder doktersbehandeling moeten stellen en ook voor hem waren de nadelige gezondheidsgevolgen ingrijpend. Ook voor slachtoffer [slachtoffer 5] geldt dat hij zich lichamelijk niet goed voelde na het bewezenverklaarde incident en ook hij heeft zich onder doktersbehandeling moeten stellen. Slachtoffer [slachtoffer 6] heeft eveneens aanzienlijke letsels opgelopen waarvan hij nog lange tijd last zou hebben en waarvoor hij zich eveneens onder doktersbehandeling moest stellen.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan belediging van verschillende ambtenaren gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen deze ambtenaren, die gewoon hun werk deden, aangetast in hun eer en goede naam, maar hen ook uiterst respectloos bejegend en aangetast in hun gezag.

De verdachte heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en heeft, op het moment dat hij werd betrapt, geweld uitgeoefend jegens de bedrijfsleider. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten aan het eigendomsrecht van dit winkelbedrijf en dit bedrijf overlast bezorgd. Bovendien heeft hij een voor het slachtoffer en omstanders intimiderende situatie geschapen. Dergelijke feiten brengen, gezien het openlijke karakter daarvan, in het bijzonder bij het winkelpersoneel en het winkelend publiek gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof ziet evenwel aanleiding daarvan in het voordeel van de verdachte af te wijken. Daartoe is het volgende redengevend.

Een omtrent de verdachte opgemaakte rapport van 20 maart 2019 van GZ-psycholoog Dr. [naam 1] houdt, kortgezegd en voor zover hier van belang, het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een chronische depressieve stoornis die tot uitdrukking komt in een sterk verminderde draagkracht en copingsvaardigheden en een ziekelijke stoornis in de vorm van een opstandige stoornis die tot uitdrukking komt in opstandig en agressief gedrag jegens mensen tot wie hij in een gezagsrelatie staat, waarbij de frustratietolerantie ernstig te kort schiet. Sedert 2014 is bij de verdachte in toenemende mate sprake is geweest van oppositioneel gedrag, zodat aangenomen mag worden dat de opstandige stoornis ook speelde ten tijde van het tenlastegelegde (opmerking hof: dit betreft feiten van eind 2018 en begin 2019 in een andere zaak, geregistreerd onder de parketnummers 13/702748-18 onderscheidenlijk 13/701022-19).

Tevens was ten tijde van het tenlastegelegde (hof: dus eind 2018/ begin 2019) bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een post-traumatische stressstoornis, die thans in vroege remissie is. Het valt op grond van het onderhavige onderzoek niet vast te stellen of en in welke mate de post-traumatische stressstoornis het gedrag van de onderzochte beïnvloed heeft in de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde en hoe het precies heeft doorgewerkt, maar meer in het algemeen mag worden aangenomen dat deze stoornis de toch al beperkte draagkracht en copingsvaardigheden van de onderzochte verder beperkt heeft.

Tot slot werden bij de verdachte kenmerken van een psychotische stoornis waargenomen, die, gezien de beperkingen van het onderzoek, niet volledig te onderzoeken en te begrijpen waren en die (voorlopig) geclassificeerd worden als ongespecificeerde stoornis in het schizofreniespectrum en/of andere psychotische stoornis en die tot uitdrukking komt in de vorm van gevoelens van wantrouwen en achterdocht, gepaard gaande met verstoringen in de realiteitstoetsing, externalisatie en beperkingen in het mentaliserend vermogen. De psychotische kenmerken die door de verdachte worden gerapporteerd spelen al langere tijd en lijken meer op de voorgrond te treden bij spanning, zodat aangenomen mag worden dat deze stoornis ook een rol speelde ten tijde van het tenlastegelegde.

Geadviseerd wordt hem het tenlastegelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen.

Het risico op herhaling van fysiek geweld, bedreiging en belediging, wordt ingeschat in de range bovengemiddeld tot hoog. Het gegeven dat sprake is van een delictpatroon dat optreedt in het kader van een complex aan stoornissen die elkaar onderling lijken te versterken, vormt in statistische zin het belangrijkste risico. Het gegeven dat de onderzochte negatieve opvattingen koestert, terwijl zijn frustratietolerantie beperkt is, draagt daar verder aan bij, evenals het gegeven dat er in zijn leven op dit moment een groot aantal destabiliserende factoren zijn.

De verdachte zou baat kunnen hebben bij nader diagnostisch onderzoek en bij een behandeling die hem inzicht geeft in zijn problemen en die hem handvatten biedt om daar beter mee om te gaan. Een dergelijke intensieve behandeling, waarbij gezien de mogelijkheden voor nader onderzoek en de meer recente ontwikkelingen rond zijn woonsituatie een klinische behandeling de voorkeur zou hebben, zou plaats kunnen vinden in het kader van een deels voorwaardelijke straf. Deze behandeling moet tenminste de duur van een jaar hebben.

Nu de conclusies van de psycholoog worden gedragen door haar bevindingen, neemt het hof deze over en maakt deze tot de zijne.

Hoewel de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feiten plaatsvonden in 2014, 2015 en 2016 (en dit dus andere, eerder begane feiten betreft dan de tenlastegelegde feiten waarop het rapport van [naam 1] in het bijzonder ziet) gaat het hof er gelet op de conclusies en bevindingen van [naam 1] vanuit dat de verdachte ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in de onderhavige zaak leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en hij deze feiten mede onder invloed daarvan heeft begaan, zodat hem deze in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een reclasseringsadvies van 23 juli 2019 van [naam 2] van de Reclassering van het Leger des Heils. Dit rapport houdt onder meer in dat de reclassering zich conformeert aan het advies van [naam 1] van 20 maart 2019. Behandeling en nadere diagnostiek worden geïndiceerd geacht. Indien de verdachte niet zal worden behandeld voor de diverse en complexe persoonlijkheidsproblematiek, blijft de kans op recidive onverminderd hoog. Mede gelet op het als hoog ingeschatte recidiverisico wordt geadviseerd de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden die onder meer zien op een meldplicht en (naar het hof uit de context begrijpt) een behandeling met daaraan gekoppeld (klinische) opname.

In verband met het voorgaande en nu het hof behandeling van de verdachte ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten van urgent en eminent belang acht, zal het hof de op te leggen gevangenisstraf grotendeels in voorwaardelijke vorm gieten. Het onvoorwaardelijk deel zal de duur van de 42 dagen die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht niet overstijgen en bij het voorwaardelijke deel zal het hof bijzondere voorwaarden stellen die in lijn liggen met hetgeen [naam 1] en [naam 2] hebben geadviseerd.

Het hof ziet aanleiding om daarbij een relatief lange proeftijd van 3 jaren vast te stellen om de reclassering en de hulpverleners voldoende armslag te geven om het te leiden tot een daadwerkelijke reductie van het recidiverisico dat de verdachte in zich bergt.

Gelet op het rapport van de psycholoog acht het hof het noodzakelijk dat de verdachte zich gedurende maximaal 12 maanden onder klinische behandeling stelt. Op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat reeds een daarop gericht traject is ingezet en dat de verdachte binnen afzienbare tijd zal worden overgebracht naar FPK De Woenselse Poort.

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de te stellen bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht bevelen. Gelet op de omstandigheid dat de in zaak A meer subsidiair en in zaak B en in zaak C en in zaak D onder 1 en 2 en in zaak F en in zaak G bewezenverklaarde misdrijven zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en gelet op de conclusies in het rapport van 20 maart 2019, moet ernstig rekening gehouden worden met het risico dat de verdachte zich opnieuw zal schuldig maken aan fysiek geweld.

Het hof realiseert zich dat in het hierboven genoemde vonnis in de zaak met de parketnummers 13/701022 en 13/100872-19 nagenoeg gelijkluidende voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard De voorwaarden worden door het hof nogmaals gesteld omdat voornoemd vonnis nog niet onherroepelijk is. Het hof beoogt daarmee dat indien de voorwaarden zoals door de rechtbank gesteld komen te vervallen, het ingezette traject doorgang kan vinden op basis van de door het hof gestelde voorwaarden.

Het hof acht het voorgaande overziend in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen waarvan 228 dagen voorwaardelijk passend en geboden.

Deze straf is hoger dan die, welke de advocaat-generaal heeft gevorderd, omdat het hof in de strafoplegging het grote leed dat de slachtoffers is aangedaan pregnanter tot uitdrukking wil brengen.

Het hof stelt vast dat in het bijzonder ten aanzien van de zaken A, B, D en F in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdachte is in deze zaken immers in de periode tussen 21 augustus 2014 en 1 oktober 2015 in verzekering gesteld, terwijl de rechtbank eerst op 19 december 2017 vonnis heeft gewezen. Hierin wordt aanleiding gezien in plaats van een totale gevangenisstraf van 270 dagen een vrijheidsstraf van 240 dagen (waarvan 198 dagen voorwaardelijk) op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (zaak A)

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.114,00, te vermeerderen met wettelijke rente, bestaande uit de navolgende schadeposten:

  • -

    immateriële schade € 680,00

  • -

    materiële schade (totaal) € 434,00

a) eigen risico ziektekosten € 375,00

b) geschatte waarde broek € 30,00

c) geschatte waarde trui € 10,00

d) reiskosten € 15,00

e) parkeerkosten bezoek ziekenhuis € 4,00

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 834,00, bestaande uit een bedrag van € 434,00 aan materiële schade en een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding overeenkomstig de beslissing van de rechtbank toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de materiële en immateriële schade niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 434,00 aan materiële schade (de schadeposten a) tot en met e)). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal daarnaast als aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen voor de navolgende materiële schadeposten:

a) eigen risico ziektekosten € 375,00 1 oktober 2015

b) geschatte waarde broek € 30,00 1 oktober 2015

c) geschatte waarde trui € 10,00 1 oktober 2015

d) reiskosten € 15,00 15 oktober 2015

e) parkeerkosten bezoek ziekenhuis € 4,00 23 november 2015

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 400,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het handelen van de verdachte, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij – onder meer bestaande uit een neusfractuur waarvoor hij een operatie heeft moeten ondergaan, stevige hoofdpijn waarvoor hij meerdere keren per dag pijnstillers gebruikte, een ernstige aantasting van het veiligheidsgevoel en slapeloosheid – alsook op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Het hof zal de ingangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade bepalen op 1 oktober 2015.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (zaak C)

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.978,92, te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaande uit de navolgende schadeposten:

  • -

    immateriële schade € 900,00

  • -

    materiële schade (totaal) € 5.078, 92

a) verlies van arbeidsvermogen € 4.883,00

b) eigen risico 2014: twee maal Thorax à € 43,66 € 87,32

c) eigen risico 2015: Thorax à € 55,81 en Ribdetail à € 52,79 € 108,60

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.945,92, te vermeerderen met wettelijke rente, bestaande uit een bedrag van € 2.195,92 aan materiële schade

(waarbij de kostenpost a) is geschat op een bedrag van € 2.000,00) en een bedrag van € 750,00 voor immateriële schade.

De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering omdat dit gedeelte van de vordering zodanig complex is dat dit een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding overeenkomstig de beslissing van de rechtbank toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de materiële schade onder kostenpost a) betwist op de grond dat deze schade onvoldoende is onderbouwd. In bijlage 3 van de vordering is een schatting gemaakt van de omzet van 2014 door het gemiddelde te berekenen van de jaren 2009 tot en met 2013, maar daarmee is de daadwerkelijk geleden schade niet vastgesteld. De verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de immateriële schade niet gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 195,92 (de schadeposten b) en c)). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal daarnaast als aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen voor de navolgende materiële schadeposten:

b) eigen risico 2014 € 87,32 12 januari 2015

c) eigen risico 2015 € 108,60 15 juni 2015

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 750,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het handelen van de verdachte, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij – onder meer bestaande uit een ribfractuur en gekneusde ribben, een beschadigd gewricht in de linker ringvinger, een paars-rood en gezwollen oog en jukbeen, een snee in de linker duim, een wond aan de linker scheenbeen, een ernstige aantasting van het veiligheidsgevoel en slapeloosheid – alsook op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Het hof zal de ingangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade bepalen op 3 oktober 2014.

De schadepost a) komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre sprake is van daadwerkelijke, rechtstreekse schade, zodat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (zaak D feit 2)

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 577,96, te vermeerderen met wettelijke rente en bestaande uit de navolgende schadeposten:

  • -

    immateriële schade € 250,00

  • -

    materiële schade (totaal) € 327,96

a) gemiste inkomsten € 327,96

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00, te vermeerderen met wettelijke rente en bestaande uit een bedrag van € 250,00 aan materiële schade en een bedrag van

€ 150,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft kostenpost a) geschat op een bedrag van € 150,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding overeenkomstig de beslissing van de rechtbank toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de materiële en immateriële schade niet gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak D onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 327,96 (schadepost a)). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal daarnaast als aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen voor de navolgende materiële schadepost:

a) gemiste inkomsten € 327,96 12 april 2015

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 150,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het handelen van de verdachte, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij – onder meer bestaande uit een bloedende wond aan de binnenkant van de wang, een misselijk en duizelig gevoel, een stijve nek, concentratieproblemen en een aantasting van het veiligheidsgevoel – alsook op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Het hof zal de ingangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade bepalen op 4 april 2015.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (zaak F)

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.741,13, te vermeerderen met wettelijke rente en bestaande uit de navolgende schadeposten:

  • -

    immateriële schade € 1.123,00

  • -

    materiële schade (totaal) € 618,13

a) reiskosten:

- drie maal naar politiebureau € 15,28

- vier maal naar ziekenhuis € 21,20

- één maal naar GGD Amsterdam € 12,10

- één maal naar Slachtofferhulp Nederland € 5,35

- parkeerkosten bezoek ziekenhuis € 4,00

- parkeerkosten naar werk i.v.m. overwinning angst € 200,20

b) eigen risico 2015 € 360,00

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.008,13, , te vermeerderen met wettelijke rente en bestaande uit een bedrag van € 258,13 aan materiële schade en een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de benadeelde partij in kostenpost b) niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding overeenkomstig de beslissing van de rechtbank toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de materiële en immateriële schade niet gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak F bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 258,13 (schadepost a). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal daarnaast als aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen voor de navolgende materiële schadepost:

b) reiskosten:

- drie maal naar politiebureau € 15,28 25 juni 2015

- vier maal naar ziekenhuis € 21,20 25 september 2015

- één maal naar GGD Amsterdam € 12,10 20 maart 2015

- één maal naar Slachtofferhulp Nederland € 5,35 25 juni 2015

- parkeerkosten bezoek ziekenhuis € 4,00 19 maart 2015

- parkeerkosten naar werk € 200,20 17 april 2015

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 750,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het handelen van de verdachte, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij – onder meer bestaande uit een jukbeenfractuur en oogkasfractuur, een zwelling en gevoelloosheid van de kaak, verminderd zicht in het linker oog en een litteken van twee centimeter onder dat oog en een aantasting van het veiligheidsgevoel – alsook op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Het hof zal de ingangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade bepalen op 18 maart 2015.

De materiële schadepost b) komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld in hoeverre sprake is van daadwerkelijke, rechtstreekse schade, zodat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 266, 267, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen het hem in zaak B

met betrekking tot [slachtoffer 1] tenlastegelegde.

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak H onder 1 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A meer subsidiair en in zaak B en in zaak C en in zaak D onder 1 en 2 en in zaak E en in zaak F en in zaak G en in zaak H onder 2 en 3 en in zaak I tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A meer subsidiair en in zaak B en in zaak C en in zaak D onder 1 en 2 en in zaak E en in zaak F en in zaak G en in zaak H onder 2 en 3 en in zaak I bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 198 (honderdachtennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich meldt bij Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering, en zich houdt aan de aanwijzingen die hem door of namens zijn toezichthouder worden gegeven, een en ander zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich voor psychische en persoonlijkheidsproblematiek klinisch laat behandelen bij forensisch psychiatrische kliniek De Woenselse Poort en/of een soortgelijke door de reclassering aan te wijzen instelling voor forensisch psychiatrische zorg, zulks gedurende 12 (twaalf) maanden of zoveel korter als de behandelaars in overleg met de reclassering verantwoord achten, en zich houdt aan de aanwijzingen die hem door of namens zijn behandelaars worden gegeven, waaronder het innemen van medicatie als zijn behandelaars dat noodzakelijk achten;

  • -

    zich (al dan niet aansluitend op de klinische opname) voor die problematiek onder ambulante behandeling stelt van de GGZ of een soortgelijke door de reclassering aan te wijzen instelling, en houdt aan de aanwijzingen die door of namens zijn behandelaars worden gegeven, waaronder - zo nodig - het innemen van medicijnen, een en ander zolang zijn behandelaars (in overleg met de reclassering) dit noodzakelijk achten;

  • -

    verblijft in een door de reclassering aan te wijzen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zich zal houden aan het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, een en ander zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (zaak A)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in zaak A meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 834,00 (achthonderdvierendertig euro) bestaande uit € 434,00 (vierhonderdvierendertig euro) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 2], ter zake van het in zaak A meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 834,00 (achthonderdvierendertig euro) bestaande uit € 434,00 (vierhonderdvierendertig euro) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op :

a) eigen risico ziektekosten € 375,00 1 oktober 2015

b) geschatte waarde broek € 30,00 1 oktober 2015

c) geschatte waarde trui € 10,00 1 oktober 2015

d) reiskosten € 15,00 15 oktober 2015

e) parkeerkosten bezoek ziekenhuis € 4,00 23 november 2015

Bepaalt als aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 oktober 2015.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (zaak C)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in zaak C bewezenverklaarde tot het bedrag van € 945,92 (negenhonderdvijfenveertig euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 195,92 (honderdvijfennegentig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het in zaak C bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 945,92 (negenhonderdvijfenveertig euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 195,92 (honderdvijfennegentig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 (achttien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

b) eigen risico 2014 € 87,32 12 januari 2015

c) eigen risico 2015 € 108,60 15 juni 2015

Bepaalt als aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 oktober 2014.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (zaak D feit 2)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in zaak D onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 477,96 (vierhonderdzevenenzeventig euro en zesennegentig cent) bestaande uit € 327,96 (driehonderdzevenentwintig euro en zesennegentig cent) materiële schade en € 150,00 (honderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5], ter zake van het in zaak D onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 477,96 (vierhonderdzevenenzeventig euro en zesennegentig cent) bestaande uit € 327,96 (driehonderdzevenentwintig euro en zesennegentig cent) materiële schade en € 150,00 (honderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade van € 327,96 op 12 april 2015 en de immateriële schade van € 150,00 op 4 april 2015.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het in zaak F bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.008,13 (duizend acht euro en dertien cent) bestaande uit € 258,13 (tweehonderdachtenvijftig euro en dertien cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6], ter zake van het in zaak F bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.008,13 (duizend acht euro en dertien cent) bestaande uit € 258,13 (tweehonderdachtenvijftig euro en dertien cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

b) reiskosten:

- drie maal naar politiebureau € 15,28 25 juni 2015

- vier maal naar ziekenhuis € 21,20 25 september 2015

- één maal naar GGD Amsterdam € 12,10 20 maart 2015

- één maal naar Slachtofferhulp Nederland € 5,35 25 juni 2015

- parkeerkosten bezoek ziekenhuis € 4,00 19 maart 2015

- parkeerkosten naar werk € 200,20 17 april 2015

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 maart 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van

mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 september 2019.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]