Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4546

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
23-12-2019
Zaaknummer
23-001140-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het opzettelijk aanwezig hebben van 8 pillen van een materiaal bevattende MDMA. Bewezenverklaring van het het opzettelijk niet voldoen aan een verwijderingsbevel van de burgemeester. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001140-18

datum uitspraak: 27 augustus 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-701397-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 9 maart 2018 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering gedateerd 13 februari 2018, krachtens artikel 2.9A lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening en/of artikel 172 (a) van de Gemeentewet, in elk geval enig wettelijk voorschrift gedaan door de Burgemeester van Amsterdam, zijnde een ambtenaar die was belast met de uitoefening van enig toezicht, of een persoon krachtens wettelijk voorschrift, te weten de Gemeentewet, voortdurend of tijdelijk met enige openbare dienst belast, te weten de handhaving van de openbare orde, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar of persoon hem (eerder) had bevolen, althans van hem had gevorderd zich voor de duur van zes maanden, ingaande 17 februari 2018 tot en met 16 augustus 2018, zich te verwijderen en zich niet te bevinden binnen het dealeroverlastgebied (DOG 2.0): Centrum, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering door zich op genoemd tijdstip in [adres 2] te bevinden;

2.
hij op of omstreeks 09 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 8 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 2

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Zoals het hof reeds eerder heeft overwogen, onder meer in het arrest van 18 april 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:4206), staat het gebruik van een indicatieve test er op zichzelf niet aan in de weg om buiten redelijke twijfel te achten dat in beslag genomen voorwerpen waarvan wordt vermoed dat het drugs betreft, de stoffen bevatten die uit deze test blijken. Er dient echter voldoende ondersteunend en betekenisvol bewijs te zijn voordat de conclusie kan worden getrokken dat wettig en overtuigend is bewezen dat het de drugs betreft die in de tenlastelegging zijn vermeld.

In de onderhavige zaak zijn bij de verdachte 8 tabletten in beslag genomen. De verdachte heeft tegenover de politie en ter zitting in eerste aanleg verklaard dit XTC-pillen waren. Het dossier bevat geen andere aanwijzingen dat de verdachte op enige wijze zintuigelijk heeft ondervonden dat de tabletten XTC - of meer in het bijzonder MDMA - bevatten, zoals ten laste is gelegd. Evenmin is gebleken dat de verdachte een frequent gebruiker is van deze middelen of dat hij vaker van één en dezelfde verkoper vergelijkbare tabletten heeft afgenomen. Naar het oordeel van het hof biedt het dossier daarom onvoldoende steun aan de indicatieve test om te kunnen vaststellen dat deze tabletten MDMA bevatten. Bij gebrek aan aanvullend bewijs dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 9 maart 2018 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel gedateerd 13 februari 2018, krachtens artikel 2.9A lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening gedaan door de Burgemeester van Amsterdam, zijnde een ambtenaar die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem eerder had bevolen zich voor de duur van zes maanden, ingaande 17 februari 2018, tot en met 16 augustus 2018, te verwijderen en zich niet te bevinden binnen het dealeroverlastgebied (DOG 2.0) Centrum, geen gevolg gegeven aan dit bevel door zich in [adres 2] te bevinden.

Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft het bevel van de burgemeester om zich niet te begeven in een overlastgebied in de Amsterdamse binnenstad genegeerd. Dit bevel is een maatregel bedoeld ter handhaving van de openbare orde in dat gebied. Door dat te negeren heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten aan een door het bevoegd gezag genomen besluit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juli 2019 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens (soortgelijke) misdrijven.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt, mede in het licht van de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd, in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uit het voortgangsverslag van Inforsa van 1 augustus 2019 komt naar voren dat de verdachte in het kader van twee andere strafzaken onder reclasseringstoezicht staat. Op diverse leefgebieden zijn interventies uitgezet die tot een gedragsverandering zullen moeten leiden. Het lijkt erop dat de verdachte zich – na eerdere mislukte pogingen – nu conformeert aan en zich inzet voor het voor hem uitgestippelde traject en dat zijn leven een wending ten goede lijkt te hebben genomen. Het hof acht het in het belang van de verdachte èn van de samenleving dat deze positief te waarderen lijn wordt doorgetrokken, en deze ontwikkelingen niet worden doorkruist door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. H.A. van Eijk en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van

mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 augustus 2019.