Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4543

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
23-12-2019
Zaaknummer
23-000788-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door een medescholier in het gezicht te stompen en met kracht een knietje te geven, waardoor een neusfractuur is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000788-18

datum uitspraak: 27 augustus 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-282140-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 13 juni 2014 te Amsterdam aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken neus en een hersenschudding), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) meermalen, althans eenmaal (met gebalde vuisten) in/tegen/op het gezicht, althans het hoofd te slaan en/of te stompen en/of (met kracht) een knietje in/tegen/op het gezicht, althans het hoofd en/of het (boven)lichaam te geven;

subsidiair
hij op of omstreeks 13 juni 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (te weten een gebroken neus en/of hersenschudding), met dat opzet (met kracht) meermalen, althans eenmaal (met gebalde vuisten) in/tegen/op het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of (met kracht) een knietje in/tegen/op het gezicht, althans het hoofd en/of (boven)lichaam heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair
hij op of omstreeks 13 juni 2014 te Amsterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), (met kracht) meermalen, althans eenmaal (met gebalde vuisten) in/tegen/op het gezicht, althans hey hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of (met kracht) een knietje in/tegen/op het gezicht, althans het hoofd en/of (boven)lichaam heeft gegeven, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en/of een hersenschudding), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Primair heeft hij aangevoerd dat de camerabeelden van onvoldoende kwaliteit zijn voor een persoonsherkenning en daarom niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de door [getuige] aan de hand van die camerabeelden gedane herkenning van de verdachte onbetrouwbaar is.

Het hof overweegt als volgt.

[benadeelde] heeft in zijn aangifte verklaard dat de verdachte hem op 13 juni 2014, na een incident in het schoolgebouw van het ROC te Amsterdam, buiten dat gebouw heeft opgezocht en hem daar in zijn gezicht heeft gestompt en een knietje heeft gegeven waarna hij knock-out ging. Deze gang van zaken wordt op wezenlijke onderdelen bevestigd door camerabeelden waarop de politie heeft gezien dat de aangever door een persoon enkele malen (vol) met de vuist op het gezicht wordt geslagen waarna hem een knietje wordt gegeven. De getuige [getuige], werkzaam op dat ROC, heeft de verdachte blijkens zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris van de betreffende camerabeelden herkend.

Het hof ziet geen enkel concreet aanknopingspunt om aan deze waarneming van [getuige], die al eerder contact met de verdachte had, te twijfelen. Daarbij betrekt het hof dat, zoals het hof ook waarnam ter terechtzitting, de beelden geschikt zijn om iemand daarvan te herkennen en er ook overigens geen concrete reden is om er aan te twijfelen dat deze getuige heeft kunnen zien wat hij heeft verklaard te hebben gezien.

Daar komt nog bij dat de verdachte ter gelegenheid van zijn verhoor bij de politie op 13 december 20141 heeft verklaard op de betreffende dag naar buiten naar de aangever te zijn gelopen en hem daar ‘een tik’ heeft gegeven.

Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof dan ook af dat het de verdachte is geweest die de betreffende klappen en het knietje heeft uitgedeeld.

Door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Uit een brief van 18 juni 2014 van [arts], KNO-arts, blijkt dat het slachtoffer een neusfractuur heeft opgelopen. Het slachtoffer is nog steeds niet volledig hersteld van deze verwonding en zal op 5 november 2019 een ingrijpende medische ingreep moeten ondergaan waarbij zijn neus opnieuw gebroken en gezet zal moeten worden. Uit de aard van het handelen van de verdachte, het meermalen met kracht stompen in het gezicht en het geven van een knietje, leidt het hof af dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het hiervoor omschreven gevolg.

Het hof acht het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft – voor het geval het hof niet tot een vrijspraak zou komen – verzocht aan de hand van de camerabeelden nader lengte- en gezichtsvergelijkend dan wel biometrisch onderzoek te laten verrichten door het NFI en de resultaten te vergelijken met het uiterlijk dan wel de biometrische kenmerken van de verdachte. Het hof is de noodzaak van dit nadere onderzoek niet gebleken, gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en nu de verdachte niet alleen door de aangever maar ook door getuige [getuige] is herkend en bovendien heeft verklaard hetgeen hierboven is weergegeven. Het hof wijst dit verzoek dan ook af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 13 juni 2014 te Amsterdam aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een hersenschudding, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met kracht met gebalde vuist in het gezicht te stompen en met kracht een knietje tegen het hoofd of het bovenlichaam te geven.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor de in eerste aanleg meer subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan voorwaardelijk 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis en een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een taakstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door een medescholier in het gezicht te stompen en met kracht een knietje te geven, waardoor een neusfractuur is ontstaan. Het slachtoffer heeft zich langdurig onder doktersbehandeling moeten stellen en heeft tot op heden, naast de pijn die hij hierdoor zal hebben geleden, groot ongemak ondervonden. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en ook diens gevoel van veiligheid, juist op school, aangetast. Dergelijk geweld brengt voorts gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juli 2019 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens (gewelds)misdrijven.

Het hof heeft gelet op de straf die ter zake van zware mishandeling pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren is gesteld. Gelet op de ernst daarvan, zoals die blijkt uit het hiervoor overwogene, en mede gelet op het bepaalde in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zal het hof overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze op de terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen, het reclasseringsadvies van 24 april 2019 en het tijdsverloop sedert het bewezenverklaarde feit ziet het hof echter aanleiding om de duur van deze gevangenisstraf te beperken tot één dag. Daarnaast zal, om de ernst van het feit te benadrukken, een taakstraf worden opgelegd van de maximaal toegestane duur.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat in hetgeen de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd geen grond kan worden gevonden tot het opleggen van een lagere straf dan de hieronder bedoelde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.285,66, bestaande uit € 485,66 aan materiële schade en € 800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.038,66, bestaande uit € 388,66 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De raadsman van de verdachte heeft de vordering niet gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden welke het hof schat tot een bedrag van € 485,66 aan materiële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal daarnaast als aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen:

-Voor de kosten van het eigen risico 2014 ad € 360: 1 januari 2015

-Voor de reiskosten ad € 20,66: 26 juli 2017 (datum ondertekening verzoek)

- Overige materiële kosten ad € 105: 13 juni 2014

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 800,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal als ingangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade bepalen: 13 juni 2014.

Oplegging van een maatregel

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.285,66 (duizend tweehonderdvijfentachtig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 485,66 (vierhonderdvijfentachtig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt als aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade:

-Het eigen risico 2014 ad. € 360: 1 januari 2015

-Reiskosten ad. € 20,66: 26 juli 2017

-Overige materiële kosten ad € 105: 13 juni 2014

Bepaalt als aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade: 13 juni 2014.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.285,66 (duizend tweehonderdvijfentachtig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 485,66 (vierhonderdvijfentachtig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt als aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade:

-Het eigen risico 2014 ad. € 360: 1 januari 2015

-Reiskosten ad. € 20,66: 26 juli 2017

-Overige materiële kosten ad € 105: 13 juni 2014

Bepaalt als aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade: 13 juni 2014.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. H.A. van Eijk en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van

mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 augustus 2019.

1 Proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL1300-2014158348-4, blad 2.