Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:454

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
18/00540
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1372
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank doet bij de gegrondverklaring van het verzet met toepassing van artikel 8:55, lid 10, van de Algemene wet bestuursrecht tevens uitspraak op het beroep, maar heeft verzuimd belanghebbende (tijdig) op die bevoegdheid te wijzen. De zaak wordt daarom teruggewezen naar de rechtbank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-02-2019
V-N Vandaag 2019/410
FutD 2019-0522
NTFR 2019/827 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
Viditax (FutD), 20-09-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 18/00540

14 februari 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep alsmede op het incidenteel hoger beroep van achtereenvolgens

[X] B.V., te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van 6 september 2018 in de zaak met kenmerk AMS 17/1315 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 10 juni 2016 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 50,20.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van

21 juni 2016 de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd.

1.3.1.

Belanghebbende heeft bij brief van 27 februari 2017 – op de voet van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit bij de rechtbank ingesteld, onder verwijzing naar een daarbij overgelegde brief met dagtekening 8 juli 2016 betreffende een ‘bezwaarschrift tegen naheffingsaanslag d.d.

10 juni 2016’.

1.3.2.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:54 van de Awb bij uitspraak van

16 januari 2018 op het beroep beslist. Deze uitspraak is – na daartegen door partijen ingesteld verzet – bij uitspraak van 21 maart 2018 vernietigd.

1.3.3.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:54 Awb bij uitspraak van 8 mei 2018 het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet aangetekend.

1.3.4.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 6 september 2018 – op de voet van artikel 8:55, tiende lid, Awb – zowel op het verzet als op het beroep van belanghebbende beslist.

De beslissing luidt als volgt:

“ De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 501,-.”

De veroordeling in de proceskosten ziet op de verzetzaken. Voor wat betreft het beroep heeft de rechtbank geen aanleiding gezien tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de (onder 1.3.4 genoemde) uitspraak van de rechtbank op 14 september 2018 hoger beroep bij het Hof ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft tegen de (onder 1.3.4 genoemde) uitspraak van de rechtbank op 5 november 2018 incidenteel hoger beroep bij het Hof ingesteld. Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze naar voren gebracht.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brief van 27 december 2018 een nader stuk ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Belanghebbende en haar gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Blijkens gegevens van PostNL is de op 18 december 2018 per aangetekende post verzonden uitnodiging om op de zitting te verschijnen op 19 december 2018 bezorgd op het adres van de gemachtigde. Belanghebbende is aldus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd, zodat de zitting doorgang heeft kunnen vinden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Overwegingen rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep als volgt overwogen en beslist (in de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende aangeduid als [A]):

“Uitspraak op het beroep

5. De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Partijen zijn beiden uitgenodigd voor de zitting voor het verzet en gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om bij gegrondverklaring van het verzet tevens uitspraak te doen op het beroep.

6. [A] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift gericht tegen de (inmiddels vernietigde) naheffingsaanslag. [A] stelt dat hij na het maken van bezwaar op 2 januari 2017 een ingebrekestelling aan de heffingsambtenaar heeft verzonden. Nu nog steeds niet is beslist op zijn bezwaarschrift, is de heffingsambtenaar hem een dwangsom verschuldigd, aldus [A].

7. De heffingsambtenaar heeft zich in het verweerschrift van 13 april 2018 onder meer op het standpunt gesteld dat hij het bezwaarschrift van 8 juli 2016 en de ingebrekestelling van 2 januari 2017 niet heeft ontvangen. Gelet op de betwisting van de ontvangst van bedoelde stukken door de heffingsambtenaar, is het aan [A] om de verzending van die stukken aannemelijk te maken.

8. [A] heeft in zijn beroepschrift van 27 februari 2017 vermeld dat hij verzendbewijzen kan overleggen indien de heffingsambtenaar de tijdige ontvangst van de producties (de rechtbank begrijpt: het bezwaarschrift en de ingebrekestelling) ontkent. In dat geval doet [A] een nadrukkelijk bewijsaanbod om de verzendbewijzen in het geding te brengen. De rechtbank stelt vast dat [A] na genoemde betwisting van ontvangst door verweerder geen verzendbewijzen zoals vermeld in zijn bewijsaanbod in het geding heeft gebracht.

9. Nu ook op andere wijze niet is komen vast te staan dat [A] het bezwaarschrift heeft verzonden, moet ervan worden uitgegaan dat [A] geen bezwaar heeft gemaakt. Nu [A] geen bezwaar heeft gemaakt is de heffingsambtenaar niet in gebreke om (tijdig) een besluit te nemen. Als gevolg hiervan kan er ook geen beroep worden ingesteld tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit.

10. Het beroep van [A] tegen het niet tijdig nemen van een besluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Het voorgaande brengt mee dat de heffingsambtenaar geen dwangsommen is verschuldigd in verband met het niet (tijdig) nemen van een besluit aan [A].”

3 Beoordeling geschil in (incidenteel) hoger beroep

Het Hof stelt het volgende voorop

3.1.

De rechtbank heeft belanghebbende aangeduid als [A]. De naheffingsaanslag is echter opgelegd aan [X] B.V. en volgens de schriftelijke volmacht is de machtiging aan de gemachtigde verstrekt door die B.V. Het machtigingsformulier is ondertekend: “[X] BV [A]”. Het dossier geeft geen aanleiding [A] aan te merken als belanghebbende. Om redenen van proceseconomie zal het Hof het beroep, de uitspraak van de rechtbank en het (incidenteel) hoger beroep lezen als betrekking hebbende op [X] B.V. Partijen zijn door deze correctie niet benadeeld.

3.2.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de tegelijk met de bestreden uitspraak gedane uitspraak op verzet. Tegen die uitspraak staat ook geen hoger beroep open (art. 8:104, lid 2, onderdeel c, Awb). Nu het verzet gegrond is verklaard staat tegen de uitspraak op verzet evenmin cassatie open (art. 28, lid 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met art. 8:55, lid 7, Awb). De uitspraak op verzet staat derhalve onherroepelijk vast. De juistheid daarvan staat niet aan het Hof ter beoordeling. Naar het oordeel van het Hof heeft dit eveneens te gelden voor de nevenbeslissingen genomen ter zake van het verzet. De juistheid van de voor de behandeling van het verzet toegekende proceskostenveroordeling staat derhalve evenmin ter beoordeling van het Hof.

3.3.

Inzake de behandeling van het beroep van belanghebbende overweegt het Hof als volgt.

3.3.1.

De rechtbank heeft bij brief van 6 juni 2018 belanghebbende uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 26 juli 2018. In die uitnodiging staat onder meer het volgende:

Aanwezigheid

De rechtbank kan het beroep en het verdere verloop van de procedure alleen met partijen bespreken als die op de zitting aanwezig zijn. De rechtbank raadt u daarom aan naar de zitting te gaan.”

3.3.2.

Bij fax van 26 juni 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde de rechtbank laten weten ter zitting van 26 juli 2018 niet te zullen verschijnen.

3.3.3.

De rechtbank heeft belanghebbendes gemachtigde op 17 juli 2018 een aangetekend verzonden brief gestuurd. In die brief wijst de rechtbank op de in art. 8:55, lid 10, Awb gegeven bevoegdheid bij gegrondverklaring van het verzet tevens uitspraak te doen op het beroep. Blijkens gegevens van PostNL is dit aangetekend schrijven op 3 augustus 2018 afgehaald bij een PostNL-locatie.

3.3.4.

De brief van 6 juni 2018 gaf de rechtbank niet de bevoegdheid bij gegrondverklaring van het verzet tevens uitspraak te doen op het beroep. In die brief is immers niet gewezen op die bevoegdheid hetgeen gelet op art. 8:55, lid 10, onderdeel b, Awb vereist is.

3.3.5.

De omstandigheid dat in de onder 3.3.3 genoemde brief wel op die bevoegdheid is gewezen maakt niet dat de rechtbank daar desalniettemin toe bevoegd was. Die brief is niet voor de zitting door belanghebbendes gemachtigde ontvangen en hij hoefde er ook niet op bedacht te zijn dat hij binnen tien dagen voor de zitting nog nadere stukken zou kunnen ontvangen. Dit nog daargelaten dat art. 8:55, lid 10, onderdeel b, Awb voorschrijft dat het wijzen op de bevoegdheid plaatsvindt bij het in de gelegenheid stellen te worden gehoord.

3.3.6.

Nu de rechtbank niet bevoegd was tevens uitspraak te doen op het beroep, kan de uitspraak niet in stand blijven.

3.4.

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond, dient de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op het beroep van belanghebbende te worden vernietigd en zal de zaak naar de rechtbank worden teruggewezen voor een hernieuwde behandeling van het beroep. Het Hof komt niet toe aan de behandeling van het incidenteel hoger beroep ingesteld door de heffingsambtenaar en zal het incidenteel beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.5.

Bij de hernieuwde behandeling van het beroep moet het volgende in aanmerking te worden genomen. Door of namens belanghebbende na de uitspraak op bezwaar van 21 juni 2016 aan de heffingsambtenaar gezonden stukken waarin opnieuw ‘bezwaar’ wordt gemaakt, moeten niet als bezwaarschrift in behandeling worden genomen, maar moeten worden aangemerkt als beroep tegen de uitspraak. In beroep dient te worden beoordeeld of – nu de heffingsambtenaar dit in twijfel trekt – [A] bevoegd is namens belanghebbende ([X] B.V.) op te treden (en iemand te machtigen de procedure te voeren). Voorts dient de rechtbank te beoordelen of het beroep tijdig is ingesteld en het beroep derhalve ontvankelijk is. In dit kader wijst het Hof er ter volledigheid op dat de heffingsambtenaar, die de tijdige ontvangst van het op 8 juli 2016 gedagtekende geschrift in de gedingstukken reeds gemotiveerd heeft betwist, ter zitting van het Hof inzake die ontvangst heeft verklaard:

“Het Hof houdt mij de in hoger beroep door belanghebbende overgelegde ontvangstbevestiging per email-bericht van ‘Parkeerbezwaar Amsterdam parkeerbezwaar@amsterdam.nl’ betreffende het tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting aangewende rechtsmiddel (geschrift van 8 juli 2016) voor. Ik blijf bij mijn standpunt dat de gemeente Amsterdam vorenbedoeld geschrift nimmer heeft ontvangen. Uit andere zaken is mij bekend dat de gemachtigde van belanghebbende soortgelijke ontvangstbevestigingen indient. Volgens Parkeerbeheer zenden zij niet dergelijke ontvangstbevestigingen per e-mailbericht. Dit gebeurt namelijk schriftelijk; eerst wordt het bezwaar ingeboekt en dan wordt een brief verzonden met de ontvangstbevestiging. In het systeem van Parkeerbeheer is op 8 juli 2016 geen bezwaar van belanghebbende geregistreerd; het onderhavig e-mailbericht van de gemachtigde van belanghebbende is niet teruggevonden in het systeem.”

4 Proceskosten voor de procedure bij het Hof

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met art. 8:108 Awb. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit komt neer op een bedrag van in totaal € 512

( te weten hoger beroepschrift 1 punt + schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep

1 punt x gewicht van de zaak 0,5 x waarde per punt € 512).

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover betrekking hebbend op het beroep van belanghebbende;

  • -

    verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor een hernieuwde behandeling in beroep met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 512;

  • -

    gelast de heffingsambtenaar het griffierecht in hoger beroep van € 126 aan belanghebbende te vergoeden;

  • -

    draagt de griffier op na het onherroepelijk worden van deze uitspraak het gehele dossier met een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr C. Lambeck als griffier.

De beslissing is op 14 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.