Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:452

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
01-05-2019
Zaaknummer
23/000870-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplichting en verduistering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000870-18

datum uitspraak: 14 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-248730-17 en 13-251517-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2018, 31 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-248730-17 (hierna: zaak A):

hij op of omstreeks 10 december 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een taxirit door zich voor te doen als bonafide klant en/of te melden dat hij honderd (100) euro cash bij zich had en/of met het overhandigen van zijn bankpas vertrouwen te wekken;

Zaak met parketnummer 13-251517-17 (hierna: zaak B):

primair:


hij op of omstreeks 11 december 2017 te Amsterdam, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een Rolex horloge, door zich voor te doen als een bonafide koper;

subsidiair:


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 december 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een Rolex horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder en/of als potentiële koper, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair:


meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 december 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een Rolex horloge, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van feit B tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter, de onder B subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten ontbreken in de tenlastelegging opgenomen in de uitwerking van het mondeling vonnis, zoals deze is gehecht achter het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg, en omdat onduidelijk is of het jeugdstrafrecht of het volwassen strafrecht is toegepast, nu de politierechter enerzijds de wettelijke bepalingen inzake het jeugdstrafrecht heeft vermeld, maar anderzijds niet dienovereenkomstig heeft beslist.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van zaak A:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, daartoe stellende dat het wettig en overtuigend bewijs dat er sprake is van een samenweefsel van verdichtsels ontbreekt. Volgens de raadsman heeft de verdachte zich niet anders voorgedaan dan een klant van een taxi en is enkel sprake van het niet nakomen van een overeenkomst wat – volgens de raadsman een civielrechtelijke aangelegenheid is. Het hof komt tot een bewezenverklaring ten aanzien van zaak A op grond van de hierna te noemen feiten en omstandigheden.

De aangever [slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van oplichting. Uit het dossier blijkt dat de verdachte tegen de taxichauffeur [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij honderd euro aan cash geld bij zich had, maar aan het eind van de taxirit bleek hij geen geld bij zich te hebben en heeft hij de taxirit niet afgerekend. Bij de fouillering door de politie is ook geen cash geld bij de verdachte aangetroffen. Voorts heeft de verdachte zijn pinpas op enig moment aan de taxichauffeur overhandigd als een soort borgstelling, wat eveneens kan worden aangemerkt als een handeling om enig vertrouwen te wekken bij de taxichauffeur dat hij over geld kon beschikken.

Bij de vraag of het bovenstaande een oplichting oplevert neemt het hof tevens in aanmerking dat na afgifte van zijn pinpas aan de taxichauffeur, pogingen om daarmee te betalen tevergeefs bleken omdat tot drie maal toe de melding verscheen dat er onvoldoende saldo beschikbaar was. Tot slot betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte, toen bleek dat hij de rekening niet kon betalen, heeft gezegd dat er op het Beursplein een vriend aan het wachten was en dat deze vriend de rekening wel kon betalen. Eenmaal aangekomen op het Beursplein was daar geen vriend van de verdachte aanwezig.

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte door een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen de taxichauffeur heeft bewogen hem in zijn taxi te vervoeren. Door een samenweefsel van verdichtsels heeft de verdachte [slachtoffer 1] aldus bewogen tot het verlenen van een dienst en heeft hij zich schuldig gemaakt aan het strafrechtelijk delict oplichting.

Om die reden is er geen sprake van enkel een civiele aangelegenheid, zoals door de raadsman naar voren is gebracht.

Ten aanzien van zaak B:

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 primair vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat het gebruiken van een andere naam nog geen oplichting oplevert in de zin van de wet.

Het hof overweegt dat uit de tenlastelegging blijkt dat het oplichtingsmiddel dat is aangewend feitelijk heeft bestaan uit het zich voordoen als bonafide koper van een Rolex horloge.

Ten aanzien van dit zich voordoen als bonafide koper is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de verdachte zich, naar later blijkt, in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide koper van het in de tenlastelegging genoemde horloge in de context zoals in deze zaak aan de orde is, niet een of meer van de oplichtingsmiddelen oplevert als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak B primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A ten laste gelegde en in zaak B het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

hij op 10 december 2017 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] heeft bewogen tot het verlenen van een dienst, te weten een taxirit door zich voor te doen als bonafide klant en te melden dat hij honderd euro cash bij zich had en met het overhandigen van zijn bankpas vertrouwen te wekken;

Zaak B, subsidiair:

hij op 11 december 2017 te Amsterdam, opzettelijk een Rolex horloge, toebehorende aan [slachtoffer 2], welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als potentiële koper, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen in de zaak A en in de zaak B subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A en in de zaak B subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak A bewezen verklaarde levert op:

oplichting.

Het in de zaak B subsidiair bewezen verklaarde levert op:

verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak A en in de zaak B subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft de politierechter bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij ‘de strafmaatrichtlijnen die rechtbanken gebruiken voor jeugdigen’ zoals destijds geadviseerd conform het advies van de reclassering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A en zaak B primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, nu geen reden is voor toepassing van het adolescentenstrafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van een taxichauffeur door te doen alsof hij contant geld bij zich had om de taxirit te betalen en heeft zijn bankpas overhandigd waarmee hij het vertrouwen van de taxichauffeur heeft gewekt. De verdachte heeft door op deze manier te handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat door taxichauffeurs in het algemeen in hun klanten wordt gesteld.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een Rolex horloge. De verdachte heeft zich voorgedaan als mogelijke koper van het horloge dat te koop stond aangeboden op Marktplaats en met de verkoper afgesproken in een hotel. De verdachte heeft het horloge om zijn pols gedaan en vervolgens is het horloge verdwenen. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander en daarnaast op het vertrouwen dat particulieren die handelen via Marktplaats behoren te kunnen stellen in kopers.

Het hof past het volwassenenstrafrecht toe, nu de verdachte meerderjarige was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en het daartoe strekkende advies van Reclassering Nederland van 14 januari 2019 dat inhoudt dat er geen redenen zijn het adolescentenstrafrecht toe te passen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 januari 2019 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten veroordeeld. Dat weegt het hof in zijn nadeel mee. Het hof zal bij het bepalen van de strafmaat eveneens rekening houden met het bepaalde in artikel 63 Sr.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaart geen hulp en begeleiding meer te willen, dan wel nodig te hebben. Gelet hierop ziet het hof, met de advocaat-generaal, geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze is ter terechtzitting in eerste aanleg beperkt en bedraagt daardoor € 10.545,00, te weten de gestelde waarde van het horloge op het moment van verduistering. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich blijkens diens verklaring ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van deze toegewezen vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.545,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of het verduisterde horloge daadwerkelijk het Rolex horloge met een waarde van € 10.545,00 betrof.

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak B subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof heeft gelet op de verklaringen van de benadeelde partij, als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris, en de stukken die zijn overgelegd, geen aanleiding te twijfelen aan de echtheid en hoge waarde van het Rolex horloge. Daarbij merkt het hof op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij, toen hij het horloge om had, dacht dat dat echt was.

Het hof heeft bij het vaststellen van de hoogte van de schade van de benadeelde partij gelet op de eigen verklaring van de benadeelde partij (van 28 januari 2019 bij de raadsheer-commissaris) inhoudende dat juweliers niet meer dan € 8.000,00 wilde betalen voor het horloge. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 december 2017.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 63, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak B (met parketnummer 13-251517-17) primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A (met parketnummer 13-248730-17) en in de zaak B (met parketnummer 13-251517-17) subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak A (met parketnummer 13-248730-17) en in de zaak B (met parketnummer 13-251517-17) subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak B (met parketnummer 13-251517-17) subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het in de zaak B (met parketnummer 13-251517-17) subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.000,00 (achtduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 december 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2019.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000870-18

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 14 februari 2019.

Tegenwoordig zijn:

mr. A.M. Kengen, raadsheer,

mr. D. Boessenkool, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M. Spruijt, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.