Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4506

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
07-01-2020
Zaaknummer
200.243.839/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgeefovereenkomst.

Afrekening royalty’s e-book packages.

Rekening en verantwoording van exploitatie licenties door derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.243.839/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/6200070 / HA ZA 16-1235

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 december 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.S. van der Jagt te Amsterdam,

tegen

SPRINGER NATURE B.V.,

voorheen genaamd SPRINGER SCIENCE + BUSINESS MEDIA B.V.

gevestigd te Dordrecht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.J. Louwers te Eindhoven.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Springer genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 1 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Springer als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- conclusie van eis in hoger beroep (overeenkomstig de appeldagvaarding);

- memorie van antwoord;

- akte na antwoord, met producties, van de zijde van [appellant] ;

- antwoordakte na memorie van antwoord van de zijde van Springer.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen (het hof begrijpt: voor zover zijn vordering daarbij is afgewezen) en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn hierna nog weer te geven (in hoger beroep verminderde) vordering zal toewijzen, met veroordeling van Springer in de kosten van het geding.

Springer heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente.

Springer heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.5, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] is de auteur van het boek ‘[titel]’ (verder: het boek). Het boek is in 1981 verschenen. [appellant] heeft op 6 juni 2011 met Springer een ‘Publishing Agreement’ (verder: de overeenkomst) gesloten voor de tweede, herziene uitgave van het boek.

2.2

Springer heeft het boek uitgegeven in geprinte en elektronische versies. De geprinte versies zijn onder te verdelen in hardcover, softcover en ‘MyCopy’ exemplaren, de elektronische versies in individuele e-books en e-books als onderdeel van een pakket van verschillende e-books (e-book packages). Springer heeft ook licenties verstrekt aan derden voor gebruik van het boek.

2.3

De overeenkomst houdt in paragraaf 6, getiteld ‘Royalties’, onder meer in:

‘If the Work is sold electronically as part of a Springer e-book package, Author will receive an equitable share of royalties from the income generated by Springer from the e-book package. The share formula for each individual title within the e-book package will be determined by Springer (…)’.

Paragraaf 8 met als titel ‘Third Party Licensing’ houdt voor zover van belang in:

‘Springer may grant licenses (…) to third parties for uses that Springer or any of its affiliate companies do not exercise. Net proceeds from the licensing of such rights to third parties will be divided between Author and Springer according to industry standards (currently on an equal basis.’.

2.4

Springer heeft de overeenkomst met [appellant] opgezegd tegen 1 januari 2019.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] vordert in dit hoger beroep, zakelijk weergegeven:

a. a) als verklaring voor recht uit te spreken dat Springer tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst door de royalty’s over de exploitatie van het boek als onderdeel van de e-book packages te berekenen op basis van de verkoop van papieren exemplaren van het boek;

b) als verklaring voor recht uit te spreken dat Springer tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst door de royalty’s over de exploitatie van het boek als onderdeel van de e-book packages te berekenen op basis van de verkoop van papieren en individuele e-book exemplaren van het boek;

c) als verklaring voor recht uit te spreken dat Springer jegens [appellant] verplicht is om met derden aan wie zij ten aanzien van het boek rechten verleent afdwingbare afspraken te maken over het aan Springer afleggen van rekening en verantwoording over de exploitatie van de door Springer ten aanzien van de titel verleende rechten, en toe te zien op de nakoming van die afspraken;

d) Springer op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om hem [hof: [appellant] ] inzage te geven in afspraken die zij met derden heeft gemaakt over het afleggen van rekening en verantwoording over de exploitatie van de door Springer ten aanzien van het boek verleende rechten,

een en ander met veroordeling van Springer in de proceskosten.

[appellant] heeft aldus een aantal onderdelen van zijn in eerste aanleg ingestelde vordering laten vallen.

3.2

[appellant] heeft in eerste aanleg ter onderbouwing van het hiervoor beschreven onder a) en b) gevorderde aangevoerd dat de wijze waarop Springer de royalty’s voor de e-books als onderdeel van e-book packages heeft afgerekend, niet strookt met de tekst van paragraaf 6 van de overeenkomst. De rechtbank heeft naar aanleiding daarvan het volgende overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat het ‘equitable share’ van paragraaf 6 van de overeenkomst wordt vastgesteld op basis van de ‘share formula’ die Springer op grond van de overeenkomst eenzijdig kan vaststellen. Dat [appellant] een formule heeft aangedragen die hij redelijk acht kan hem dan ook niet baten. [appellant] heeft voorts onvoldoende onderbouwd dat de uitkomst van de door Springer gehanteerde formule voor hem zo onbillijk uitpakt dat op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken van de overeenkomst. De rechtbank heeft de desbetreffende onderdelen van de vordering op grond van deze overwegingen afgewezen.

3.3

[appellant] heeft een en ander met grief 1 bestreden. Hij heeft door middel van zijn grief niet betwist dat Springer eenzijdig de ‘share formula’ mag vaststellen, zodat dit ook in hoger beroep het uitgangspunt is. De rechtbank heeft bij haar oordeel echter, zo betoogt [appellant] , over het hoofd gezien dat er een rechtstreeks verband dient te bestaan tussen de vergoeding en ‘the income generated by Springer from the e-book package’. De door Springer gehanteerde formule mist elk verband met de daadwerkelijke opbrengst per e-book package zodat in elk geval geen sprake is van een redelijk deel van die opbrengst, aldus [appellant] .

3.4

Tussen partijen staat vast dat Springer met [appellant] heeft afgerekend op de volgende wijze. Springer heeft jaarlijks berekend hoe groot de totale omzet van e-book packages in de branche STM (Science, Technology and Medicine) was ten opzichte van de totale omzet aan geprinte boeken in die branche, en deze verhouding uitgedrukt in een percentage. Springer heeft vervolgens, als vergoeding voor het gebruik van het boek in e-book packages, de aan [appellant] toekomende royalty’s voor geprinte versies van zijn boek vermeerderd met dit percentage. Springer heeft op deze wijze de aan [appellant] toekomende vergoeding voor het gebruik van zijn boek in e-book packages wel degelijk gerelateerd aan de door haar behaalde omzet aan e-book packages. Uit niets blijkt dat een en ander in strijd is met de overeenkomst. Die schrijft niet voor - voor zover dat al tot een ander resultaat zou leiden - dat per individuele e-book package dient te worden afgerekend, en evenmin dat dit dient te gebeuren naar rato van de prijzen van de printversies van de diverse boeken in het e-book package, zoals [appellant] voorstaat. Dit kan niet worden afgeleid uit het enkele gebruik van het woord ‘royalty’. De bepaling met deze titel bevat immers juist een specifieke regeling voor de vergoeding van het gebruik van het boek in e-book packages, waarbij het aan Springer is om een formule voor de bepaling van het ‘equitable share’ vast te stellen.

3.5

Springer heeft in verband met de door haar gehanteerde berekeningswijze nog aangevoerd dat het aantal verkochte geprinte versies van een boek (en het aantal verkochte individuele e-books, waarmee zij sinds 2016 rekening houdt) de beste indicatie is voor de populariteit en dus de ‘waarde’ van een boek, ook voor een boek dat deel uitmaakt van een e-book package. [appellant] heeft niet voldoende gemotiveerd bestreden dat dit zo is. Hij heeft in zijn akte na antwoord weliswaar aangevoerd dat zijn boek in de e-book packages een meer dan gemiddelde belangstelling trok, maar Springer heeft dit in haar antwoordakte gemotiveerd bestreden zodat dit niet is vast komen te staan. [appellant] heeft ter zake ook geen bewijs aangeboden. Een en ander betekent te meer dat de wijze van vergoeden, waarbij als grondslag het aantal verkochte geprinte boeken wordt gebruikt, leidt tot een ‘equitable share’. Alleen al daarom kan niet worden geconcludeerd dat de berekeningswijze in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

3.6

[appellant] heeft nog erop gewezen dat hij over de jaren 2012 tot en met 2015 een royalty van € 9,61 per geprinte versie ontving en een bedrag van slechts € 0,38 per e-book als onderdeel van een e-book package. Dat enkele feit maakt echter nog niet dat de door Springer gehanteerde berekeningswijze in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid of dat de toepassing van het beding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Springer gaat immers - onweersproken - uit van de daadwerkelijk gegenereerde omzetten. Uit de door Springer vergoede bedragen is af te leiden dat de omzet uit e-book packages in de branche SMT kennelijk een stuk lager is dan de omzet uit geprinte versies. [appellant] heeft daaromtrent niets aangevoerd.

Al met al faalt grief 1.

3.7

[appellant] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de inkomsten uit licentieverlening aan bibliotheken, ofwel de inkomsten uit ‘short time loans’, hem onaannemelijk laag voorkomen. Springer zou hem daarop slechts hebben geantwoord dat zij afhankelijk is van informatie van derden. Het is mede daarom de verantwoordelijkheid van Springer, aldus [appellant] , om met derden waaraan zij een licentie verleent afdwingbare afspraken te maken over het afleggen van rekening en verantwoording. [appellant] heeft, zo stelt hij, belang bij een verklaring voor recht die daartoe strekt en tevens belang bij inzage in de afspraken die Springer met derden heeft gemaakt. De rechtbank heeft de daarop betrekking hebbende onderdelen van zijn vordering, zoals hiervoor bij 3.1 onder c) en d) weergegeven, afgewezen. De rechtbank overwoog dat niet is vast komen te staan dat partijen zijn overeengekomen dat Springer met derden afspraken zou moeten maken inzake het afleggen van rekening en verantwoording en voorts dat het beroep van [appellant] op de redelijkheid en billijkheid concrete onderbouwing mist.

3.8

Grief 2 is gericht tegen de afwijzing en de overwegingen die tot deze afwijzing hebben geleid. [appellant] voert bij zijn grief aan dat uit de aard van de overeenkomst, een uitgeefovereenkomst, voortvloeit dat Springer werkzaamheden voor hem als auteur verricht en dat zij deze werkzaamheden zodanig administreert dat zij het aan hem als auteur toekomende deel van haar inkomsten kan afdragen.

3.9

Het hof overweegt als volgt. De overeenkomst bepaalt dat aan [appellant] de helft toekomt van hetgeen Springer van derden ontvangt in verband met door Springer aan derden verleende licenties. Springer dient in verband daarmee inzage te verschaffen in haar inkomsten uit die licenties. Dat heeft Springer ook gedaan door middel van de jaarlijks aan [appellant] verstrekte ‘royalty statements’. [appellant] heeft niet aangevoerd dat die statements onjuiste informatie bevatten over de inkomsten van Springer uit de licenties aan derden.

3.10

Met zijn vordering wenst [appellant] niet zozeer inzage te verkrijgen in de inkomsten van Springer uit de licentieverleningen aan derden, maar in de exploitatie van zijn boek door die derden. Ook wenst hij Springer te verplichten om aan derden een rekening- en verantwoordingsplicht op te leggen. Het voert naar het oordeel van het hof echter te ver om dergelijke verplichtingen van Springer af te leiden enkel uit de strekking van de overeenkomst. De tekst van de overeenkomst geeft evenmin aanleiding dergelijke verplichtingen aan te nemen. [appellant] heeft daarnaast niet toegelicht dat en waarom er in zijn geval een concrete aanleiding is om alsnog deze verplichtingen aan de zijde van Springer aan te nemen. Hij heeft bijvoorbeeld niet toegelicht waaruit blijkt dat de inkomsten uit ‘short time loans’ onaannemelijk laag zouden zijn. Op grond van een en ander faalt ook de tweede grief.

3.11

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Springer begroot op € 726,- aan verschotten en € 1.641,- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.