Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4479

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2019
Datum publicatie
31-12-2019
Zaaknummer
200.246.177/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:4521
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie. Uitleg overeenkomst. Grove miskenning van de wettelijke maatstaven onvoldoende onderbouwd. Bepaling draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.246.177/01

zaaknummer rechtbank: C/15/262050 / FA RK 17-4311

beschikking van de meervoudige kamer van 10 december 2019 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.A.J.A. Luijten te 's-Hertogenbosch,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.A. Johannsen te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar) van 30 mei 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 29 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 30 mei 2018.

2.2.

De man heeft op 29 oktober 2018 een verweerschrift en vordering op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) subsidiair artikel 21 jo 22 Rv tevens houdende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 17 december 2018 een verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 20 maart 2019 met bijlagen (loonspecificaties en gegevens nieuwe auto vrouw), ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 25 maart 2019 met bijlagen (15 t/m 27), ingekomen op 26 maart 2019.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 5 april 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

2.6.

Partijen hebben zoals afgesproken nog stukken overgelegd na de mondelinge behandeling. Op 23 april 2019 zijn stukken van de zijde van de vrouw ingekomen (factuur en betalingsbewijs vader, de aangifte en voorlopige aanslag IB 2018).

Op diezelfde datum zijn bij het hof stukken van de zijde van de man ingekomen (jaaropgaven 2018, IB 2017 en 2018, arbeidsovereenkomst, aanslag IB 2017, laatste loonspecificatie). Partijen hebben over en weer op elkaars stukken gereageerd. Deze reacties zijn op 7 mei 2019 bij het hof ingekomen.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn [in] 2000 gehuwd. Hun huwelijk is op 6 mei 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 februari 2015 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Uit het huwelijk zijn geboren:

- [A] , [in] 2001 (hierna: [kind A] ),

- [B] , [in] 2004 (hierna: [kind B] ) en

- [C] , geboren [in] 2007 (hierna: [kind C] ), (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen verblijven sinds de echtscheiding bij de vrouw.

3.3.

Bij de echtscheidingsbeschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van € 356,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw en voorts dat de man met ingang van diezelfde datum aan de vrouw € 1.927,- per maand dient te betalen als uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie).

3.4.

Partijen hebben medio 2017 een (vaststellings)overeenkomst getekend. In de overeenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:

“VASTSTELLINGOVEREENKOMST

Overwegen het volgende:

(...)

“- dat de uitgangspunten voor de vaststelling van partneralimentatie en kinderalimentatie

zijn gewijzigd, zodat [de man] vanaf eind 2015/begin 2016 minder alimentatie verschuldigd

had geweest.

- dat [de man] de indexering over de alimentatie over 2016 en 2017 niet heeft voldaan.

- dat er op donderdag 20 april 2017 een bespreking heeft plaatsgehad.

- dat partijen tijdens de bespreking overeenstemming hebben bereikt en de afspraken wensen

neer te leggen in deze vaststellingsovereenkomst.

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

1. Partijen komen overeen dat [de man] de maandelijkse betaling van de partneralimentatie van € 1.927,- per maand zal blijven voldoen tot 1 december 2017, waarna de verplichting tot het voldoen van partneralimentatie eindigt.

2. Partijen komen overeen dat [de man] de kinderalimentatie van € 356,- per kind per maand zal blijven voldoen. [de man] blijft de alimentatie voldoen, totdat er tussen partijen een ander bedrag wordt overeengekomen (uiterlijk 1 september 2017), dan wel totdat de rechtbank anders heeft beslist.

3. Partijen komen overeen dat [de man] geen indexering hoeft te voldoen over de alimentatie (periode 2016 en 2017).

4. Partijen komen overeen dat [de man] geen aanspraak maakt op terugbetaling van de reeds genoten alimentatie.

5. Indien één of meer bepalingen van deze vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig blijkt/blijken, dan blijft de vaststellingsovereenkomst voor het overige van kracht, en zal er

overleg worden gevoerd teneinde een vervangende bepaling schriftelijk overeen te komen,

die wel rechtsgeldig is en zo veel mogelijk aansluit bij de strekking van de te vervangen

bepaling.

(…)”

3.5.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1970.

Hij is met ingang van 7 mei 2018 in dienst bij [werkgever 1] . Zijn salaris bedroeg volgens de salarisspecificatie van september 2018 € 10.500,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Blijkens de salarisspecificaties over januari en februari 2019 bedraagt zijn salaris thans € 10.720,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. De fiscale bijtellling van de auto bedraagt € 1.076,- per maand.

De man was in 2016 en 2017 in loondienst bij [werkgever 2] . Blijkens de jaaropgaven over 2016 en 2017 was zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 117.076,- en € 129.496,-. De fiscale bijtelling privégebruik auto bedroeg in 2017 € 7.132,-.

3.6.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1972.

De vrouw drijft sinds medio 2015 een eenmanszaak [de onderneming] . Het bedrijfsresultaat in de jaren 2015 t/m 2018 bedroeg respectievelijk in 2015 € 32.235,- (aangifte IB 2015) dan wel € 45.085,- (bericht van de accountant van de vrouw bij begroting 2018), in 2016 € 96.837,-, in 2017 € 74.296,- en € 69.098,- in 2018.

De vrouw heeft in 2018 een bedrijfsauto aangeschaft voor € 30.093,-, waarvoor zij een lening van € 20.000,- heeft afgesloten bij Hyundai Finance.

De vrouw heeft in 2015 bij haar ouders twee leningen afgesloten om het bedrijf over te kunnen nemen van in totaal € 100.000,-. In de geldleenovereenkomst tussen de vrouw en haar ouders is opgenomen dat de vrouw jaarlijks, voor het eerst op 31 december 2016, € 20.000,- dient af te lossen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2015 in zoverre, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum van de beschikking (30 mei 2018) bepaald op € 201,- per kind per maand.

De man had verzocht de kinderbijdrage met ingang van 1 september 2017 te bepalen op € 150,- per kind per maand. De vrouw had verzocht de kinderbijdrage met ingang van 1 december 2017 te bepalen op € 374,67 per kind per maand.

Het verzoek van de vrouw dat de man aan haar een partnerbijdrage dient te (blijven) voldoen van € 1.993,04 met ingang van 1 december 2017 en ingaande 1 januari 2018 van € 2.736,17 per maand, is afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen – samengevat – dat er geen grond is de vaststellingsovereenkomst te vernietigen met een beroep op misbruik van omstandigheden, zoals de vrouw had verzocht.

4.2.

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

A. ten aanzien van de kinderalimentatie:

primair: de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 december 2017, althans met ingang van de datum van indiening van het beroepschrift, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, te bepalen op € 555,- per kind per maand;

subsidiair de kinderalimentatie zoals bepaald bij de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2015 in stand te laten;

B. ten aanzien van de partneralimentatie:

primair: de overeenkomst tussen partijen van 16 mei 2017 zodanig uit te leggen dat partijen in artikel 1 van de overeenkomst een nihilstelling van de partneralimentatie zijn overeengekomen;

de overeenkomst gedateerd 16 mei 2017 op grond van grove miskenning van de wettelijke maatstaven te wijzigen (artikel 1:401 lid 5 BW) en te bepalen dat de man met ingang van 1 december 2017, althans met ingang van de datum van indiening van het beroepschrift, althans een zodanige datum als het hof juist acht, dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.023,- (bruto) per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, voor zover het toekomstige termijnen betreft bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

subsidiair: de overeenkomst gedateerd 16 mei 2017 op grond van misbruik van omstandigheden en/of bedrog (artikel 3:44 lid 3 en 4 BW) en/of dwaling (artikel 6:228 lid 1 sub a en c BW) te vernietigen, althans te bepalen dat artikel 1 van de overeenkomst op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet van toepassing is (artikel 6:248 lid 2 BW);

meer subsidiair: de door partijen in artikel 1 van de overeenkomst gedateerd 16 mei 2017 opgenomen termijn van 1 december 2017 waarop de partneralimentatieverplichting eindigt, te schrappen, dan wel te wijzigen in de wettelijke termijn van twaalf jaar, althans te verlengen tot een zodanige termijn als het hof juist acht, op grond van een zo ingrijpende wijziging van het werkelijk beschikbare inkomen van de vrouw dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd (artikel 1:401 lid 2 BW);

C. de totale betalingsachterstand van de man ter zake van de kinder- en partneralimentatie vast te stellen en te bepalen dat de man binnen veertien dagen na de beschikking de totale betalingsachterstand aan de vrouw dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van de beschikking bij gebreke van tijdige betaling.

4.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans die af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief de kosten in het incident en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

De man verzoekt in incident:

De vrouw bij tussenbeschikking te bevelen binnen een door het hof te bepalen termijn alle informatie over te leggen betreffende de door de vrouw gedreven onderneming, inclusief de BTW aangiften over de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018, waarbij volledig inzichtelijk moet blijken de huisvestingskosten/investeringskosten en personeelskosten, alsmede het hypotheekdossier betreffende de haar in eigendom toebehorende woning, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat zij nakoming van hetgeen ten deze te geven bevel in gebreke blijft; subsidiair op artikel 21 jo 22 Rv dat het hof, met gebruikmaking van artikel 22 Rv de vrouw opdraagt voornoemde stukken in het geding te brengen.

Voorts verzoekt de man in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (het hof begrijpt: indien het hof komt tot een herberekening van de alimentatie, althans het hof van oordeel is dat de vaststellingsovereenkomst dient te worden vernietigd):

- de vaststellingsovereenkomst te vernietigen voor zover daarin is opgenomen dat de man afstand heeft gedaan van terugbetaling door de vrouw van teveel ontvangen alimentatie;

- te bepalen dat de vrouw een verplichting heeft met terugwerkende kracht vanaf de datum van de echtscheidingsbeschikking de teveel genoten alimentatie terug te betalen;

- de vrouw te verplichten binnen 14 dagen na de beschikking van het hof over te gaan tot terugbetaling, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.4.

De vrouw verzoekt de verzoeken van de man in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Tussen partijen is de partner- en kinderalimentatie in geschil.

Kinderalimentatie

5.2.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van de kinderen. Niet in geschil is dat de behoefte van de kinderen op grond van de toepasselijke tabellen in 2014 € 1.815,- per maand bedroeg. De vrouw is van mening dat de behoefte dient te worden vermeerderd met bijzondere kosten en dat de rechtbank de behoefte van de kinderen had dienen te indexeren tot en met 2018, nu de rechtbank de ingangsdatum heeft bepaald op 30 mei 2018. De man is van mening dat geen sprake is van bijzondere kosten en dat de behoefte van de kinderen pas met ingang van 1 januari 2016 dient te worden geïndexeerd, nu deze behoefte is vastgesteld in de echtscheidingsbeschikking van 25 februari 2015.

Het hof zal de ingangsdatum van de kinderbijdrage bepalen op dezelfde datum als de rechtbank heeft gedaan, te weten 30 mei 2018. De vrouw heeft in hoger beroep primair verzocht de bijdrage met ingang van 1 december 2017 vast te stellen, maar zij heeft deze ingangsdatum niet nader onderbouwd. Nu het hof de bijdrage met ingang van 30 mei 2018 zal vaststellen is het hof met de vrouw van oordeel dat de behoefte dient te worden geïndexeerd naar 2018. Aangezien de behoefte van de kinderen is vastgesteld aan de hand van de toepasselijke tabellen in 2014 zal het hof de indexering toepassen vanaf 2015. De behoefte van de kinderen bedraagt in 2018 dan € 1.921,- per maand.

De vrouw stelt dat de behoefte van de kinderen dient te worden verhoogd met tenminste € 100,- per kind per maand in verband met bijzondere kosten. Deze kosten betreffen de hogere onderwijskosten in verband met het tweetalig onderwijs van [kind A] , de bijlessen van [kind A] , de huiswerkbegeleiding van [kind B] twee dagen per week, het Squlapakket van [kind C] en de kosten van selectiehockey van [kind B] en [kind C] . De man betwist (de noodzaak van) deze kosten, en als deze kosten al worden gemaakt zijn dit volgens de man geen behoefte verhogende kosten.

Het hof overweegt dat bepaalde extra kosten de behoefte van kinderen kunnen verhogen omdat deze kosten zo uitzonderlijk zijn dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen. In welke gevallen naast de tabelbedragen nog met bijzondere kosten rekening moet worden gehouden, kan slechts in globale termen worden aangegeven omdat allerlei kosten/activiteiten uitwisselbaar zijn. Voorts blijkt dat hogere uitgaven aan de ene uitgavenpost samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw de door haar gestelde bijzondere kosten, de noodzaak daartoe, alsmede het uitzonderlijke karakter ervan onvoldoende heeft onderbouwd.

Uit het voorgaande volgt dat de behoefte van de kinderen in 2018 € 1.921,- oftewel (afgerond) € 640,- per kind per maand bedraagt.

5.3.

Voorts is de draagkracht van partijen in geschil. Het hof zal hierna de draagkracht van beide ouders berekenen teneinde ieders aandeel in de kosten van de kinderen vast te kunnen stellen. Het hof zal daarbij het netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule (70% [NBI – (0,3 x NBI + 920)] in 2018 en (70% [NBI – (0,3 x NBI + 950)] ) in 2019. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 920,- in 2018, althans € 950,- in 2019, aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.4.

Aan de zijde van de man gaat het hof uit van zijn inkomen bij [werkgever 1] , bij welk bedrijf hij met ingang van 7 mei 2018 werkzaam is. Het hof neemt bij de berekening van zijn draagkracht het jaarinkomen zoals vermeld op de salarisspecificaties van januari en februari 2019 tot uitgangspunt, te weten € 155.456,-. Bij de door de man na de zitting overgelegde stukken bevindt zich een salarisspecificatie van april 2019, waarop als jaarloon staat vermeld € 145.807,-. In de begeleidende brief van de man staat als toelichting enkel dat een correctie is toegepast omdat de werkgever het jaarloon te hoog had vastgesteld. De vrouw heeft in haar reactie op deze stukken dit lagere jaarinkomen betwist. Het hof overweegt dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk is waarom het salaris aanvankelijk te hoog zou zijn vastgesteld. De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij dacht dat het bedrag van € 155.456,- op zijn salarisspecificatie te hoog was, omdat misschien het vakantiegeld vooruit was uitgekeerd of omdat er rekening was gehouden met een bonus die niet wordt uitgekeerd. De vrouw heeft dit ter zitting betwist. Het had onder deze omstandigheden op de weg van de man gelegen om de wijziging van zijn jaarinkomen in de na de zitting overgelegde salarisspecificatie nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met een verklaring van zijn werkgever waarin de reden van de verlaging is uitgelegd. Dat de man dit niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico. Dit geldt temeer nu op grond van de salarisspecificaties niet duidelijk is hoe het bedrag van € 145.807,- is samengesteld. Het hof zal daarom uitgaan van het hogere inkomen zoals blijkt uit voornoemde eerdere salarisspecificaties. Daarop wordt in mindering gebracht de fiscale bijtelling van de auto van € 1.076,- per maand.

In haar reactie van 7 mei 2019 op de na de zitting overgelegde financiële stukken van de man stelt de vrouw dat gelet op het box 3 vermogen van de man en zijn partner zoals dat blijkt uit de aangiftes IB over 2017 en 2018, rekening dient te worden gehouden met een inkomen uit vermogen van € 1.000,- netto per jaar. Het hof constateert dat dit een nieuwe grief is van de vrouw. Het hof acht het in strijd met de eisen van de goede procesorde om deze grief toe te laten gelet op het late tijdstip in de procedure en omdat de man zich niet meer tegen deze grief kan verweren. Ten overvloede overweegt het hof dat het door de vrouw gestelde bedrag van € 1.000,- netto per jaar onvoldoende is onderbouwd, mede in aanmerking genomen dat het vermogen zoals opgenomen in de aangiftes niet alleen het vermogen van de man betreft, maar ook dat van zijn partner. Er is geen enkele reden om eventuele inkomsten uit vermogen van de partner van de man toe te rekenen aan de man.

Daarnaast stelt de vrouw in haar reactie dat gelet op de door de man na de zitting overgelegde financiële stukken uitgegaan dient te worden van een bonus van € 20.000,- per jaar en een totaal inkomen van circa € 180.000,- per jaar. Het hof gaat hieraan eveneens voorbij om de volgende redenen. Zoals reeds overwogen is de man met ingang van 7 mei 2018 in dienst bij zijn huidige werkgever [werkgever 1] . De jaaropgave van [werkgever 2] ziet op de periode voor de ingangsdatum van de kinderbijdrage. Daarnaast blijkt uit de door de man overgelegde stukken dat hij in 2018 tevens € 20.000,- heeft ontvangen van [werkgever 3] . De man stelt in zijn toelichting op de stukken dat dit een eenmalige uitkering was omdat dit bedrag in 2016 ten onrechte niet was uitgekeerd. Uit de aangifte over 2017 blijkt dat de man in dat jaar geen inkomsten bij deze werkgever heeft genoten. Het hof ziet gelet op de toelichting en de overige stukken geen aanleiding om het bedrag van € 20.000,- op te tellen bij het jaarinkomen van de man bij zijn huidige werkgever, zoals de vrouw stelt.

Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt, uitgaande van het jaarinkomen van € 155.456,- en de fiscale bijtelling van de auto buiten beschouwing latend, € 6.414,- per maand in 2018 en € 6.535,- in 2019.

Zijn draagkracht op grond van de formule bedraagt in 2018 (70% [NBI – (0,3 x NBI + 920)]= € 2.499,- en in 2019 (70% [NBI – (0,3 x NBI + 950)] ) = € 2.538,-.

5.5.

Partijen verschillen ook van mening over de draagkracht van de vrouw. Tussen hen is in geschil van welk bedrijfsresultaat uitgegaan dient te worden bij het berekenen van de draagkracht van de vrouw, of daarbij rekening dient te worden gehouden met verschillende kosten en of rekening dient te worden gehouden met een jaarlijkse aflossing op de lening van de vrouw bij haar ouders.

De vrouw heeft allereerst aangevoerd dat de rechtbank bij het bepalen van haar draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze aflossing van € 20.000,- per jaar. De man heeft dit betwist.

Het hof overweegt dat de vrouw teneinde de overname van het bedrijf [de onderneming] te financieren in 2015 bij haar ouders een lening is aangegaan van in totaal € 100.000,- op welke lening zij jaarlijks € 20.000,- dient af te lossen. Zij heeft de leningsovereenkomst overgelegd. Ter zitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat in 2019 nog € 16.220,- van de lening resteert. Het hof acht het redelijk rekening te houden met de aflossing op de lening. De vrouw heeft de noodzaak tot en het bestaan van de lening, evenals de aflossingen op deze lening (gelet op de snelle afname van de schuld) voldoende onderbouwd. Anders dan de man stelt is de aflossing op de lening niet verwerkt in de winst- en verliesrekening en drukt deze dus niet op het bedrijfsresultaat. De man is voorts van mening dat het feit dat de vrouw ervoor heeft gekozen om zeer snel aan haar ouders af te lossen op deze lening niet aan hem kan worden tegengeworpen. Het hof overweegt dat de vrouw misschien andere afspraken had kunnen maken, maar dat anderzijds de lening nu binnen afzienbare tijd is afgelost. Het hof zal gelet op het voorgaande in 2018 bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw rekening houden met een aflossing van € 20.000,- per jaar (€ 1.667,- per maand) en in 2019 van € 16.220,- per jaar (€ 1.352,- per maand). Met ingang van 1 januari 2020 vervalt de aflossing op de lening. Dit betekent dat de kinderalimentatie voor verschillende periodes vastgesteld zal worden. Om praktische redenen zal het hof de laatste periode laten ingaan op 1 december 2019 (in plaats van 1 januari 2020). Dit gelet op het feit dat [kind A] [in] 2019 achttien jaar wordt en vanaf dat moment derhalve jongmeerderjarig is. Het hof kan na die datum geen door de man aan [kind A] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie vaststellen, nu het een procedure tussen de man en de vrouw betreft. Het hof merkt hierbij op dat de met ingang van 1 december 2019 vastgestelde bijdrage ten behoeve van [kind A] doorloopt nadat zij achttien is geworden, maar dat de man de bijdrage na die datum aan [kind A] dient te voldoen en niet aan de vrouw.

Partijen zijn voorts van mening dat de jaarcijfers van de onderneming van de vrouw dienen te worden gecorrigeerd: volgens de vrouw naar beneden, volgens de man naar boven.

De vrouw voert een aantal stelposten op die in mindering dienen te worden gebracht op het resultaat, te weten de kosten van de bedrijfsauto, althans de aflossing op een lening van € 20.000,- in verband met de aanschaf van die bedrijfsauto, kosten voor de uitbesteding van de administratie en de kosten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De vrouw heeft op 3 december 2018 een bedrijfsauto van € 30.093,- aangeschaft. Zij heeft om de aankoop te financieren een lening afgesloten van € 20.000,-. Uit de door de vrouw overgelegde financial leaseovereenkomst blijkt dat de aflossing € 459,49 per maand is voor de duur van 48 maanden. Voorts heeft de vrouw een door BDO opgestelde prognose overgelegd waarin rekening is gehouden met een post van € 3.400,- aan autokosten. Voor het hof is niet duidelijk met welk bedrag de vrouw verzoekt rekening te houden. Anders dan door de vrouw is gesteld ziet het hof geen aanleiding om tot en met 2020 rekening te houden met een (totale) aflossing op leningen van € 20.000,- per jaar, zoals door de vrouw gesteld, nu de lening aan de ouders van de vrouw in 2019 is afgelost en de aflossing met betrekking tot de auto geen € 20.000,- per jaar betreft. Het hof zal met ingang van 2019 rekening houden met het in de prognose van BDO opgenomen bedrag aan kosten voor de auto en zal dit in mindering brengen op het resultaat.

Voorts stelt de vrouw dat rekening dient te worden gehouden met een bedrag aan kosten in verband met de uitbesteding van de administratie. Het hof overweegt dat in de jaarrekening over 2018 reeds rekening is gehouden met een bedrag aan administratiekosten ter hoogte van € 7.650,-. Haar vader deed evenals in voorgaande jaren de administratie, hij werd hiervoor in 2018 voor het eerst betaald. De vrouw heeft na de zitting de factuur en het betalingsbewijs overgelegd. De man heeft betwist dat rekening dient te worden gehouden met administratiekosten omdat de vader van de vrouw de administratie doet. Als al rekening wordt gehouden met administratiekosten, is het bedrag van € 7.650,- te hoog. Hij heeft de factuur en de betaling eveneens betwist. Het hof is van oordeel dat de vrouw met de door haar overgelegde stukken voldoende heeft onderbouwd dat de administratiekosten in 2018 zijn gemaakt en acht deze redelijk. Het hof ziet echter in het door de vrouw gestelde geen aanleiding om rekening te houden met hogere kosten dan het bedrag van € 7.650,-.

Ten aanzien van de door de vrouw opgevoerde stelpost met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering (het hof gaat hierbij uit van het door de vrouw genoemde en in de prognose 2019 van BDO opgenomen bedrag van € 4.518,- per jaar) overweegt het hof als volgt. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij deze verzekering nog niet heeft afgesloten. Het hof zal tot december 2019 daarom nog geen rekening houden met deze post. Het hof acht het echter wel redelijk dat de vrouw als ondernemer een dergelijke verzekering afsluit. Het hof zal de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering daarom voor de periode met ingang van 1 december 2019 meenemen bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw (en niet in mindering brengen op het bedrijfsresultaat).

De man is van mening dat het bedrijfsresultaat van de vrouw in werkelijkheid juist hoger is dan uit de jaarstukken blijkt. Hij stelt dat de cijfers van de onderneming worden gemanipuleerd om de winst kunstmatig laag te houden. Hij voert hiertoe aan dat de kosten in de jaarrekening (2018) te hoog zijn, zoals de administratiekosten en de adviseurskosten, en dat de incourante voorraad te hoog is. Daarnaast is de man van mening dat de kosten voor de pensioenvoorziening geschrapt moeten worden en wijst hij er op dat de vrouw bijzonder hoge privéonttrekkingen doet. Op grond van zijn stellingen komt de man tot een genormaliseerde winst van € 119.000,- in 2018 en een prognose voor 2019 van € 116.000,-. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw verscheidene stukken dient over te leggen, zowel op grond van artikel 21 jo 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (door de man genoemd als verzoek in incident) als op grond van artikel 843a Rv (in zijn verweer in hoger beroep). De man is van mening dat de vrouw de BTW aangiftes over de jaren 2015 t/m 2018 moet overleggen en de huisvestings-/investeringskosten en personeelskosten volledig inzichtelijk moet maken. Voorts verzoekt hij te bepalen dat zij alle onderliggende fiscale jaarstukken van de onderneming, de ingediende fiscale stukken bij de belastingdienst vanaf de start van de onderneming, de onderliggende stukken en aflossingen voor wat betreft de lening en ook de stukken betreffende de huurverplichtingen en afschrijvingen dient over te leggen. De man heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd toegelicht dat hij wil weten op grond van welk inkomen de bank de hypotheek aan de vrouw heeft verstrekt en dat hij daarom het hypotheekdossier wenst te hebben. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd waarom het voor de beoordeling van het hoger beroep noodzakelijk is dat de vrouw de door hem genoemde stukken overlegt. De vrouw heeft de jaarstukken van haar onderneming overgelegd van 2015 t/m 2018, alsmede aangiften inkomstenbelasting. De jaarstukken zijn opgesteld door BDO Accountants & Belastingadviseurs B.V. Het hof acht zich op grond van de overgelegde stukken voldoende voorgelicht en heeft geen aanleiding aan de betrouwbaarheid van de stukken te twijfelen. Ook zonder het overleggen van de gevraagde stukken is een behoorlijke rechtsbedeling gewaarborgd. Het hof volgt de man niet in zijn stelling (ingenomen ter zitting in hoger beroep) dat uit de mededeling van BDO bij de jaarrekening van [de onderneming] “opgesteld onder verantwoordelijkheid van de entiteit” zou blijken dat de vader van de vrouw invloed uitoefent op de cijfers. Het hof zal het verzoek van de man om nadere informatie dan ook afwijzen.

Het hof overweegt in dit verband voorts dat de man, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat de in de door BDO opgestelde jaarrekening opgenomen kosten geen reële kosten zouden zijn. Ten aanzien van de administratiekosten is reeds overwogen dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij die kosten in 2018 daadwerkelijk heeft betaald. De privéopnamen van de vrouw zijn niet van invloed op het bedrijfsresultaat zodat deze stelling geen bespreking behoeft. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding het bedrijfsresultaat te corrigeren op de door de man voorgestane wijze.

5.6.

Het hof zal gelet op al hetgeen hiervoor in 5.5. is overwogen bij het berekenen van de draagkracht van de vrouw de volgende financiële gegevens tot uitgangspunt nemen.

Voor de periode van 30 mei 2018 tot 1 januari 2019 gaat het hof uit van het bedrijfsresultaat over 2018, nu de vrouw dat inkomen in 2018 daadwerkelijk heeft genoten. Het hof houdt daarnaast in die periode rekening met de aflossing van € 20.000,- op de lening van haar ouders. Deze aflossing wordt in mindering gebracht op het inkomen van de vrouw na belasting. Het hof ziet geen aanleiding het resultaat te verminderen met stelposten nu de vrouw in 2018 die kosten niet heeft gemaakt.

Voor de periode vanaf 1 januari 2019 ziet het hof aanleiding uit te gaan van een gemiddeld bedrijfsresultaat over de jaren 2017 en 2018. Het hof ziet geen aanleiding rekening te houden met het resultaat over 2015, aangezien dit inmiddels vier jaar geleden is behaald. Bovendien betreft het door de vrouw genoemde bedrag van € 32.235,- het resultaat behaald in een periode van vijf maanden (zoals blijkt uit de stukken en door de vrouw ter zitting in hoger beroep desgevraagd ook is bevestigd) en niet in een heel jaar. Het jaar 2016 acht het hof niet representatief omdat dit het eerste volledige jaar is geweest dat de vrouw de onderneming dreef en zij, zoals zij heeft toegelicht, in dit jaar als startend ondernemer de kosten voorzichtigheidshalve kunstmatig laag heeft gehouden, bijvoorbeeld door de administratie gratis door haar vader te laten doen en relatief weinig personeel in te huren. De door de vrouw overgelegde prognose over 2019 waaruit een bedrijfsresultaat van € 52.419,- zou blijken, betrekt het hof niet bij de berekening van het gemiddelde resultaat nu dit slechts een prognose betreft. Het hof overweegt in dit verband dat de door de vrouw in haar beroepsschrift genoemde prognose voor 2018 ook aanzienlijk lager was dan het uiteindelijke resultaat.

Het gemiddeld resultaat over 2017 en 2018 bedraagt € 71.697,-. Het hof ziet aanleiding om dit resultaat enigszins te corrigeren. Met betrekking tot de administratiekosten overweegt het hof dat deze wel in de jaarrekening 2018 zijn verwerkt, maar niet in de jaarrekening over 2017. De vrouw heeft die kosten in 2017 ook niet gemaakt omdat haar vader de administratie deed en daar toen nog niet voor werd betaald. Met ingang van 2018 zijn deze kosten wel gemaakt en ook voor de toekomst acht het hof het redelijk rekening te houden met een bedrag aan administratiekosten. Als in de jaarrekening 2017 met eenzelfde bedrag aan administratiekosten rekening was gehouden als in 2018 zou het resultaat in 2017 € 66.646,- hebben bedragen. Het gemiddelde bedrijfsresultaat bedraagt dan € 67.872,-. Het hof zal voorts een bedrag van € 3.400,- in mindering brengen op het resultaat in verband met de kosten van de auto.

Dit leidt ertoe dat het hof voor de periode met ingang van 1 januari 2019 uitgaat van een bedrijfsresultaat van € 64.472,-. Daarnaast houdt het hof bij de berekening van het NBI rekening met een aflossing van € 16.220,- op de lening van de ouders van de vrouw.

Voor de periode met ingang van 1 december 2019 gaat het hof uit van eenzelfde bedrijfsresultaat. De lening van de ouders van de vrouw is (met ingang van 1 januari 2020) afgelost, zodat hiermee geen rekening meer wordt gehouden. Wel houdt het hof bij de berekening van het NBI van de vrouw rekening met een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Het hof komt zo tot de volgende draagkracht van de vrouw: voor de periode van 30 mei 2018 tot 1 januari 2019 bedraagt het NBI van de vrouw € 4.557,- te verminderen met de aflossing op de lening van € 20.000,- ad € 1.667,- per maand = € 2.890,- per maand. Haar draagkracht op grond van de formule bedraagt dan € 772,- per maand.

Het NBI van de vrouw bedraagt met ingang van 1 januari 2019 tot 1 december 2019 € 4.499,- per maand, te verminderen met de aflossing op de lening van € 16.220,- ad € 1.352,- per maand, derhalve € 3.147,- per maand. Haar draagkracht op grond van de formule bedraagt dan € 877,- per maand.

Voor de periode met ingang van 1 december 2019 berekent het hof het NBI van de vrouw op € 4.246,- en haar draagkracht op € 1.415,- per maand.

5.7.

Het hof zal hierna per periode het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen uitrekenen en daarbij tevens rekening houden met de zorgkorting waarop de man aanspraak kan maken. Wat betreft de zorgkorting overweegt het hof als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de zorgkorting in 2018 25% is. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat voor de toekomstige termijnen rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 15% omdat de man zal gaan verhuizen en heeft laten weten dat hij dan minder zorg voor de kinderen op zich kan en/of wil nemen. De man heeft betwist dat hij de kinderen minder zou willen zien. Partijen hebben gesteggeld over de zorgregeling, maar deze is uiteindelijk gelijk gebleven, aldus de man. Het hof is van oordeel dat de vrouw, mede gelet op de betwisting door de man onvoldoende heeft onderbouwd dat in de toekomst van een lager percentage uitgegaan dient te worden. Het hof zal derhalve zowel in deze periode als de latere periodes een zorgkorting van 25% hanteren.

Periode van 30 mei 2018 tot 1 januari 2019

De behoefte van de kinderen in 2018 bedraagt € 1.921,- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt € 2.499,- per maand en de draagkracht van de vrouw € 772,- per maand. Partijen kunnen gezamenlijk volledig in de kosten van de kinderen voorzien zodat het hof een draagkrachtvergelijking zal maken.

Het aandeel van de man is 2499/3271 x 1921 = € 1.468,-, het aandeel van de vrouw is 772/3271x 1921 = € 453,-.

De zorgkorting bedraagt (25% van € 1.921,- =) 480,-. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 988,-, oftewel (afgerond) 330,- per kind per maand.

Periode van 1 januari 2019 tot 1 december 2019

De behoefte van de kinderen van de kinderen bedraagt in 2019 na indexering € 1.959,- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt € 2.538,- per maand en de draagkracht van de vrouw € 877,- per maand. Partijen kunnen gezamenlijk volledig in de kosten van de kinderen voorzien zodat het hof een draagkrachtvergelijking zal maken.

Het aandeel van de man is 2538/3415 x 1959 = 1.456,-, het aandeel van de vrouw is 877/3415 x 1959 = 503,-.

De zorgkorting bedraagt (25% van € 1.959,- =) 490,-. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 966,-, oftewel € 322,- per kind per maand.

Periode met ingang van 1 december 2019

Het hof gaat ook in deze periode uit van een behoefte van € 1.959,- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt € 2.538,- per maand en de draagkracht van de vrouw € 1.415,- per maand. Partijen kunnen gezamenlijk volledig in de kosten van de kinderen voorzien zodat het hof een draagkrachtvergelijking zal maken.

Het aandeel van de man is 2538/3953 x 1959 = 1.258,-, het aandeel van de vrouw is 1415/3953 x 1959 = 701,-.

De zorgkorting bedraagt (25% van € 1.959,- =) 490,-. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 768,-, oftewel € 256,- per kind per maand.

Het hof heeft berekeningen van het netto besteedbaar inkomen van partijen gemaakt. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

5.8.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is de navolgende door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven:

- met ingang van 30 mei 2018 tot 1 januari 2019 van € 330,- per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2019 tot 1 december 2019 van € 322,- per kind per maand;

- met ingang van 1 december 2019 van € 256,- per kind per maand.

De partneralimentatie

5.9.

Tussen partijen is in geschil of het recht van de vrouw op partneralimentatie met ingang van 1 december 2017 is geëindigd. Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst van 16 mei 2017 ten aanzien van de partneralimentatie het volgende overeengekomen:

“1. Partijen komen overeen dat [de man] de maandelijkse betaling van de partneralimentatie van € 1.927,- per maand zal blijven voldoen tot 1 december 2017, waarna de verplichting tot het voldoen van een partneralimentatie eindigt.”

Volgens de vrouw hebben partijen hiermee niet bedoeld een definitieve beëindiging van (het recht op) de partneralimentatie, maar een nihilstelling. Zij voert hiertoe, kort samengevat, aan dat het herleven van de partneralimentatie aanvankelijk was opgenomen in de overeenkomst, dat de man dit uit de overeenkomst heeft gehaald, waarna is besproken dat dit er weer in gezet moest worden. De man heeft dit niet gedaan, maar hij heeft daarbij aangegeven dat dit niets zou toevoegen omdat wettelijk zou zijn bepaald dat de vrouw opnieuw partneralimentatie zou kunnen vragen, aldus de vrouw. De vrouw stelt dat zij onder tijdsdruk de overeenkomst heeft getekend, waarvan de laatste versie(s) van de hand van de man waren en waarbij haar advocaat na 2 mei 2017 helemaal niet meer was betrokken. De vrouw is van mening dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de overeenkomst blijkt dat het de bedoeling van partijen was dat de partneralimentatie niet definitief zou eindigen. Zij verwijst naar door haar overgelegde mails van de man van 17 en 19 mei 2017.

De man betwist de stellingen van de vrouw. Volgens hem hebben partijen bedoeld de partneralimentatie definitief te beëindigen.

5.10.

Het hof overweegt als volgt. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de door hen gesloten overeenkomst. Volgens vaste rechtspraak is voor de uitleg van een overeenkomst tussen partijen niet uitsluitend de taalkundige betekenis van de bewoordingen doorslaggevend, maar komt het ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dit verband zijn aldus niet alleen de bewoordingen van de overeenkomst op dit punt van belang, maar ook de omstandigheden waaronder deze afspraken zijn gemaakt en de wederzijds kenbare bedoelingen van partijen.

In het onderhavige geval is de vraag of partijen bedoeld hebben een definitieve beëindiging van de partneralimentatie overeen te komen of dat zij een nihilstelling beoogd hebben. Het hof acht voor de beoordeling het volgende van belang. De onderhandelingen over de overeenkomst zijn gevoerd tussen enerzijds – namens de vrouw – de vader van de vrouw en haar partner en anderzijds de man. In het dossier bevindt zich een aantal mails met betrekking tot de totstandkoming van de inhoud van de overeenkomst. Op 17 mei 2017 om 8.16 uur mailt de vader van de vrouw aan de man:

“Beste [de man] ,

Wij zien dat je ons tot op zekere hoogte tegemoet komt n.a.v. onze onderstaande mail. Maar, we blijven een onbehaaglijk gevoel houden.

Dat komt voort uit de discussie over het al dan niet definitief laten vervallen van de PA. We merken natuurlijk dat jij druk op het hele proces zet om dat snel afgesproken te krijgen. Wij weten echter dat de inkomenspositie van (de winkel van) [de vrouw] nog enige normalisaties moet doorstaan (zoals meer personeel en een meer regulier kostenniveau). Bovendien zou het resultaat ooit terug kunnen vallen, waardoor zij in de toekomst (binnen de 12-jaarstermijn) weer aanspraak moet kunnen maken op haar wettelijk recht op PA.

(…)”

De man reageert dezelfde dag om 19.10 uur:

“Beste [vader van de vrouw] , beste [partner van de vrouw] ,

Volgens mij zitten we op een lijn. Ondanks de overeenkomst heeft [de vrouw] volgens het recht de mogelijkheid om opnieuw PA aan te vragen. (…)”

De vader en partner van de vrouw antwoorden diezelfde dag om 20.18 uur:

”Beste [de man] ,

Fijn dat we op één lijn zitten. Dan kunnen we dat recht om opnieuw PA te verzoeken nog even opnemen in de VSO (..)”

De man mailt op 19 mei 2017 om 12.55 uur terug: “Hoi [partner van de vrouw] hoi [vader van de vrouw] ,(…) Ik heb zojuist voor mezelf de knoop doorgehakt om maximaal de aankomende week af te wachten om de laatste versie van de overeenkomst getekend retour te krijgen. Hierin zijn namelijk alle door jullie gevraagde aanpassingen verwerkt en jullie laatste verzoek voegt hier niks aan toe omdat dit wettelijk bepaalt (sic) is.”

Kort hierna is de vaststellingsovereenkomst, op 29 mei 2017 door de vrouw, iets later door de man, ondertekend.

Het hof is van oordeel dat de vrouw gelet op de hierboven geciteerde mailwisseling in de aanloop naar de totstandkoming van het convenant ervan mocht uitgaan dat de overeenkomst niet tot gevolg had dat haar recht op partneralimentatie definitief was geëindigd. Uit voornoemde mails blijkt dat de man ook ervan uit is gegaan dat met de beëindiging van de partneralimentatie een nihilstelling is bedoeld en niet een definitieve beëindiging van het recht van de vrouw op partneralimentatie. Hij schrijft immers in deze mails dat partijen op één lijn zitten en dat de vrouw (op grond van het recht/de wet) ondanks de overeenkomst opnieuw een verzoek tot partneralimentatie zou kunnen doen, zodat dit niet in de overeenkomst zou hoeven te worden opgenomen. De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij altijd ervan uit is gegaan dat de partneralimentatie definitief zou eindigen, maar hij heeft desgevraagd niet kunnen uitleggen hoe dit zich verhoudt tot zijn standpunt in voornoemde mails. De man heeft in zijn verweerschrift aangeboden confraternele correspondentie over te leggen, te weten een mailbericht waarin de vrouw aangeeft dat zij niet begrijpt waarom de kinderalimentatie op korte termijn moest worden besproken nadat er zojuist een vaststellingsovereenkomst was getekend over het “vervallen” van de partneralimentatie. Hieruit zou volgens hem blijken dat de vrouw goed wist wat zij had getekend. De door de man weergegeven inhoud van de mail leidt echter niet tot een andere uitleg dan hiervoor weergegeven. Het hof gaat dan ook aan het aanbod van de man voorbij.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het de kennelijke bedoeling van partijen is geweest de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 december 2017 op nihil te stellen. Dit betekent dat de (subsidiaire) verzoeken van de vrouw tot vernietiging van de overeenkomst op grond van misbruik van omstandigheden en/of bedrog en/of dwaling, althans de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid geen bespreking behoeven.

Voor zover de vrouw heeft bedoeld te verzoeken voornoemde uitleg in het dictum van de beschikking op te nemen, overweegt het hof dat een dergelijk verzoek niet-toewijsbaar is en een verklaring voor recht niet is verzocht. Haar verzoek zal worden afgewezen.

5.11.Vervolgens dient het hof het tweede deel van het primaire verzoek van de vrouw te beoordelen, te weten de vraag of deze nihilstelling met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is aangegaan.

De vrouw stelt dat de grove miskenning van de wettelijke maatstaven (zo begrijpt het hof) enerzijds erin is gelegen dat de vrouw ervan was uitgegaan dat de door de man te betalen kinderalimentatie omhoog zou gaan en anderzijds dat zij pas na ondertekening van het convenant de jaarcijfers over 2016 met BDO heeft besproken, waarna zij tot het inzicht is gekomen dat zij nog steeds behoefte had aan een bijdrage. Zij verwijst ter onderbouwing hiervan naar hetgeen zij heeft gesteld met betrekking tot haar draagkracht in het kader van de kinderalimentatie. Zij wenst daarom dat de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde partnerbijdrage gehandhaafd blijft, welke bijdrage na indexering € 2.023,- bruto per maand bedraagt. Ter zitting in hoger beroep heeft zij haar stelling nader toegelicht en aangevoerd dat haar huwelijksgerelateerde behoefte circa € 5.800,- bruto per maand bedraagt en dat dit betekent dat zij exclusief de kosten van de kinderen circa € 69.600,- bruto per jaar nodig heeft. Als zij ook nog in de kosten van de kinderen dient te voorzien conform de bestreden beschikking heeft zij nog € 30.0000,- nodig.

De man betwist dat de vrouw nog behoeftig zou zijn of dat sprake is van een wanverhouding. Volgens hem was overduidelijk dat de vrouw als gevolg van een grote toename van haar inkomen kon voorzien in haar eigen levensonderhoud en een aanzienlijke bijdrage kon leveren in de kosten van de kinderen. Bovendien heeft de man in de correspondentie in aanloop naar de overeenkomst juist aangegeven dat hij van mening was dat de door hem te betalen kinderalimentatie omlaag moest gaan. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de man nog partneralimentatie dient te voldoen verzoekt hij deze alimentatie niet met terugwerkende kracht vast te stellen.

5.12.

Op grond van artikel 1:401 lid 5 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Van dit laatste is sprake als er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de bijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het betreft gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens, dus niet bewust, van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

Het hof begrijpt het eerste argument van de vrouw aldus dat zij niet akkoord zou zijn gegaan met een nihilstelling van de partneralimentatie als daar niet een verhoging van de kinderalimentatie tegenover zou staan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, maakt de vrouw echter niet duidelijk in welk opzicht dan sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

In hoeverre de stelling van de vrouw dat zij haar inkomen en behoefte ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet goed heeft ingeschat, kan leiden tot de conclusie dat de overeenkomst ten aanzien van de partneralimentatie is aangegaan met een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang. In de echtscheidingsbeschikking van 25 februari 2015 is een door de man te betalen partneralimentatie van € 1.927,- per maand bepaald. De vrouw had destijds een bijdrage verzocht van € 4.200,- bruto per maand en zij had een inkomen van € 1.017,- netto per maand. De door de rechtbank vastgestelde bijdrage was begrensd door de draagkracht van de man. De door de vrouw (ook in deze procedure) gestelde huwelijksgerelateerde behoefte van circa € 5.800 bruto per maand is door de man niet (gemotiveerd) betwist, zodat het hof hiervan uit zal gaan. Het hof overweegt in dit verband dat een bruto behoefte van circa € 5.800,- per maand overeenkomt met een netto behoefte van circa € 3.250,- per maand.

Kort na de echtscheidingsbeschikking heeft de vrouw het bedrijf [de onderneming] overgenomen. Het bedrijfsresultaat bedroeg in 2015 t/m 2017 respectievelijk € 32.235,- (volgens de aangifte IB), € 96.837,- en € 74.296,-, waarbij opgemerkt moet worden dat het resultaat in 2015 in vijf maanden is behaald.

De overname van het bedrijf en de toename van het inkomen van de vrouw zijn voor partijen reden geweest om over de partneralimentatie te gaan praten, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de overeenkomst.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geen rekening heeft gehouden met een groot aantal stelposten die van invloed zijn op het bedrijfsresultaat. Het hof stelt vast dat, behoudens de aflossing op de lening van haar ouders, de door de vrouw genoemde posten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog slechts stelposten waren en ook niet duidelijk was wanneer deze kosten dan wel gemaakt zouden gaan worden. Het hof acht het dan ook niet redelijk om bij de beoordeling van de vraag of de overeenkomst is aangegaan met grove schending van de wettelijke maatstaven rekening te houden met deze toekomstige kostenposten. In dit verband is ook van belang dat deze toekomstige kosten en de gevolgen daarvan voor het bedrijfsresultaat een aanleiding zouden kunnen zijn om op een later moment alsnog een beroep te doen op partneralimentatie. Daarvan is de vrouw ook uitgegaan, zo blijkt uit de mail van haar vader aan de man van 17 mei om 8.16 uur zoals geciteerd onder 5.10.

Het hof stelt vast dat het resultaat van € 74.296,- in 2017, rekeninghoudend met de toepasselijke heffingskortingen, winstvrijstelling, starters- en zelfstandigenaftrek een netto besteedbaar inkomen oplevert van € 4.542,- per maand voor de partneralimentatie en rekeninghoudend met het KGB (waarop de vrouw met dit inkomen recht heeft) een NBI van € 4.831,- per maand voor kinderalimentatie. In beide gevallen is het NBI hoger dan de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Wanneer in dat jaar rekening wordt gehouden met een aflossing van € 20.000,- (€ 1.667,- per maand) op de lening van de ouders van de vrouw leidt dit tot een NBI in het kader van partneralimentatie van € 2.875,- per maand en in het kader van kinderalimentatie van € 3.164,- per maand. Uit het voorgaande blijkt dat indien rekening wordt gehouden met de aflossing op de lening, de vrouw in 2017 niet volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte kon voorzien. Het hof is echter van oordeel dat dit op zichzelf niet een grove miskenning van de wettelijke maatstaven oplevert. Daarbij is het volgende van belang. Hoewel de vrouw in 2017, als rekening wordt gehouden met de aflossing op de lening, niet volledig in haar behoefte kon voorzien, kon zij dat het jaar ervoor wel. Het NBI van de vrouw in 2016 was (ook als rekening wordt gehouden met de aflossing van € 20.000,- in dat jaar) hoger dan haar huwelijksgerelateerde behoefte. Desondanks hebben partijen afgesproken dat de man de in de echtscheidingsbeschikking bepaalde alimentatie zou blijven voldoen tot 1 december 2017 en dat de vrouw niets terug hoefde te betalen. Van een grove miskenning is sprake als een wanverhouding ontstaat tussen hetgeen de rechter zou hebben beslist en wat partijen zijn overeengekomen. Een rechter zou bij het beoordelen van de (aanvullende) behoefte van de vrouw in het kader van een eventuele nihilstelling van de partneralimentatie naar alle waarschijnlijkheid ook het resultaat over 2016 betrekken bij die beoordeling. Daarbij komt dat de reden dat de vrouw niet volledig in haar behoefte kan voorzien is gelegen in de aflossing op een lening van haar ouders, waarbij de vraag gesteld kan worden, nu het een lening bij familieleden betreft, of daar geen mogelijkheden bestonden eventueel gunstiger voorwaarden af te spreken.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen de door partijen overeengekomen nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 1 december 2017 en hetgeen een rechter zou hebben beslist. Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is niet evident dat een rechter tot een (geheel) ander oordeel zou zijn gekomen dan hetgeen partijen hebben afgesproken. Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw de door haar gestelde grove miskenning van de wettelijke maatstaven en daaruit voortvloeiende wanverhouding onvoldoende heeft onderbouwd. Dit betekent dat het hof het verzoek van de vrouw tot wijziging van de overeenkomst en ongewijzigde doorbetaling van de in de echtscheidingsbeschikking bepaalde partneralimentatie zal afwijzen. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie is afgewezen, zij het op andere gronden.

5.13.

De man heeft in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep twee verzoeken gedaan. Het eerste verzoek van de man houdt in dat als het hof tot een herberekening komt, de man verzoekt hem in de gelegenheid te stellen stukken in het geding te brengen met betrekking tot een aantal leningen in verband met gemaakte advocaatkosten, welke een verlaging van zijn draagkracht meebrengen.

Het hof overweegt dat de man in zijn voorwaardelijke verzoek niet nader toelicht of hij een herberekening van zowel de kinder- als de partneralimentatie bedoelt, waardoor niet duidelijk is of aan de voorwaarde is voldaan. Voor zover de man de kinderalimentatie heeft bedoeld, ziet het hof geen aanleiding rekening te houden met leningen in verband met advocaatkosten, nu dergelijke leningen in beginsel buiten beschouwing worden gelaten bij de onderhoudsverplichting jegens kinderen, zodat het verzoek zal worden afgewezen. Ten aanzien van de partneralimentatie is geen herberekening gemaakt, zodat niet aan de voorwaarde is voldaan.

Het tweede voorwaardelijke verzoek van de man betreft het geval dat de overeenkomst tussen partijen in hoger beroep wordt vernietigd. Nu de overeenkomst niet is vernietigd behoeft dit verzoek geen bespreking.

5.14.

De vrouw heeft (onder C) verzocht de totale betalingsachterstand van de man ter zake van de kinder- en partneralimentatie vast te stellen en te bepalen dat de man deze betalingsachterstand binnen veertien dagen na de beschikking aan haar dient te voldoen. Het hof heeft geen overzicht van de door de man gedane betalingen ontvangen zodat de eventuele achterstand niet kan worden berekend, nog daargelaten dat het hof van oordeel is dat partijen dit bedrag zelf dienen te berekenen. Dit verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

5.15.

Voor zover partijen een bewijsaanbod hebben gedaan, wordt dit als onvoldoende concreet en/of niet ter zake doende gepasseerd.

5.16.

Het hof ziet geen aanleiding de vrouw in de proceskosten te veroordelen, zoals door de man is verzocht. Het hof zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het hof:

in hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage is vastgesteld en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2015 in zoverre, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen:

- met ingang van 30 mei 2018 op € 330,- (DRIEHONDERDDERTIG EURO) per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2019 van € 322,- (DRIEHONDERDTWEEENTWINTIG EURO) per kind per maand;

- met ingang van 1 december 2019 van € 256,- (TWEEHONDERDZESENVIJFTIG EURO) per kind per maand;

voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. A.N. van de Beek en mr. J. Kok, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 10 december 2019 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.