Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4430

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
23-002291-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende een maand schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-schoonzus. Hij heeft zich voorgedaan als twee andere personen en het slachtoffer via diverse sociale media velerlei (seksueel getinte) berichten gestuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002291-17

datum uitspraak: 12 december 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-665181-15 (hierna: zaak A) en 13-669080-16 (hierna: zaak B) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

14 november 2019 en 28 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak B onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De in zaak B onder 2 tenlastegelegde smaad van de Jeugdbescherming en/of [naam 1] betreft een klachtdelict. Het procesdossier bevat geen klacht van [naam 1] en uit de aangifte die door [aangever] namens Jeugdbescherming is ingediend kan niet worden afgeleid dat bij [naam 1] de wens tot vervolging van de verdachte aanwezig was. Het hof verklaart het openbaar ministerie dan ook niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover dit het in zaak B onder 2 tenlastegelegde onderdeel “en/of [naam 1]” betreft.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is - voor zover thans nog aan een inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:

Zaak A:

1.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 2015 tot en met 5 juni 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, éénmaal of meermalen, zich voordoend als [naam 2] en/of [naam 3],

- voornoemde [slachtoffer 1] (een) tekstbericht(en) en/of (een) afbeelding(en) gestuurd via Facebook-messenger onder meer een naaktfoto van verdachte ([verdachte]) en/of "Dit is de eerste foto die online gaat luister je niet." en/of "Wij willen een filmpje van je anders gaat ook die foto van je zus online ik heb exact zo'n foto als van die eikel borsten kut kont alles zie je, moet je zien als bewijs." en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] (een) tekstbericht(en) en/of (een) afbeelding(en) gestuurd per SMS onder meer "Heb jij dat virus verstuurd? ik heb nog steeds je fotos en de cam van je zus gehackt. die fotos gaan online tenzij jij filmpje maakt dat je je vingert totdat je klaarkomt." en/of "Filmpje naar [e-mailadres 1]." en/of "Ik wil nog een keer neuken." en/of "Als ik geen foto van je kut krijg gaat er een brief naar [naam 4]." en/of [e-mailadres 1] je hebt 5 minuten." en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] (op één dag 120) tekstbericht(en) en/of afbeelding(en) gestuurd via Telegram onder meer "Hoi" en/of "Ik zag vandaag een e-mail van je zwager" en/of "ik wist niet dat het zo uit de hand zou lopen." en/of "klopt het dat hij een contactverbod heeft geregeld." en/of "ik wilde je alleen maar naakt zien.";

2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten het Facebook -account van [slachtoffer 1], heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen of de identiteit van die [slachtoffer 1] te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan zijn/is ontstaan, immers heeft hij, verdachte, het Facebook-account van die [slachtoffer 1] (weer) online gezet en/of (vervolgens) voornoemd Facebook-account gebruikt om vrouwen te benaderen die een fotoshoot wilde doen voor geld;

3.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2015 tot en met 30 juni 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten het Facebook Messenger-account en/of het (valse) e-mailadres [e-mailadres 2] van [naam 2], heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen of de identiteit van die [naam 2] te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan zijn/is ontstaan, immers heeft hij, verdachte, via Facebook Messenger en/of [e-mailadres 2] (seksueel getinte en/of bedreigende) berichten verstuurd als ware hij, verdachte, die [naam 2];


4.
hij op of omstreeks 11 mei 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met openlijk in vereniging geweld tegen personen en/of goederen en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "De bus van de buurman op huisnummer [huisnummer] wordt in de brand gestoken." en/of "[verdachte] moet zijn huis uit anders gaat er nog iets ergs gebeuren. Ook [naam 5] en [naam 6] moeten hun huis vannacht uit. [verdachte] moet zijn huis uit anders steken wij zijn huis in de brand. [naam 6] de groeten.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 december 2014 tot en met 22 december 2014 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 3] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel vanaf het e-mailadres: [e-mailadres 3] e-mails (door) gestuurd aan verschillende personen waarin wordt opgeroepen het huis van [verdachte]/verdachte in brand te steken en/of [verdachte]/verdachte te vermoorden, althans (een) geschrift(en) (e-mails) verspreid, terwijl verdachte wist dat dit tenlastegelegde feit in strijd met de waarheid was/waren;

6.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 september 2015 tot en met 6 oktober 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 4] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel, vanaf het e-mailadres: [e-mailadres 4] een e-mail gestuurd naar [website 1] met daarin een tekst die er op wijst dat die [slachtoffer 4] verdachte/[verdachte] en zijn gezin zou bedreigen, althans (een) geschrift(en) (e-mails) verspreid, terwijl verdachte wist dat dit tenlastegelegde feit in strijd met de waarheid was/waren;

Zaak B:

2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 29 februari 2016 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van de Jeugdbescherming heeft aangerand, door tenlastelegging van (een) bepaald feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel,

- op de nieuwssite [website 2] een artikel geplaatst/laten plaatsen waarin staat dat een medewerkster van de Jeugdbescherming contact had opgenomen met de redactie om te vertellen dat verdachte [verdachte] zijn zoon half dood had geslagen en/of

- bij een externe klachtencommissie een klacht tegen die [naam 1] ingediend omdat die [naam 1] contact had opgenomen met de nieuwssite [website 2] en/of,

- een (handgeschreven) brief van de Jeugdbescherming geschreven door [naam 1] vervalst, immers heeft hij, verdachte, die brief overgetypt en/of daarin excuses (voor het feit dat ze met iemand gesproken had over de casus/zaak van verdachte [verdachte]) van die [naam 1] opgenomen, althans (een) geschrift(en) (via internet) verspreid,

terwijl verdachte wist dat dit/deze tenlastegelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

3.
hij op of omstreeks 09 april 2016 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, te weten het Facebook (Messenger)-account van [slachtoffer 5] onder de naam [naam 7], heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen of de identiteit van die [slachtoffer 5] te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan zijn ontstaan, immers heeft hij, verdachte, via Facebook (Messenger) (seksueel getinte en/of bedreigende) berichten en/of foto's verstuurd aan [naam 8] (zijn ex-zwager), als ware hij, verdachte, die [slachtoffer 5];

5. ( het hof leest, evenals de rechtbank, hier en verder: 4.)
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2015 tot en met 3 september 2015 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 6] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel, uit naam van die [slachtoffer 6] via onder meer Facebook bedreigingen geuit in de richting van verdachte/[verdachte] en/of [naam 9] en/of e-mails vanaf het e-mailadres van die [slachtoffer 6] verstuurd naar kennissen en/of werkgever(s) van die [slachtoffer 6] met daarin onder meer bedreigende teksten in de richting van verdachte/[verdachte] en/of [naam 9] en hun families, althans (een) geschrift(en) (berichten op internet) verspreid, terwijl verdachte wist dat dit tenlastegelegde feit in strijd met de waarheid was/waren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen ten aanzien van de bewijsvragen, de vorderingen van de benadeelde partijen en de strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vrijspraken

Zaak A onder 2

Anders dan de advocaat-generaal en met de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 2 is tenlastegelegd. Het procesdossier bevat immers voor zover dit betreft het onderdeel dat het betreffende Facebook-account gebruikt zou worden om vrouwen te benaderen voor een fotoshoot in de kern slechts als belastend voor de verdachte een verklaring van de aangeefster [slachtoffer 1] inhoudende dat de moeder van [slachtoffer 1] deze informatie (telefonisch) van de politie had gekregen. Concrete en meer specifieke informatie hierover ontbreekt echter, evenals (ander) steunbewijs.

Zaak A onder 5

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 5 is tenlastegelegd. De omstandigheid dat een zoekopdracht naar het emailadres van waaruit de in de tenlastelegging bedoelde berichten zouden zijn verstuurd, is aangetroffen in de computer van de verdachte, wijst niet zonder meer op de betrokkenheid van de verdachte bij het versturen van die berichten. Ander, voldoende redengevend (steun) bewijs ontbreekt.

Zaak A onder 6

Anders dan de advocaat-generaal en met de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 6 is tenlastegelegd, nu niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de verdachte degene is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 4]. Dat het emailaccount van waaruit de betreffende berichten zijn verstuurd is ingevoerd in de computer van de verdachte is hiervoor op zichzelf onvoldoende redengevend en overig concreet bewijs dat specifiek op de betrokkenheid van de verdachte hierbij wijst ontbreekt. Dat de verdachte (telefonisch) contact heeft gehad met [slachtoffer 4] maakt dat niet anders, nu dit tevens past in het door de verdediging geschetste alternatief scenario.

Zaak B onder 2

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in zaak B onder 2 is tenlastegelegd. Uit het procesdossier blijkt niet zonder meer dat de eer en/of de goede naam van de Jeugdbescherming door de tenlastegelegde handelingen is aangerand nu de feiten en omstandigheden in de tenlastelegging met name zijn toegespitst op gedragingen van de verdachte ten aanzien van [naam 1].

Zaak B onder 4

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in zaak B onder 4 is tenlastegelegd nu op grond van de stukken uit het dossier niet kan worden uitgesloten dat een ander of anderen dan de verdachte betrokken waren bij (het verzenden van) de in de tenlastelegging bedoelde berichten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de verdachte vrijspreken van hetgeen in zaak

A onder 2, 5 en 6 en in zaak B onder 2 en 4 is tenlastegelegd.

Bewijsoverwegingen

Zaak A onder 1 en 3

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het in zaak A onder 1 en 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken op de grond dat het procesdossier ruimte laat voor een alternatief scenario, inhoudend dat een ander dan de verdachte de belaging en de identiteitsfraude heeft gepleegd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangeefster [slachtoffer 1] in de periode van 1 mei 2015 tot en met
5 juni 2015 via sociale media vele berichten ontving van ‘[naam 3]’ en ‘[naam 2]’.

- In de eerste helft van de maand mei in 2015 is zij via een Facebook-Messengeraccount op naam van [naam 2] uitgenodigd om ‘een ondergoedlijn van [winkel] te gaan lopen’.

- Kort hierop ontving zij via Facebook-Messenger berichten van ‘[naam 3]’, waarin hij haar steeds om foto’s vroeg en liet weten dat hij haar zwager [verdachte] naakt kon zien.

- Op 5 mei 2015 ontving zij vanaf het e-mailadres [e-mailadres 2] seksueel getinte berichten.

- Op 16 mei 2015 ontving zij via het Facebook-Messengeraccount op naam van [naam 2] een naaktfoto van haar zwager [verdachte], tevens de verdachte, met de tekst “Dit is de eerste foto die online gaat luister je niet” en “Wij willen een filmpje van je anders gaat ook die foto van je zus online ik heb exact zo'n foto als van die eikel borsten kut kont alles zie je, moet je zien als bewijs.”

- Omstreeks 16 mei 2015 ontving zij sms-berichten, afkomstig van het telefoonnummer [telefoonnummer 1], waarvan de inhoud aansloot op de Messenger-berichten die zij van ‘[naam 2]’ en ‘[naam 3]’ had ontvangen, te weten “Heb jij dat virus verstuurd? Ik heb nog steeds je foto’s en de cam van je zus gehackt. Die foto’s gaan online tenzij jij filmpje maakt dat je je vingert totdat je klaarkomt” en “Filmpje naar [e-mailadres 1]” en “Ik wil nog een keer neuken” en “Als ik geen foto van je kut krijg gaat er een brief naar [naam 4]” en “[e-mailadres 1] je hebt 5 minuten”.

- Op 5 juni 2015 ontving zij via de applicatie Telegram ongeveer 120 berichten, afkomstig van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat binnen de applicatie Telegram gekoppeld is aan de naam [naam 3]. Deze berichten hielden onder meer in: “Hoi” en “Ik zag vandaag een e-mail van je zwager” en “ik wist niet dat het zo uit de hand zou lopen” en “klopt het dat hij een contactverbod heeft geregeld” en “ik wilde je alleen maar naakt zien”.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij denkt dat ‘[naam 2]’ en ‘[naam 3]’ één en dezelfde persoon is, omdat de chatsessies met ‘[naam 2]’ en ‘[naam 3]’ één verhaal zijn.

[naam 2] heeft aangifte gedaan van identiteitsfraude. Zij heeft verklaard dat het e-mailadres [e-mailadres 2] niet van haar is, de naam [naam 3] haar niets zegt en zij nooit ‘dit soort’ berichten heeft verstuurd.

Uit de bewijsmiddelen omtrent ‘[naam 3]’ leidt het hof af dat de naam ‘[naam 3]’ fictief is en dat de gebruiker van [telefoonnummer 1] en de gebruiker van [telefoonnummer 2] één en dezelfde persoon betreft.

Bij de doorzoeking in de woning van de verdachte is een telefoon, merk Samsung Galaxy GIO, aangetroffen. Op grond van de in de bewijsmiddelen opgenomen ‘bewijsmatrix’ komt het hof tot het oordeel dat in deze telefoon in ieder geval drie simkaarten hebben gezeten, te weten:

  • -

    een simkaart met nummer [telefoonnummer 1],

  • -

    een simkaart met nummer [telefoonnummer 2], en

  • -

    een simkaart met het eigen mobiele nummer [telefoonnummer 3] van de verdachte.

Op de laptop van de verdachte, merk Asus, is het e-mailadres [e-mailadres 1] aangetroffen. Op de personal computer van de verdachte, merk RockingEagle, zijn de (profiel)foto van het Facebook-account op naam van ‘[naam 2]’, de (profiel)foto van het Facebook-account op naam van ‘[naam 3]’ en het e-mailadres [e-mailadres 1] aangetroffen. Ook is in het technisch onderzoek vastgesteld dat zowel op de hiervoor genoemde laptop als op de pc minimaal één keer het webformulier met daarop de inlog gegevens van [e-mailadres 1] is gebruikt.

Uit het voorgaande, waaronder de samenhang in inhoud en strekking van de berichten die rond dezelfde periode vanaf het emailadres [e-mailadres 2] en door ‘[naam 3]’ aan [slachtoffer 1] zijn verzonden, leidt het hof af dat één en dezelfde persoon deze berichten heeft verstuurd.

Voorts leidt het hof uit het voorgaande, bezien in samenhang met de (overige) te bezigen bewijsmiddelen af, dat de verdachte de persoon is die deze berichten en de naaktfoto van hemzelf onder de namen [naam 2] en [naam 3] aan [slachtoffer 1] heeft gestuurd. Hij heeft daarbij onder meer gebruik gemaakt van:

  1. het Facebook-Messengeraccount op naam van [naam 2];

  2. het Facebook-Messengeraccount op naam van [naam 3];

  3. het e-mailadres [e-mailadres 2];

  4. het telefoonnummer [telefoonnummer 1] voor het versturen van de sms-berichten;

  5. het telefoonnummer [telefoonnummer 2] voor het versturen van berichten via Telegram.

De conclusie dat de verdachte, en niet een ander, de persoon is geweest die [slachtoffer 1] steeds benaderde, vindt steun in het feit dat de verzender van de berichten via het Facebook-Messengeraccount op naam van [naam 2] kennelijk beschikte over de voornoemde naaktfoto van verdachte. De stelling van de verdediging - inhoudende dat de webcam van laptop van de verdachte is gehackt, waardoor de naaktfoto zonder medeweten van de verdachte is genomen en op het Facebook-Messengeraccount van [naam 2] is terechtgekomen - is louter speculatief. Het dossier bevat hiervoor geen enkel aanknopingspunt. Het hof wijst in dit verband op het negatieve resultaat van het onderzoek naar hacking-software op de inbeslaggenomen gegevensdragers van de verdachte. Nu het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario ook anderszins niet aannemelijk is geworden, stelt het hof dit terzijde.

Het hof acht bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] meermalen heeft benaderd onder de (valse) naam [naam 3] en de naam [naam 2]. Door de frequentie van de berichten en de inhoud daarvan, heeft de verdachte stelselmatig opzettelijk en wederrechtelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1].

Daarnaast acht het hof bewezen is dat de verdachte zich tegenover [naam 2] schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude. Hij heeft willens en wetens en zonder toestemming haar naam en andere persoonlijke gegevens gebruikt en seksueel getinte berichten aan [slachtoffer 1] verstuurd, als ware hij [naam 2]. Reeds uit de aard van de berichten, te weten seksueel getinte, leidt het hof af dat zij hierdoor enig nadeel heeft ondervonden. Daar komt nog bij dat [naam 2] bij de politie heeft verklaard dat zij zich in haar goede naam en eer voelde aangetast.

Zaak A onder 4

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het in zaak A onder 4 moet worden vrijgesproken, primair op de grond dat hij de bedreigende berichten niet heeft verstuurd en subsidiair omdat niet kan worden vastgesteld dat de bedreigende woorden aan [slachtoffer 2] gericht waren noch dat bij hem in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever [slachtoffer 2] en de verdachte in dezelfde straat woonachtig waren, te weten op de [adres 2]. De verdachte was volgens hem woonachtig op nummer [nummer 1] en [slachtoffer 2] woonde op nummer [huisnummer] en had een winkel op nummer [nummer 2]. [slachtoffer 2] is op 11 mei 2015 op zijn huistelefoon gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 1]. De verdachte maakte, zoals blijkt uit het voorgaande (bewijsoverwegingen zaak A onder 1 en 3) gebruik van dit nummer. Dit telefoontje betrof een door de computer voorgelezen tekstbericht en luidde: “De bus van de buurman op huisnummer [huisnummer] wordt in de brand gestoken”.

Uit het voorgaande -in het bijzonder de omstandigheid dat het telefoonnummer van de verdachte is gebruikt en hij en [slachtoffer 2] buren waren- al dan niet bezien in samenhang met de modus operandi zoals die blijkt uit de bewijsmiddelen voor de feiten A onder 1 en 3 waarin, net als in een later bericht, door [slachtoffer 2] ontvangen, óók de naam van de verdachte in het bericht voorkomt) leidt het hof af dat de verdachte degene is geweest die het bericht naar de huistelefoon van [slachtoffer 2] heeft verstuurd. Daarbij merkt het hof op dat er geen enkel solide aanknopingspunt is om ervan uit te gaan dat iemand anders het betreffende bericht zou hebben verzonden.

Voorts stelt het hof vast dat de aard van de uitlating in het algemeen geschikt is om bij [slachtoffer 2] de vrees voor brandstichting teweeg te brengen. Immers, het bericht is naar zijn telefoon gestuurd en hij woonde op huisnummer [huisnummer]. Dat even later in een ander bericht ook de naam van [verdachte] wordt genoemd doet daaraan niet af.

Zaak B onder 3

De raadsvrouw heeft tot slot bepleit dat de verdachte van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken op de grond dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die via Facebook Messenger seksueel getinte berichten en foto’s heeft verstuurd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het Facebook-account [naam 7] heeft aangemaakt. Op 9 april 2016 zijn vanaf dat Facebook-account twee naaktfoto’s aan [naam 8] gestuurd, één van de aangeefster [slachtoffer 5], die op dat moment met de verdachte in een echtscheidingsprocedure was verwikkeld, en één van haar zus [slachtoffer 1]. Op de eerstgenoemde naaktfoto herkent [slachtoffer 5] zichzelf. Op de laatstgenoemde naaktfoto herkent [slachtoffer 1] zichzelf en deze foto heeft zij in 2015 aan ‘[naam 3]’ moeten versturen, zijnde, zoals uit het voorgaande (bewijsoverweging zaak A onder 1 en 3) blijkt: de verdachte. [slachtoffer 1] heeft de betreffende naaktfoto aan niemand anders verstuurd en ook nooit ergens zelf geplaatst. De verdachte heeft verklaard dat hij deze foto in zijn bezit had.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte degene is geweest die via Facebook Messenger seksueel getinte berichten en de naaktfoto’s van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] aan [naam 8] heeft verstuurd. Reeds uit de aard van deze berichten en de foto’s leidt het hof af dat [slachtoffer 5] hierdoor enig nadeel heeft ondervonden. Daar komt nog bij dat zij bij de politie heeft verklaard dat zij zich in haar goede naam en eer voelde aangetast.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsvrouw.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

1.
hij in de periode van 1 mei 2015 tot en met 5 juni 2015 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen en te dulden, immers heeft hij, verdachte, meermalen zich voordoend als [naam 2] en [naam 3],

- [slachtoffer 1] een naaktfoto van hemzelf gestuurd via Facebook-Messenger en de tekstberichten "Dit is de eerste foto die online gaat luister je niet." en "Wij willen een filmpje van je anders gaat ook die foto van je zus online ik heb exact zo'n foto als van die eikel borsten kut kont alles zie je, moet je zien als bewijs."

en

- [slachtoffer 1] tekstberichten gestuurd per sms "Heb jij dat virus verstuurd? Ik heb nog steeds je foto’s en de cam van je zus gehackt. Die foto’s gaan online tenzij jij filmpje maakt dat je je vingert totdat je klaarkomt." en "Filmpje naar [e-mailadres 1]." en "Ik wil nog een keer neuken." en "Als ik geen foto van je kut krijg gaat er een brief naar [naam 4]" en "[e-mailadres 1] je hebt 5 minuten."

en

- [slachtoffer 1] op één dag 120 tekstberichten gestuurd via Telegram onder meer "Ik zag vandaag een e-mail van je zwager" en "ik wist niet dat het zo uit de hand zou lopen." en "klopt het dat hij een contactverbod heeft geregeld." en "ik wilde je alleen maar naakt zien.".

3.
hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2015 tot en met 5 juni 2015 in Nederland, telkens opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten het Facebook Messenger-account en het (valse) e-mailadres [e-mailadres 2] op naam van [naam 2], heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen of de identiteit van die [naam 2] te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel is ontstaan, immers heeft hij, verdachte, via Facebook Messenger en [e-mailadres 2] seksueel getinte berichten verstuurd als ware hij, verdachte, [naam 2].

4.
hij op 11 mei 2015 in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "De bus van de buurman op huisnummer [huisnummer] wordt in de brand gestoken."

Zaak B:

3.
hij op 9 april 2016 in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, te weten het Facebook Messenger-account onder de naam [naam 7], heeft gebruikt, met het oogmerk om de identiteit van [slachtoffer 5] te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan zijn ontstaan, immers heeft hij, verdachte, via Facebook Messenger seksueel getinte berichten en foto's verstuurd aan [naam 8] als ware hij, verdachte, [slachtoffer 5].

Hetgeen in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde levert op:

identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van de ander te misbruiken, meermalen gepleegd

Het in zaak A onder 4 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met brandstichting.

Het in zaak B onder 3 bewezenverklaarde levert op:

identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van de ander te misbruiken.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 t/m 6 en in zaak B 2 t/m 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht, het houden aan aanwijzingen van de reclassering en het meewerken aan onderzoek door een gedragskundige. Daarnaast is de verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 t/m 4 en 6 en in zaak B onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de rechter in eerste aanleg gesteld alsook medewerking aan een eventueel geïndiceerde ambulante behandeling. Daarnaast vordert hij de oplegging van een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en de proeftijd bij eventuele oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf vast te stellen op de duur van twee jaren. Daarnaast heeft zij verzocht de hoogte van de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf te matigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een maand schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-schoonzus. Hij heeft zich voorgedaan als twee andere personen en het slachtoffer via diverse sociale media velerlei (seksueel getinte) berichten gestuurd. Door deze bewezenverklaarde belagings-handelingen heeft hij op intimiderende wijze inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van een belaagde en zal daardoor doorgaans een psychische belasting opleveren.

Daarnaast heeft de verdachte – kort gezegd – identiteitsfraude gepleegd door gebruik te maken van een Facebook-Messengeraccount en een e-mailadres op naam van een derde en een Facebook-Messengeraccount van zijn ex-vrouw. Identiteitsfraude veroorzaakt overlast en ergernis alsook verlies van vertrouwen bij degene van wiens of wier identiteit misbruik is gemaakt en voor degenen ten overstaan van wie die valse gegevens zijn gebruikt.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met brandstichting. Een dergelijk feit tast het gevoel van veiligheid van in het bijzonder het slachtoffer aan en is geschikt om angst aan te jagen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 november 2019 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld. Hieruit en uit het gegeven dat de verdachte ook na de thans bewezenverklaarde feiten niet wegens strafbare feiten met justitie in aanraking is gekomen gaat het hof ervan uit dat sprake is van een ontsporing van tijdelijke aard die verband houdt met de toenmalige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof houdt in het voordeel van de verdachte ermee rekening dat hij, ondanks zijn ontkennende houding, inmiddels zijn leven een andere wending lijkt te hebben gegeven.

De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Het hof zal echter, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, deze straf in voorwaardelijke vorm opleggen, te weten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren. Deze straf wordt passend en geboden geacht nu daarmee enerzijds de ernst van het feit tot uitdrukking wordt gebracht en deze straf er anderzijds toe strekt de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen. Het hof acht de door de rechter in eerste aanleg gestelde bijzondere voorwaarden, mede gelet op het tijdsverloop, niet langer opportuun. Daarnaast is uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat de verdachte op vrijwillige basis in behandeling is bij een psycholoog.

Voorts wordt, gelet op de ernst van de feiten, daarnaast in beginsel een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis passend en geboden geacht.

Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is geschonden. Immers, tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 29 juni 2017 en de datum waarop het hof arrest zal wijzen, te weten op 12 december 2019, zijn meer dan twee jaren verstreken. Hierin wordt aanleiding gezien de in beginsel op te leggen taakstraf van 100 uur te matigen tot een taakstraf van 90 uren.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding overeenkomstig de beslissing van de rechtbank toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding betwist, in zoverre dat zij heeft gesteld dat de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.

Het hof overweegt als volgt.

Immateriële schade in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan voor vergoeding in aanmerking komen als de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Belaging kan een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer opleveren dat ook zonder vastgesteld geestelijk letsel sprake is van aantasting in de persoon.

Als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte is een grote inbreuk op het persoonlijk leven van [slachtoffer 1] gemaakt. Het hof is dan ook van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde - de kwaliteit van haar leven is aangetast en de verdachte heeft misbruik gemaakt van haar vertrouwen door zich herhaaldelijk voor te doen als een ander en vervolgens op een kwalijke manier haar leven binnen te dringen - maken dat de gevorderde immateriële schade toewijsbaar is. Het hof zal de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid schatten op een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt (zo begrijpt het hof) minimaal € 2.500,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en ter terechtzitting toegelicht dat zij vergoeding van een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade vordert.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding overeenkomstig de beslissing van de rechtbank toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding betwist, in zoverre dat zij heeft gesteld dat de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte in haar eer is geschaad en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106 BW. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 750,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het handelen van de verdachte, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij - de kwaliteit van haar leven is aangetast en de verdachte heeft misbruik gemaakt van haar vertrouwen door gebruik te maken van haar identiteit en onder haar naam aan een derde seksueel getinte berichten en foto’s te sturen - alsook op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.238,63, bestaande uit € 8.187,63 aan materiële schade en
€ 4.060,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.393,03, bestaande uit
€ 7.393,00 aan materiële schade en € 1.000 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het in zaak B onder 4 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 231b, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-669080-16 (B) onder 1 tenlastegelegde.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, voor zover dit het in de zaak met parketnummer 13-669080-16 (B) onder 2 tenlastegelegde onderdeel “en/of [naam 1]” betreft.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-665181-15 (A) onder 2, 5 en 6 en in de zaak met parketnummer 13-669080-16 (B) onder 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-665181-15 (A) onder 1, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 13-669080-16 (B) onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-665181-15 (A) onder 1, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 13-669080-16 (B) onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-665181-15 (A) onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-665181-15 (A) onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 juni 2015.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-669080-16 (B) onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 5], ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-669080-16 (B) onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 april 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. F.M.D. Aardema en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

12 december 2019.