Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4408

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2019
Datum publicatie
06-01-2020
Zaaknummer
200.218.968/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Faillissement en dwangsom. Art. 611e lid 2 Rv. Belang bij vordering opheffing dwangsom? Curator en belang gefailleerde.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:2811.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0024
JOR 2020/99 met annotatie van Loesberg, E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.218.968/01

zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/623533/KG ZA 17-143

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 december 2019

inzake

Mr. J.A. Dullaart in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [X],

kantoorhoudend te Naaldwijk

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. J.A.M. van Oers te Amsterdam,

tegen

1 Vereniging BUMA,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J.W.A. Meddens te Amsterdam,

2 Stichting ter exploitatie van Naburige Rechten

gevestigd te Hilversum,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de curator, [X] , Buma en Sena genoemd, en geïntimeerden in de hoofdzaak tezamen Buma c.s.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn arrest in deze zaak van 30 juli 2019. Daarbij is in het incident beslist op de incidentele vordering van [X] onder aanhouding van de beslissing omtrent de kosten. In de hoofdzaak is de zaak verwezen naar de rol voor gelijktijdige uitlating door alle partijen omtrent de onderwerpen als bedoeld in 3.10 van dat arrest, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. Partijen hebben daartoe op de rolzitting van 10 september 2019 ieder een akte genomen.

Daarna is arrest bepaald.

2. Beoordeling

2.1

Ingevolge het genoemde arrest van het hof van 30 juli 2019 zijn partijen om proceseconomische redenen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de consequenties die in deze zaak moeten worden verbonden aan het bepaalde in artikel 611e lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en over de vraag in hoeverre, gelet op het faillissement van [X] , beslissingen over de gelegde beslagen nog noodzakelijk zijn.

2.2

De curator meent dat de procedure moet worden voortgezet. De boedel heeft daarbij belang, reeds vanwege de beslissing omtrent de proceskosten. Dat dwangsommen op grond van artikel 611e lid 2 Rv niet als vorderingen in het faillissement worden toegelaten, neemt volgens hem niet weg dat er een belang bestaat bij een beslissing daarover, waarbij hij zich erop beroept dat een curator naast het belang van de schuldeisers ook dat van de gefailleerde moet dienen, in het bijzonder het belang van [X] na een opheffing van het faillissement. Een beslissing omtrent de gelegde beslagen acht de curator niet noodzakelijk aangezien deze als gevolg van de faillietverklaring van [X] vervallen zijn.

2.3

Buma c.s. zijn van mening dat de procedure (het hof begrijpt: op dit moment) kan eindigen. Zij erkennen op zichzelf dat bij een einde van het faillissement de dwangsommen voor [X] weer relevant worden.

2.4

Nu [X] in hoger beroep is gekomen dient de curator, die de procedure in hoger beroep heeft overgenomen, volgens de regels van het procesrecht de gelegenheid te krijgen de gronden voor het hoger beroep in een memorie van grieven naar voren te brengen. Buma c.s. hebben geen redenen aangevoerd die ertoe nopen om in dit opzicht, wegens het bij de curator ontbreken van enig in rechte te respecteren belang of een zwaarwegende reden die anderszins voortvloeit uit de eisen van een goede procesorde, af te wijken van de bedoelde regels.

3 Beslissing

Het hof:

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 21 januari 2020 voor memorie van grieven;

in de hoofdzaak en het incident:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.A.H. Melissen, M.P. van Achterberg en H. Struik, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 december 2019.