Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:433

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
200.241.128/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORAMS:2018:14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. In de kern verwijt klaagster de notaris dat hij zijn zorg- dan wel informatieplicht heeft geschonden door te verklaren/de schijn te wekken dat de ligplaats te verkrijgen is, althans geen duidelijke en eenduidige informatie te verschaffen met betrekking tot het verkrijgen van de ligplaats door de koper van het woonschip. De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hof vernietigt de bestreden beslissing en verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.241.128/01 NOT

nummer eerste aanleg : 640282/NT17-84

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 19 februari 2019

inzake

mr. [naam] ,

notaris te [plaats] ,

appellant,

gemachtigde: mr. E.A.L. van Emden, advocaat te Den Haag,

tegen

[naam BV] ,

gevestigd te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.A. van Seumeren, advocaat te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: de notaris) heeft op 19 juni 2018 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 24 mei 2018 (ECLI:NL:TNORAMS:2018:14). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van geïntimeerde (hierna: klaagster) gegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.2.

De notaris heeft op 26 juli 2018 een aanvullend beroepschrift ingediend.

1.3.

Klaagster heeft op 8 augustus 2018 een verweerschrift - met bijlage - ingediend.

1.4.

De notaris heeft op 9 november 2018 een aanvullende productie ingediend.

1.5.

Op 12 november 2018 heeft klaagster een aanvullende productie ingediend.

1.6.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 6 december 2018. De notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, en klaagster, vertegenwoordigd door een van haar bestuurders, [naam] (hierna: [de bestuurder van klaagster] ), en bijgestaan door haar gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; beide gemachtigden aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

De heer [naam] (hierna: [de heer X] ) heeft eind 2008 het aan het [plaats] gelegen registergoed, het woonschip genaamd “ [naam] ” (hierna: het woonschip) gekocht en in eigendom verkregen. Voor de aankoop van het woonschip heeft [de heer X] een bedrag van € 140.150,- (afgerond) geleend van [naam] en de heer [naam] (hierna: [de BV] ).

3.2.2.

Bij besluit van 23 januari 2009 is aan [de heer X] voor het woonschip een ligplaatsvergunning verleend. In deze vergunning is vermeld dat deze persoons-, ligplaats- en scheepsgebonden is en eindigt bij onder meer verkoop van het schip en dat de ligplaatsvergunning niet als vermogensobject overdraagbaar is.

3.2.3.

Het woonschip is niet gelegen aan eigen grond en/of boven of in eigen waterbodem. De ligplaats wordt gehuurd van een derde. Het woonschip is over land slechts toegankelijk over terrein dat in gebruik is bij de lokale kanovereniging.

3.2.4.

Tot zekerheid van voormelde geldlening heeft [de heer X] aan [de BV] op 13 november 2012 een recht van hypotheek op het woonschip verleend.

3.2.5.

De notaris heeft van [de BV] de opdracht gekregen, welke opdracht de notaris heeft aanvaard, om op basis van het recht van hypotheek het woonschip in het openbaar te veilen ten laste van [de heer X] .

3.2.6.

Op 16 juni 2015 is [de heer X] de executoriale verkoop van het woonschip aangezegd.

Hierop heeft [de heer X] een kort geding gevoerd teneinde – kort samengevat – de executie van de openbare verkoop te doen staken. Bij vonnis van 17 augustus 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank [plaats] de vordering(en) van [de heer X] afgewezen. Bij arrest van 22 december 2015 heeft het gerechtshof [plaats] dit vonnis bekrachtigd.

3.2.7.

De notaris heeft [de heer X] vervolgens aangezegd dat de veiling van het woonschip zou gaan plaatsvinden op 18 april 2016. Bij deze veiling kon zowel vanuit de zaal, als via internet worden geboden.

3.2.8.

Klaagster heeft zich voordien als internetbieder geregistreerd. Hierbij heeft klaagster zich akkoord verklaard met de toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden Voor Executieveilingen Van Nederlandse Schepen (AVVES), alsmede met de (door de notaris op 17 maart 2016 gepasseerde) specifieke veilingvoorwaarden.

In artikel 14 van de AVVES is vermeld:

“De executante staat niet in voor de aanwezigheid van documenten, certificaten en vergunningen of andere bescheiden, welke voor het gebruik van het schip of anderzijds vereist mochten zijn.”

In de specifieke veilingvoorwaarden van 17 maart 2016 staat, voor zover hier van belang, vermeld:

“Naast, in afwijking van en/of in aanvulling op de Algemene Veilingvoorwaarden zal de Verkoop (voorts) geschieden met inachtneming van de in dit hoofdstuk van de Akte vermelde voorwaarden en bedingen.

Artikel 1 Omschrijving van het Schip

(..)
het woonschip, genaamd: “ [naam] ”, gebrandmerkt: (..), bouwjaar [X] , (..), zonder mechanische voortbeweging, (..)

(..)

2.1

Voor zover aan de Executant bekend, is het Schip thans in gebruik bij de Rechthebbende, al dan niet tezamen met de zijnen.”

3.2.9.

In de ter beschikking gestelde veilingbrochure staat, voor zover hier van belang, vermeld:

“Betreft: Executieveiling (hypotheek)

Object: Woonboot”

(..)

Omschrijving: het woonschip, genaamd: “ [naam] ”, (..)”

Woonschepenverordening [plaats] 2010

(..)

Artikel 4 Ligplaatsvergunning

(..)

4.2

Een ligplaatsvergunning is persoons-, ligplaats- en scheepsgebonden.

4.3

Een ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van het woonschip en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en alle relevante kenmerken van het woonschip.

(..)

Artikel 8 Wijziging tenaamstelling ligplaatsvergunning

8.1

Op verzoek van de eigenaar van het woonschip stelt het college, behoudens in uitzonderlijke gevallen, de vergunning op naam van een rechtverkrijgende.

(..)

TOELICHTING

(..)

Artikel 4 Ligplaatsvergunning

De eigenaar van een woonschip moet beschikken over een ligplaatsvergunning, ook in de (weinig voorkomende) gevallen waarin er sprake is van een verhuurd woonschip.

(..)

Artikel 8 Wijziging tenaamstelling ligplaatsvergunning

In dit artikel is voorzien in de mogelijkheid om de vergunning op naam van een rechtverkrijgende te stellen, bijvoorbeeld ingeval van verkoop van een woonschip. (..) Het is van belang – onder meer in verband met eventuele handhavingssituaties – dat sprake is van een correcte tenaamstelling van ligplaatsvergunningen en dat ‘bestandsvervuiling’ als gevolg van tussentijdse vervreemding van woonschepen zo veel als mogelijk wordt voorkomen. Daarom betekent bijvoorbeeld verkoop van een woonschip niet dat de vergunning ‘automatisch’ op naam van de koper komt te staan.

Artikel 8 lid 1 bevat een principeverplichting voor het college tot overschrijving. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan daarvan worden afgeweken. In de praktijk zal zich zelden een reden voor weigering van een gewijzigde tenaamstelling voordoen. Als voorbeeld kan dienen het geval waarin in verband met een illegale situatie op een bepaald woonschip handhavend wordt opgetreden en de overtreder de ligplaatsvergunning dan op naam van een ander wil stellen.”

3.2.10.

Voorafgaand aan de geplande veiling heeft [de heer X] een nieuwe kortgedingprocedure gevoerd teneinde de executie van de openbare verkoop van het woonschip te doen staken. Volgens [de heer X] maakt [de BV] met het doorzetten van de executoriale verkoop van het woonschip misbruik van haar executiebevoegdheid, omdat het woonschip zonder ligplaats(vergunning) geen waarde heeft. De vordering van [de heer X] in dit tweede executiegeschil is op 15 april 2016 afgewezen.

3.2.11.

Op 18 april 2016 heeft de veiling van het woonschip plaatsgevonden. De notaris heeft toen (desgevraagd) medegedeeld:

“Op verzoek zeg ik het nog maar nadrukkelijk bij dat het dus geen eigendom ligplaats is. De ligplaats is een huurkwestie tussen de gemeente [plaats] die de verhuurder daarvan is. De huursom per jaar kan ik ook u niet vertellen. Ik heb wel allerlei zaken... ik heb de huur vergunning gezien van destijds waar de huidige eigenaar het heeft gehuurd, daar staat die niet bij. Ik weet de huurprijs niet. Er is … ik heb vervolgens contact gehad met de gemeente, de gemeente heeft mij verwezen naar de voorwaarden voor de verhuur. Die staan ook op internet de ligplaats wat u moet doen om de ligplaats te kunnen krijgen.”

3.2.12.

Blijkens het proces-verbaal van veiling van 18 april 2016 is het woonschip door een derde bij opbod ingezet op € 31.000,- en na afslag door klaagster gemijnd op € 50.000,-. Bij akte van gunning van 21 april 2016 is ten overstaan van de notaris het woonschip aan klaagster gegund voor een koopsom van € 50.000,-.

3.2.13.

Bij – ongedateerde – conceptbrief heeft de gemeente [plaats] aan klaagster medegedeeld, voor zover hier van belang:

“Op 4 mei 2016 hebben wij uw verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van een ligplaatsvergunning ontvangen ten behoeve van het afmeren van een woonschip aan het adres [plaats] . Op 6 juli 2016 hebben wij u medegedeeld dat uit onze gegevens blijkt dat er op dit schip en op deze ligplaats reeds een vergunning is verleend aan de heer [de heer X] . De Woonschepenverordening [plaats] voorziet middels artikel 8 in een regeling voor het wijzigen van de tenaamstelling van een vergunning. Op basis van deze regeling kan een vergunning op naam van een rechtverkrijgende worden gesteld, op verzoek van de oorspronkelijke eigenaar.

In dit geval is het verzoek niet gedaan door de oorspronkelijke eigenaar van het woonschip. Daarom hebben wij u in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen met een verzoek van de oorspronkelijke eigenaar van het woonschip, dan wel de aanvraag aan te vullen met documenten waaruit blijkt dat er toestemming is van de oorspronkelijke eigenaar voor de wijziging van de tenaamstelling van de ligplaatsvergunning.

1. Overwegingen

Op 27 juli 2016 hebben wij een reactie ontvangen van uw advocaat de heer mr. (..). De heer (..) stelt dat uw standpunt is dat de nieuwe eigenaar een verzoek dient te doen en niet de oorspronkelijke eigenaar. Wij delen dit standpunt niet. Alleen al het gegeven dat in deze situatie de oorspronkelijke eigenaar/vergunninghouder te kennen heeft gegeven dat hij de vergunning niet wenst over te dragen ondersteunt onze opvatting. (..)

2. Besluit

Gelet op de bepalingen van de Woonschepenverordening 2010 en de Algemene wet bestuursrecht besluiten wij het verzoek om wijziging van de tenaamstelling van de ligplaatsvergunning op grond van artikel 8 van de Woonschepenverordening 2010 te weigeren.”

4 Standpunt van klaagster

4.1.

In de kern verwijt klaagster de notaris dat hij zijn zorg- dan wel informatieplicht heeft geschonden door te verklaren/de schijn te wekken dat de ligplaats te verkrijgen is, althans geen duidelijke en eenduidige informatie te verschaffen met betrekking tot het verkrijgen van de ligplaats door de koper van het woonschip.

4.2.

Volgens klaagster heeft de notaris bij haar het vertrouwen gewekt dat het verkrijgen van de ligplaats(vergunning) mogelijk was, omdat de notaris ter veiling heeft verklaard contact te hebben gehad met de gemeente omtrent de voorwaarden van huur van de ligplaats en daarbij geen enkel voorbehoud heeft gemaakt. Indien klaagster had geweten dat de ligplaats(vergunning) niet te verkrijgen was, had zij het woonschip niet gekocht. Het feit dat klaagster € 50.000,- heeft betaald voor een woonschip (dat volgens haar geen waarde heeft zonder ligplaats), had voor de notaris reden moeten zijn om ervan uit te gaan dat klaagster in de veronderstelling was dat zij naast het woonschip ook een ligplaats(vergunning) zou (kunnen) verkrijgen.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

6.1.

Het hof overweegt dat artikel 3 van de Verordening beroeps- en gedragsregels voorschrijft dat de notaris bij de levering van registergoederen een zodanig onderzoek instelt dat over de rechtstoestand van het registergoed zo min mogelijk onzekerheid bestaat en dat hij de gegevens die voor de rechtstoestand van belang zijn in de akte van levering vermeldt. In geval van veiling worden bedoelde gegevens gebruikelijk vermeld in de akte van veilingvoorwaarden die tezamen met het proces-verbaal van veiling en gunning in de openbare registers worden overgeschreven teneinde de levering te bewerkstelligen. Afwijkingen van of aanvullingen op hetgeen in de akte van veilingvoorwaarden staat vermeld, plegen ter veiling door de notaris, of op diens instructie door de veilingmeester, te worden kenbaar gemaakt.

Aan de notaris komt een zekere vrijheid toe om ter veiling slechts die aanvullende of afwijkende gegevens te vermelden die relevant zijn voor de gegadigden ter veiling of die betrekking hebben op een te respecteren belang van enige bij de veiling betrokkene.

6.2.

Het hof stelt vast dat klaagster de notaris niet het verwijt maakt dat de notaris de indruk heeft gewekt dat ook de ligplaats zou worden geveild. Klaagster wist dat de veiling niet de eigendom van de ligplaats betrof op basis van de veilingvoorwaarden.

6.3.

Anders dan de kamer, is het hof van oordeel dat de notaris zijn zorg-/informatieplicht niet heeft geschonden. Voorafgaand aan de veiling heeft de notaris de veilingbrochure (digitaal) ter beschikking gesteld. Uit die brochure, waarvan ook de veilingvoorwaarden deel uitmaken, kon klaagster (als ervaren (internet)biedster) opmaken dat de ligplaatsvergunning – die verplicht is voor een eigenaar van een woonschip – persoons-, ligplaats- en scheepsgebonden is en bij verkoop van een woonschip niet automatisch op naam van de koper komt te staan. Hiertoe dient eerst een verzoek te worden gedaan. Ook viel in de veilingbrochure te lezen dat in de praktijk zich zelden een reden voor weigering van een gewijzigde tenaamstelling voordoet. De reden voor weigering die in de toelichting van de Woonschepenverordening [plaats] 2010 als voorbeeld werd gegeven, deed zich in het onderhavige geval niet voor. Uit de stukken is het hof gebleken dat klaagster, althans [de bestuurder van klaagster] , zelf ook nog contact heeft opgenomen met de gemeente ten aanzien van de ligplaats(vergunning). Hem is toen, zo heeft [de bestuurder van klaagster] ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard, meegedeeld dat een ligplaats(vergunning) zou zijn te verkrijgen. De notaris heeft deze informatie ook desgevraagd ontvangen van de gemeente, hetgeen blijkt uit de door de notaris in hoger beroep overgelegde e-mail van 11 april 2016 van één van zijn medewerksters: “De heer (..) van de gemeente [plaats] afd vergunningen heeft gebeld: Zij hanteren de naam die op de akte staat en de nieuwe eigenaar kan een aanvraag indienen voor de ligplaats mocht hij/zij aan alle eisen voldoen wordt er normaal gesproken een vergunning gegeven.” Tijdens de veiling op 18 april 2016 heeft de notaris duidelijk gemaakt dat hij contact heeft gehad met de gemeente en dat op internet staat vermeld wat men moet doen om een ligplaats(vergunning) te krijgen. Weliswaar heeft de notaris in dat kader ten onrechte gesproken over ‘(ver)huur’, maar daarvan valt hem als zodanig geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Klaagster wíst dat er een ligplaatsvergunning behoorde te worden aangevraagd en mocht – als ervaren internetbied(st)er – uit de context van de toelichting van de notaris ter veiling begrijpen dat voor het verkrijgen van een ligplaats(vergunning) nog een extra handeling nodig was. De notaris heeft zowel voorafgaand als tijdens de veiling niet tot uitdrukking gebracht dat een koper deze ligplaats(vergunning) ook daadwerkelijk zou verkrijgen, hetgeen hij ook niet kon, aangezien die beslissing door de gemeente moe(s)t worden genomen. De omstandigheid dat de gemeente uiteindelijk heeft besloten om het verzoek van klaagster tot wijziging van de tenaamstelling van de ligplaatsvergunning op grond van artikel 8 van de Woonschepenverordening 2010 te weigeren, valt de notaris niet aan te rekenen.

6.4.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de klacht, anders dan de kamer heeft geoordeeld, ongegrond is.

6.5.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.6.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, H.T. van der Meer en J.L.G.M. Mertens en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019 door de rolraadsheer.