Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:423

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
23-004228-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 26 WWM. Art. 2 onder C Opiumwet. Bevestiging m.u.v. straf + aanvulling bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004228-17

Datum uitspraak: 4 januari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-162398-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ter zitting opgegeven verblijfadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 aanvult met de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer [nummer] van 22 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door rapporteur [rapportueur], hoofdagent van politie eenheid Noord-Holland en ondertekend door hulpofficier van justitie [hulpofficier]. Met deze aanduiding wordt volstaan omdat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en er namens hem geen verweer strekkend tot vrijspraak is gevoerd.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende scherpe kogelpatronen. Het voorhanden hebben van een wapen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het ongecontroleerde bezit van wapens creëert daarnaast het risico van gebruik van die wapens en brengt gevoelens van onveiligheid met zich mee. Daarnaast is onder de verdachte een hoeveelheid van 3,18 gram cocaïne aangetroffen. De verdachte heeft bij verschillende gelegenheden verklaard dat hij cocaïne verkocht om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne veroorzaken een ernstige bedreiging van de volksgezondheid, brengen onrust voor de samenleving met zich en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. hetgeen ook wordt bevestigd in een door de raadsman overgelegde brief van het Leger des Heils van 20 december 2018 waaruit blijkt dat de verdachte een kamer heeft gekregen in een observatiewoonvorm en daar intensief wordt begeleid. Hij volgt les in de Nederlandse taal en hij heeft een dagbesteding in de vorm van arbeid in de bedrijfskeuken van het Leger des heils. Uit de brief volgt voorts dat de verdachte een gemotiveerde man is die zich actief inzet om wat van zijn leven te maken en waarvoor de eerste stappen zijn gezet. Sinds het onderhavige feit is hij ook niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen.

Anders dan de raadsman en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Daar komt bij dat uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman gedane mededelingen en uit de genoemde overgelegde brief blijkt dat de onderbrenging van de verdachte bij het Leger des Heils van zeer recente datum is. Van doorbreking van een bestendig proces door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal dan ook geen sprake zijn. Gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte en om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen acht het hof, anders dan de politierechter, termen aanwezig om deze straf gedeeltelijk in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. R.M. Steinhaus en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 januari 2019.

Mr. M.L. Leenaers en mr. M. Senden zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004228-17

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 4 januari 2019.

Tegenwoordig zijn:

mr. R.M. Steinhaus, raadsheer,

mr. S.M. Schouten, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. B.C.C. van Roessel, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.