Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:422

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
23-000828-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art, 8 WVW, rijden onder invloed. Art. 9 WVW, rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. Art. 11 WVW, joyriding. Verbeterde persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000828-18

Datum uitspraak: 4 januari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-094943-17 (zaak A) en 96-215978-17 (zaak B) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2018.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, na een wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, ten laste gelegd dat:

Parketnummer 96-094943-17 (Zaak A):

1:
hij op of omstreeks 14 mei 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,03 milligram, althans 2,01 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

Parketnummer 96-215978-17 (Zaak B):

1:
hij op of omstreeks 11 oktober 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,73 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

2:
hij op of omstreeks 11 oktober 2017 te Amsterdam, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, het Sarphatipark, de Sarphatistraat en/of de Van Woustraat, een motorrijtuig (personenauto), heeft bestuurd;

3:
hij te Amsterdam op of omstreeks 11 oktober 2017, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig (personenauto), toebehorende aan [betrokkene], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, het Sarphatipark, de Sarphatistraat en/of de Van Woustraat, in elk geval op een weg.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

1:
hij op 14 mei 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,03 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

Zaak B:

1:
hij op 11 oktober 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,73 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;


2:
hij op 11 oktober 2017 te Amsterdam, terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, het Sarphatipark, de Sarphatistraat en/of de Van Woustraat, een motorrijtuig (personenauto), heeft bestuurd;

3:
hij te Amsterdam op 11 oktober 2017, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig (personenauto), toebehorende aan [betrokkene], als bestuurder heeft gebruikt op de weg, het Sarphatipark, de Sarphatistraat en/of de Van Woustraat.

Hetgeen in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 bewezen verklaarde levert telkens op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 .

Het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het in zaak B onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten aanzien van zaak A onder 1 en ten aanzien van zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten aanzien van zaak A onder 1 en ten aanzien van zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken en een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft verzocht in elk geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen omdat de verdachte dan zijn baan zal verliezen en ook overigens positieve ontwikkelingen zullen worden doorkruist. Verzocht is een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor langere duur op te leggen in combinatie met een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis. Tegen het opleggen van een taakstraf voor een langere duur, bestaat geen bezwaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto op de openbare weg onder invloed van een grote hoeveelheid alcoholhoudende drank. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid op een onacceptabele wijze in gevaar gebracht. Daarnaast heeft hij een personenauto bestuurd, terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan een rechterlijke beslissing die beoogt de verkeersveiligheid te beschermen en heeft hij een aan hem van overheidswege opgelegde sanctie genegeerd. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan joyriding. Het hof acht deze feiten ernstig.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 december 2018 is hij eerder meermalen ter zake van Wegenverkeerswet-delicten, waaronder voor het rijden onder invloed onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte de onderhavige feiten als ook de overtredingen van de wegenverkeerswet in het verleden, pleegde terwijl hij een alcoholverslaving had. Sedert enkele maanden is hij van zijn alcoholverslaving af en heeft hij een positieve wending gegeven aan zijn leven. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij zich bewust is van de fouten die hij de afgelopen jaren heeft gemaakt. Hij verricht vrijwilligerswerk bij een geluid- en lichtbedrijf en heeft sinds april 2018 een baan bij een autoschadeherstelbedrijf, waarvoor het hebben van een rijbewijs noodzakelijk is. Hij heeft sinds ruim een jaar een vaste relatie, woont met zijn vriendin samen, is bezig met het afbetalen van zijn schulden en heeft gesprekken gevoerd met een psycholoog. Anders dan in mei en oktober 2017 heeft hij zijn leven op de rit. Hij is sinds oktober 2017 ook niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen.

Naar het zich laat aanzien, zo overweegt het hof, heeft het leven van de verdachte een positieve wending genomen. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze positief te waarderen lijn wordt doorgetrokken. Hernieuwde vrijheidsbeneming zal deze positieve ontwikkelingen doorkruisen. Daarom zal het hof aan de verdachte in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw terug te vallen in zijn oude gedrag. Gelet op de ernst van de feiten in combinatie met de recidive acht het hof een ontzegging van de rijbevoegdheid onontkoombaar. Het hof ziet echter in de uitgebreid ter terechtzitting in hoger beroep besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat de verdachte ter terechtzitting getoond heeft het laakbare van zijn handelen in te zien, aanleiding de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk op te leggen. De verdachte dient zich wel terdege te realiseren dat hem hiermee een laatste kans wordt geboden om te laten zien dat hij zijn leven heeft gebeterd. De ernst van de feiten en de relevante recidive brengen het hof er toe de voorwaardelijke gevangenisstraf en de voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor een langere duur en met een langere proeftijd op te leggen dan door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 11, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. R.M. Steinhaus en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 januari 2019.

Mr. M.L. Leenaers en mr. M. Senden zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000828-18

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 4 januari 2019.

Tegenwoordig zijn:

mr. R.M. Steinhaus, raadsheer,

mr. S.M. Schouten, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. B.C.C. van Roessel, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.