Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:418

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
17/00505 en 17/00511
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is een aanslag leges opgelegd voor de aanvraag van een legaliserende bouwaanvraag. Dit in verband met de plaatsing van een berging. Het Hof acht aannemelijk dat de gemeente erin heeft bewilligd dat de berging vrij van vergunning kon blijven, althans dat bij belanghebbende een zodanig vertrouwen is gewekt. De aanslag leges is dan ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-02-2019
FutD 2019-0453
V-N Vandaag 2019/374
V-N 2019/15.22.16
NTFR 2019/753 met annotatie van mr. H. de Jong
Belastingblad 2019/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 17/00505 en 17/00511

8 januari 2019

uitspraak van derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [plaats] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. K. van Driel (Rechtmaat Juristen te Heemskerk)

en het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Heemskerk, de heffingsambtenaar,

gemachtigde: drs. J. Slomp, Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG)

tegen de uitspraak van 25 augustus 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/3677 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 24 februari 2016 aan belanghebbende een

aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 471,18, welke is onderverdeeld in “Leges plaatsen van een berging [adres] ” (€ 215,20) en “Achteraf ingediende aanvraag (legalisatie)” (€ 255,98).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 13 mei 2016, de hiervoor genoemde aanslag gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Op het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak van 25 augustus 2017 als volgt beslist (in de uitspraak wordt belanghebbende als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’ aangeduid):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag leges tot een bedrag van € 430,40;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.”

Procedurekenmerk Hof 17/00505

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep van belanghebbende is bij het Hof ingekomen op 3 oktober 2017 en aangevuld bij brief van 30 oktober 2017.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Bij brief van 8 februari 2018 heeft de heffingsambtenaar een nader stuk ingediend.

1.6.

Bij brief van 11 februari 2018 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.


Procedurekenmerk Hof 17/00511

1.7.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep van de heffingsambtenaar is bij het Hof ingekomen op 3 oktober 2017. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

De heffingsambtenaar heeft bij brief 3 januari 2018 een conclusie van repliek ingediend.

1.9.

Belanghebbende heeft bij brief van 11 februari 2018 een conclusie van dupliek ingediend.

Procedurekenmerken Hof 17/00505 en 17/00511

1.10.

Belanghebbende heeft bij brief van 16 november 2018 nadere stukken ingediend.

1.11.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2018. Namens belanghebbende is verschenen zijn zoon [naam] , vergezeld van de gemachtigde voornoemd. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen P.N.A. van der Post en G. Lukken, vergezeld van de gemachtigde van de heffingsambtenaar, voornoemd.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2
2. Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser heeft in het jaar 2000 het perceel [adres] gekocht van de gemeente Heemskerk.

2. De gemeente Heemskerk heeft op 20 januari 2016 van eiser een aanvraag tot het afgeven van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een berging op genoemd adres ontvangen. Het betrof een achteraf ingediende aanvraag (legalisering). In verband hiermee is eiser een aanslag leges van € 471,18 opgelegd. Blijkens de aanslag is dit bedrag als volgt opgebouwd:

“Omschrijving Te betalen bedrag

Leges plaatsen van een berging [adres] 215,20

Achteraf ingediende aanvraag (legalisatie) 255,98

FACTUURTOTAAL 471,18 ”

3. De Verordening op de heffing en de invordering van leges gemeente Heemskerk 2016 (hierna: de verordening) houdt, voor zover hier van belang, in:

"Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:

a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten:

b. (...);

een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst, (...) dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht.

(…)

Artikel 5 Maatstaven van de heffing en de tarieven

1. De leges worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

(…)

3. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.”

4. In de bij de verordening behorende Tarieventabel leges Heemskerk (hierna: de tarieventabel) is in Titel 2, Hoofdstuk 3, onder meer het volgende opgenomen

“Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning

2.3.1

Bouwactiviteiten

2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een

bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo,

bedraagt het tarief:

2.3.1.1.1 2.500 euro of minder bedragen voor ieder 500 euro of gedeelte daarvan € 38,40

met een minimum van € 215,20

(…)

Achteraf ingediende aanvraag

2.3.1.4. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 3 bedraagt het tarief, indien

de in dat onderdeel bedoelde aanvraag wordt ingediend na aanvang of

gereedkomen van de activiteit: 30%

van de op grond van dat onderdeel verschuldigde leges

(…)

2.3.3

Planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake is van een bouwactiviteit

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een

activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en

tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste

lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde

in onderdeel 2.3.1:

(…)

2.3.3.2 indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo i

beoordeeld (buitenplanse kleine afwijking): € 215,20”

5. In het Gemeenteblad van de Gemeente Heemskerk, nr. 96, d.d. 23 november 2004, is onder meer het volgende vermeld:

“onderwerp: vaststelling Legesverordening 2005

Aan de raad,

Inleiding

Voor u ligt de Legesverordening voor hernieuwde vaststelling. Naast de wijziging van een aantal tarieven, stellen wij ook inhoudelijke aanpassingen voor die samenhangen met ontwikkelingen in de jurisprudentie en met nieuw beleid.

Voorgesteld besluit

De Legesverordening 2005 vast te stellen.

Motivering/toelichting voorgesteld besluit

(…)

Met betrekking tot de bouwleges achten wij het gewenst om een verhoging van de verschuldigde leges toe te kunnen passen indien een aanvankelijk illegaal bouwwerk alsnog wordt gelegaliseerd. Enerzijds ter dekking van de extra kosten die met de dienstverlening samenhangen en anderzijds in aansluiting op het actieve beleid dat de gemeente voert gericht op het tegen gaan van illegale bouw. In dat verband stellen wij u voor om in de Legesverordening een bepaling op te nemen welke het mogelijk maakt om de verschuldigde leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor het verkrijgen van een bouwvergunning met 25 procent te verhogen indien het de legalisering van een illegaal bouwwerk betreft.

(…)

Heemskerk, 23 november 2004

Burgemeester en wethouders van Heemskerk

(…)”

6. In een brief van 31 mei 2016 aan eiser en [naam] schrijft de gemeente Heemskerk, bureau Leefomgeving, onder meer:

“2. Op de huurovereenkomst en uit foto’s lijkt het alsof de originele erfafscheiding nog steeds intact is. Door het omzetten van de huurovereenkomst naar een koopovereenkomst zijn de bewoners eigenaar geworden van de aanwezige erfafscheidingen, hierdoor is het niet mogelijk voor de gemeente om een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen. Dit dient te gebeuren door de eigenaar zelf. De gemeente is bereid u tegemoet te komen door geen legeskosten in rekening te brengen voor het in behandeling nemen van de omgevingsvergunning.”

(…)”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop voegt het Hof nog de volgende feiten toe.

2.3.

De onderhavige bouwleges hebben betrekking op een berging van 4,8 x 3,3 x 2,3 (l x b x h) die in 1991 is gebouwd op een perceel dat toen in eigendom was van de gemeente en aan belanghebbende werd verhuurd. Dit perceel is in 2000 door de gemeente aan belanghebbende verkocht.

2.4.

Tot de stukken behoort een kopie van een verslag van een gesprek van een (niet genoemde) vertegenwoordiger van de gemeente Heemskerk met onder meer belanghebbende en [zoon] , mede door belanghebbende ondertekend op 22 januari 2016. In dit stuk is onder meer het volgende vermeld:


“1. [Belanghebbende] toont een document uit het jaar 2000 waaruit zou blijken dat (…) in dat jaar [belanghebbende] (…) het perceel van de gemeente heeft gekocht inclusief de berging waarvoor nu (…) een aanvraag wordt ingediend.
Gezien het feit dat de gemeente de grond heeft gekocht [het Hof leest: verkocht] inclusief de op [het] perceel staande bebouwing vinden zowel (…) [zoon] als (…) dat de kosten gemoeid met een aanvraag omgevingsvergunning voor de gemeente moeten zijn. Niet ter discussie staat het feit dat de berging er nu illegaal staat en dat er een vergunning aangevraagd dient te worden.
(…)
Ruimte voor op- of aanmerkingen:
[handgeschreven] Wij gaan alleen akkoord mits de gemeente zijn verantwoording hierin draagt. In de kosten (legeskosten) van deze aanvraag.”

2.5.

In het verweerschrift in eerste aanleg is onder meer het volgende vermeld:


“Legesnota (…)
Leges plaatsen berging [adres] : € 215,20
Achteraf ingediende aanvraag (legalisatie) : € 255,98
Totaal bedrag : € 471,18

Als gevolg van een administratieve omissie is het legesbedrag zoals vermeld op de legesnota niet volledig juist en onvoldoende duidelijk wat betreft de samenstelling.
Uit onderstaande toelichting blijkt de juiste opbouw en omvang van het verschuldigde bedrag.
(…)

Nieuwbouwkosten : 2.400,00 euro
Reductie > dan 10 jaar oud : 1.600 euro (…)
Basis voor bouwleges : 800,00 euro
Tarief te heffen bouwleges : 215,20 euro (…)
Tarief voor ontheffing bp : 215,20 euro (buitenplanse kleine afwijking)
Basistarief voor legalisatie : 64,56 euro (30% van bouwleges, artikel 2.3.1.4)
Totaal te betalen leges : 494,96 euro
In rekening gebracht : 471,18 (administratieve onjuistheid, geen naheffing).”

2.6.

Ter zitting van het Hof is door [zoon] onder meer het volgende verklaard:

“De aantekening onder het gespreksverslag is van mijn hand. Ik heb dat opgeschreven voor mijn ouders. Er is uitgebreid met de gemeente gesproken over de aanvraag voor een legaliserende vergunning voor de berging. De gemeente kon de vergunning niet aanvragen. Toen heb ik gezegd ik wil dat wel doen, maar daar gaan mijn ouders geen leges voor betalen. Toen is door de heer Lukken gezegd “dat komt wel goed”. Zo is het in het kort gegaan.

Ik wil dat ook wat uitgebreider toelichten. Het zit namelijk zo. De standplaatsen voor woonwagens waar wij het hier over hebben, zijn aangelegd voor onze familie. Het ging in totaal om drie kavels met drie opstallen. Mijn ouders huurden één perceel met opstallen. Toen mijn ouders de standplaats gingen huren in 1991, is tegen een ambtenaar van de gemeente gezegd dat zij een berging wilden neerzetten op het perceel. Mijn ouders hebben toen gevraagd of zij daar een vergunning voor nodig hadden. Neen, werd gezegd door de ambtenaar waar zij toen contact mee hadden. Dat was in 1991. Dat zij de berging mochten neerzetten is toen mondeling goedgekeurd. U vraagt mij naar de naam van deze ambtenaar. Dat was de heer [ambtenaar Y] . Wij hebben alle stukken van vroeger bewaard. Dus de huurcontracten, koopcontracten en foto’s. Vandaar dat wij alles in detail nog zo weten. Mijn ouders hebben voordat zij het perceel met de opstallen in het jaar 2000 overnamen van de gemeente eerst tien jaar huur betaald. In de huursom zat ook de berging begrepen. Toen wij bij de notaris zaten in het jaar 2000 is heel nauwkeurig gekeken naar de tekening van het perceel. Alles wat op het perceel stond en gehuurd werd door mijn ouders, is door mijn ouders gekocht. De berging stond ook op de tekening en werd dus ook gekocht. Nooit is door de gemeente iets opgemerkt over deze berging. Als deze illegaal zou zijn geplaatst, dan had het toch voor de hand gelegen dat de gemeente daarover iets zou hebben opgemerkt bij de verkoop in het jaar 2000.”

2.7.

Ter zitting van het Hof is namens de heffingsambtenaar onder meer het volgende verklaard:


“- Wij hebben niet gereageerd op het gespreksverslag. (…) Ik heb ook niet tijdens dat bewuste gesprek gezegd dat geen leges geheven zouden worden. Ik betwist dan ook dat ik gezegd zou hebben dat het wel goed komt met de leges. Als ik het wel zo heb gezegd dan bedoelde ik daarmee dat het wel goed kwam met de aanvraag voor de legaliserende omgevingsvergunning. Met betrekking tot de erfafscheiding is heel duidelijk verklaard dat geen leges geheven zouden worden. Het ging hier om een erfafscheiding die is geplaatst door de gemeente zelf. De berging is echter geplaatst door belanghebbende. (…)

- U vraagt mij wie de heer [ambtenaar Y] is. De heer [ambtenaar Y] was werkzaam voor de gemeente Heemskerk. Hij werkt inmiddels al een kleine tien jaar niet meer voor de gemeente. De heer [ambtenaar Y] verzorgde het contact tussen de gemeente en de woonwagenbewoners. Hij was voor de woonwagenbewoners het aanspreekpunt namens de gemeente. Voor wat betreft het verlenen van vergunningen had hij echter geen mandaat. Hij was dus niet bevoegd om te verklaren dat de berging geplaatst kon worden zonder vergunning.”

3
3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is het volgende in geschil:

  1. is de heffingsambtenaar ontvankelijk in zijn hoger beroep;

  2. is de Verordening waar het betreft de onderdelen 2.3.1.1.1, 2.3.1.4 en 2.3.3.2 verbindend;

  3. is de tariefverhoging als vermeld in onderdeel 2.3.1.4 van de Verordening terecht in de aanslag begrepen, in het bijzonder de vraag of het de gemeente heeft vrijgestaan om zonder overgangsmaatregel ter zake van een reeds lang bestaande situatie in de heffing van leges voor een legaliserende bouwaanvraag “als prikkel” een opslag van 30% mee in aanmerking te nemen;

  4. heeft de heffingsambtenaar door van belanghebbende leges te heffen ter zake van de aanvraag bouwvergunning voor een berging het vertrouwensbeginsel geschonden;

  5. heeft belanghebbende recht op een integrale vergoeding van zijn proceskosten.


Partijen hebben geen grieven naar voren gebracht ter zake van de beslissing van de rechtbank betreffende de tijdigheid en in verband daarmee de ontvankelijkheid van het beroep. Het Hof volgt de hierover door de rechtbank genomen beslissing.

4 Beoordeling van het geschil

Oordeel rechtbank
4.1. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, het volgende overwogen en beslist:


“17. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat hem voor de aanvraag in het geheel geen leges in rekening zouden worden gebracht. Eiser wijst hierbij op de hiervoor onder 6 genoemde brief van de gemeente waar in de daar weergegeven passage is aangegeven dat geen leges in rekening worden gebracht bij een aanvraag voor een vergunning ter zake van de plaatsing van een erfafscheiding. Eiser is van mening dat hetzelfde zou moeten gelden voor het plaatsen van de berging.

18. Anders dan eiser leidt de rechtbank uit deze brief af dat verweerder hierin uitsluitend de toezegging doet om geen leges te heffen voor de aanwezige erfafscheiding nu deze erfafscheiding destijds is geplaatst door of in opdracht van de gemeente zelf. In genoemde brief wordt nergens gesproken over een vrijstelling van leges bij de aanvraag van een vergunning voor een berging. Eiser heeft uit deze brief redelijkerwijs niet kunnen afleiden dat in andere gevallen legesheffing achterwege zou blijven. Niet aannemelijk is geworden dat de gemeente Heemskerk beleid voert om in geval van legalisering van illegale bebouwing van heffing van leges af te zien. Bovendien dateert deze brief van 31 mei 2016, toen de aanslag reeds was opgelegd. Onder deze omstandigheden kan eiser dan ook geen vertrouwen ontlenen aan genoemde brief van verweerder.

19. Het beroep van eiser op de uitspraak van de rechtbank Oost Brabant van 26 november 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7162, faalt nu in afwijking van die uitspraak het in deze zaak niet aannemelijk is geworden dat eiser de berging 16 jaar geleden met toestemming van de gemeente heeft geplaatst zonder zich ervan te vergewissen of het plaatsen van de berging vergunningsplichtig was. Enig voorafgaand overleg met, laat staan toestemming van de gemeente heeft eiser op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

20. In de uitspraak van de bestuursrechter van deze rechtbank van 2 december 2016, nr. HAA 16/2510, is geoordeeld dat bij een concreet zicht op legalisatie van een bouwwerk, bestuursdwang of het opleggen van een last onder een dwangsom te verstrekkend is. Hieruit volgt dat in een geval als hier aan de orde er geen leges in rekening kunnen worden gebracht, zo voert eiser aan.

21. De rechtbank verwerpt deze grond. Het belastbare feit voor de heffing van deze leges is het behandelen van een ingediende aanvraag voor een vergunning. Deze aanvraag gaat van de aanvrager/burger uit. Dit is van een totaal andere orde dan het uitoefenen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder een dwangsom door de overheid, waarbij het initiatief van diezelfde overheid uitgaat.

22. Eiser verzoekt de rechtbank de legesverordening onverbindend te verklaren uitsluitend wat betreft punt 2.3.1.4 van de tarieventabel. Werkzaamheden ter voorbereiding van een handhavingsbesluit vallen binnen de op de gemeente rustende handhavingstaak en zijn volgens eiser niet terug te voeren op aan hem terug te voeren individueel verleende diensten. Het verzoek tot onverbindendverklaring ziet uitdrukkelijk niet op de onderdelen 2.3.1.1.1 en 2.3.3.2 van de tarieventabel, zo voert eiser aan.

23. Doel en strekking van leges betreffen het verhalen van de op een gemeente drukkende kosten verband houdende met aan de burger individueel verleende diensten buiten het kader van de op een gemeente rustende handhavingstaak.

24. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij de voorbereiding van handhavingsbesluiten een evenredigheidstoets worden uitgevoerd (vgl. de uitspraken van 27 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0142, 14 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1126, 25 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5889 en 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:474). In het kader van deze evenredigheidstoets moet worden beoordeeld of een concreet uitzicht op legalisatie bestaat.

25. Verweerder heeft in aanvulling op het hiervoor onder 5 opgenomen stuk hierover onder meer het volgende opgemerkt. De 30% verhoging op het tarief bij een legalisatie heeft te maken met extra kosten die hierbij door de gemeente moeten worden gemaakt. Dit betreft onder meer kosten voor de opsporingstaak, onderzoek naar de mogelijke vergunningsplicht, bureauonderzoek, opname ter plaatse en inmeten. De gemeente dient meer werk te verrichten als er zonder voorafgaande vergunning wordt gebouwd. Het accent bij de invoering van de 30% tariefverhoging ligt op het ontmoedigen van illegaal bouwen. Deze verhoging is geen boete, maar beleid ter ontmoediging. Er worden hierbij extra kosten gemaakt, bijvoorbeeld inmeten en het beoordelen van de vraag of een legalisatie mogelijk is. Dit zijn werkzaamheden die plaatsvinden voordat de vergunningaanvraag voor legalisatie wordt ingediend. De 30% tariefverhoging bij legalisatie is een toegestane tariefdifferentiatie en staat los van de in het kader van een regulier verzoek te maken kosten, aldus verweerder.

26. De rechtbank is van oordeel dat de gewraakte tariefverhoging valt binnen de op de gemeente rustende handhavingstaak en niet is terug te voeren op aan eiser verleende diensten. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de verhoging van 30% ziet op extra kosten die met dergelijke dienstverlening samenhangen. Het accent bij de invoering van de 30% tariefverhoging ligt op het ontmoedigen van illegaal bouwen, zo maakt de rechtbank op uit het in onderdeel 5 weergegeven schrijven van Burgemeester en Wethouders en de door verweerder ter zitting gegeven toelichting op de tariefverhoging. Legesheffing is hiervoor niet bedoeld. De door verweerder genoemde werkzaamheden zien bovendien voor een deel op extra kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan het indienen van een aanvraag en betreffen werkzaamheden ter voorbereiding van een handhavingsbesluit. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de tariefverhoging ziet op kosten die verband houden met aan de burger individueel verleende diensten. De verhoging van 30% is daarom ten onrechte in de aanslag in rekening gebracht (vgl. de uitspraak van gerechtshof Den Bosch van 7 augustus 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1770).

27. Voor zover eiser betoogt dat hij in de bezwaarfase niet is gehoord, oordeelt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 231, tweede lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 25, eerste lid, Awr wordt een belanghebbende in afwijking van artikel 7:2 Awb, gehoord op zijn verzoek. Gesteld noch gebleken is dat eiser op enig moment aan verweerder een dergelijk verzoek heeft gedaan. Van schending van de hoorplicht is derhalve geen sprake.

28. In dit geding staat de vraag centraal of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het verzoek van eiser om kwijtschelding van de verschuldigde leges valt hier buiten nu dit geen betrekking heeft op de belastingheffing, maar op de invordering van de aanslag. Zo’n verzoek is niet aan het oordeel van de belastingrechter, maar van de civiele rechter onderworpen.

29. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. De aanslag leges moet met € 40,78 worden verminderd tot een bedrag van € 430,40 (€ 215,20 + € 215,20).”

4.2.

Belanghebbende heeft primair het standpunt ingenomen dat de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, vanwege het geringe belang van de zaak en vanwege de omstandigheid dat het hoger beroep zijdens de heffingsambtenaar door een medewerker van de VNG is ingesteld. Het Hof verwerpt dit standpunt. Ten eerste omdat de omvang van het financieel belang geen grond is voor niet-ontvankelijkverklaring van de heffingsambtenaar. Ten tweede omdat drs. J Slomp van de VNG door de heffingsambtenaar toereikend is gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen. Deze machtiging behoort tot de stukken van het geding.

Vertrouwensbeginsel
4.3.1. Het Hof zal in de eerste plaats beoordelen het standpunt van belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de heffing van leges ter zake van het in behandeling nemen van de (legaliserende) aanvraag omgevingsvergunning voor de berging aan de [adres] (hierna: de berging).

Standpunt belanghebbende
4.3.2. Belanghebbende heeft gesteld dat de berging in 1991 is gebouwd toen het perceel eigendom was van de gemeente. Volgens belanghebbende, bij monde van zijn zoon, heeft destijds over de bouw van de berging overleg plaatsgevonden met een medewerker van de gemeente, te weten de heer [ambtenaar Y] . Dit hield verband met een verhuizing van (onder anderen) belanghebbende vanuit een door de gemeente onbewoonbaar verklaard pand naar de locatie [adres] , waar belanghebbende nog steeds woont.
De contactpersoon moest ervoor zorgen dat alle in verband met de verhuizing te regelen zaken in goede banen werden geleid.

4.3.3.

Volgens belanghebbende heeft hij in 1991 gevraagd of het was toegestaan om op het van de gemeente gehuurde terrein de berging te bouwen. De heer [ambtenaar Y] , een medewerker van de gemeente, heeft toen volgens belanghebbende verklaard dat dat geen probleem was. Namens belanghebbende is hierover ter zitting nader verklaard, als weergegeven onder 2.6.

4.3.4.

Voorts stelt belanghebbende dat hij in overleg met de gemeente, voorafgaand aan de aanvraag voor de legaliserende omgevingsvergunning, uitdrukkelijk heeft aangegeven alleen akkoord te gaan met de van hem verlangde aanvraagprocedure als geen leges zouden worden geheven. Volgens belanghebbende heeft de vertegenwoordiger van de gemeente daarop verklaard dat dat wel goed zou komen. Hierop heeft de handgeschreven opmerking in het verslag van de desbetreffende bespreking betrekking, aldus nog steeds belanghebbende.

Standpunt heffingsambtenaar
4.4. De heffingsambtenaar heeft de stelling dat hij in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel betwist. Op het gespreksverslag (als vermeld onder 2.4) is volgens de heffingsambtenaar niet gereageerd en in dat gesprek is volgens hem niet verklaard dat geen leges zouden worden geheven. De heffingsambtenaar heeft hierover ter zitting nader verklaard, als weergegeven onder 2.7.

Oordeel Hof
4.5.1. Vast staat dat de berging in 1991 is gebouwd op een destijds door de gemeente Heemskerk aan belanghebbende verhuurd perceel. Dit perceel is in het jaar 2000 door de gemeente aan belanghebbende verkocht.

4.5.2.

Het Hof acht geloofwaardig hetgeen namens belanghebbende ter zitting van het Hof over de huur van het perceel en de bouw van de berging is verklaard. De verklaring van de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof, voor zover deze inhoudt dat de heer [ambtenaar Y] werkzaam was bij de gemeente, dat hij het contact met de woonwagenbewoners – waartoe (destijds), naar het Hof begrijpt, ook belanghebbende behoorde – verzorgde en dat hij voor die bewoners het aanspreekpunt was van de gemeente, bevestigt de verklaring van belanghebbende. Gelet op deze verklaringen acht het Hof het aannemelijk dat de bouw van de berging op het perceel van de gemeente in 1991 met [ambtenaar Y] is besproken, dat [ambtenaar Y] toestemming heeft gegeven voor de bouw van de berging en dat de aanwezigheid van die berging op het perceel bij de gemeente bekend was.

4.5.3.

Het Hof acht aannemelijk dat de gemeente belanghebbende eerst vele jaren later ermee heeft geconfronteerd dat voor de berging nog een (legaliserende) omgevingsvergunning diende te worden aangevraagd, te weten, na de invoering van een verhoogd tarief voor een legaliserende omgevingsvergunning.

4.5.4.

Op grond van de onder 4.5.1 tot en met 4.5.3 vermelde feiten en omstandigheden acht het Hof het aannemelijk dat de gemeente erin heeft bewilligd dat de berging vrij van vergunning kon blijven, althans dat bij belanghebbende een zodanig vertrouwen is gewekt. Voor zover het niet de bedoeling van de gemeente is geweest dat voor de berging geen bouwvergunning zou worden aangevraagd – nog daargelaten dat dit in de periode waarin de gemeente eigenaar was van het perceel op haar weg moet hebben gelegen –, acht het Hof het aannemelijk dat bij belanghebbende de gerechtvaardigde indruk is ontstaan dat de berging vrij van vergunning was. Gelet ook op hetgeen de heffingsambtenaar over de functie van [ambtenaar Y] heeft verklaard, acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende destijds in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de bevoegdheid van [ambtenaar Y] ter zake van hetgeen hij over de berging tegenover belanghebbende heeft verklaard.

4.5.5.

Het hiervoor overwogene houdt in dat bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de bouw van de berging vergunningsvrij was. Op deze grond dient de heffing van leges ter zake van het in behandeling nemen van de door de gemeente in 2016 alsnog verplicht gestelde (legaliserende) aanvraag omgevingsvergunning achterwege te blijven.

Slotsom
4.6. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat ten onrechte van belanghebbende leges zijn geheven. Reeds op deze grond dient het hoger beroep van belanghebbende gegrond te worden verklaard en treft het hoger beroep van de heffingsambtenaar geen doel. Aan een beoordeling van de overige geschilpunten komt het Hof niet toe.

5
5. Kosten

5.1.

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de proceskosten die belanghebbende voor de behandeling van zijn hoger beroep – en zijn verweer tegen het hoger beroep van de heffingsambtenaar – redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, in verbinding met artikel 7:15, derde lid, van de Awb is het Hof van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de door belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten, nu niet is gesteld en het Hof evenmin is gebleken dat belanghebbende om een dergelijke kostenvergoeding heeft verzocht voordat de heffingsambtenaar op het bezwaar van belanghebbende heeft beslist. Voor de beroepsfase heeft de rechtbank reeds een proceskostenvergoeding toegekend

5.2.

Naar het oordeel van het Hof zijn er geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) die aanleiding zouden kunnen geven van de forfaitaire vergoeding overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van het Besluit af te wijken. Het door de gemachtigde ter zitting aangevoerde argument – dat een naar zijn mening relatief eenvoudige zaak door de gemachtigde van de heffingsambtenaar is uitvergroot tot een gecompliceerde zaak – kan in het onderhavige geval niet worden aangemerkt als een dergelijke bijzondere omstandigheid.

5.3.

Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief vast op: 3,5 punt (proceshandelingen: indienen hoger beroepschrift, verweerschrift in hoger beroep, conclusie van dupliek, verschijnen ter zitting) x € 512 x 1 (wegingsfactor) = € 1.792.

6
6. Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen inzake het griffierecht en de proceskosten;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de aanslag;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar tot het aan belanghebbende vergoeden van een bedrag aan proceskosten van € 1.792;

  • -

    gelast de heffingsambtenaar het door belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 aan belanghebbende te vergoeden; en

  • -

    bepaalt dat van de heffingsambtenaar een griffierecht wordt geheven van € 501.


De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier. De beslissing is op 8 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.