Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4093

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
200.261.026/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering om de wederpartij in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren afgewezen. Financieel belang hoog genoeg om in het hoger beroep te kunnen worden ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.261.026/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6915228 CV EXPL 18-10814

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 november 2019

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. M.C. Coops te Amsterdam,

tegen

RODI MEDIA MIDDEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Almere,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. K.O. Valentien te Almere.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Rodi Media genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 3 juni 2019 in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (verder: de kantonrechter) onder bovengenoemd zaaknummer gewezen vonnis van 15 maart 2019 tussen [appellante] als eiseres en Rodi Media als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven.

Rodi Media heeft een incidentele memorie, houdende niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, tevens memorie van antwoord ingediend. Rodi Media heeft incidenteel gevorderd dat het hof [appellante] in het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren omdat de wettelijke appelgrens ex artikel 332 Rv niet is gehaald.

[appellante] heeft een antwoordakte genomen en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering van Rodi Media zal afwijzen, met veroordeling van Rodi Media in de kosten van het incident, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

[appellante] heeft verzocht om pleidooi in het incident, tegen inwilliging waarvan Rodi Media zich heeft verzet.

Bij rolbeslissing van 3 september 2019 is beslist dat het verzoek om pleidooi wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde, aangezien een pleidooi in het incident door het volle zittingsrooster zal leiden tot onredelijke vertraging.

De zaak is naar de rol verwezen voor arrest in het incident.

2 Beoordeling

in het incident

2.1

Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. [appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter Rodi Media gebiedt om met onmiddellijke ingang ieder gebruik van een door [appellante] van een uitvoering van een musical gemaakte foto te staken en gestaakt te houden, op verbeurte van een dwangsom, en Rodi Media voorts veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 841,25 aan schadevergoeding wegens inbreuk op haar auteursrecht, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 juli 2017, alsmede tot vergoeding van de reële buitengerechtelijke kosten en proceskosten (op de voet van artikel 1019h Rv) ten bedrage van € 12.920,51, met nakosten.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft de kantonrechter Rodi Media veroordeeld om aan [appellante] € 426,- te betalen aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2017. Daarnaast is Rodi Media veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 226,- aan griffierecht en € 98,01 aan explootkosten en zijn de proceskosten voor het overige gecompenseerd. Rodi Media is tevens veroordeeld tot voldoening van de nakosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

2.2

Ter toelichting van haar standpunt dat [appellante] niet in het hoger beroep kan worden ontvangen, heeft Rodi Media aangevoerd dat de vordering van [appellante] een bedrag van € 855,45 beliep, bestaande uit € 841,25 aan hoofdsom en € 14,20 aan rente, hetgeen lager is dan het in artikel 332 lid 1 Rv genoemde bedrag van € 1.750,-. Volgens Rodi Media volgt uit de door [appellante] op 11 januari 2019 aan de kantonrechter toegezonden urenstaat (verder: de urenstaat) dat de daarop vermelde werkzaamheden volledig zien op kosten ter instructie van de zaak en het voorbereiden van gedingstukken, welke kosten, nu deze worden aangemerkt als proceskosten, buiten beschouwing dienen te worden gelaten voor de bepaling van de hoogte van de wettelijke appelgrens.

2.3

[appellante] heeft zich daartegen verweerd met de stelling, zakelijk weergegeven, dat onder het financiële belang van de zaak ook de kosten ter voldoening buiten rechte ex artikel 1019h Rv vallen. Onder verwijzing naar de urenstaat bedragen deze in de periode van 16 juli (het hof begrijpt: oktober) 2017 tot en met 12 februari 2018 € 1.553,10 (6:40 uur maal uurtarief € 220,- plus € 87,90 aan 6% kantoorkosten). Daarna gingen de kosten in de zin van artikel 237 Rv lopen. De vordering waarover de kantonrechter in eerste aanleg heeft moeten beslissen bedraagt aldus meer dan € 1.750,-, namelijk € 2.422,84 (hoofdsom € 841,25, rente € 28,49 en buitengerechtelijke kosten € 1.553,10).

2.4

Het hof oordeelt hierover als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 332 Rv kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. De tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente wordt blijkens dit artikel bij de vordering inbegrepen. Het uitgangspunt is dat bij de bepaling van de appellabiliteit de proceskosten in de zin van de artikel 237 e.v. Rv buiten beschouwing blijven (HR 24 februari 1938, NJ 1938/952). De proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 1019h Rv omvat niet alleen de kosten ter instructie van de zaak en ter voorbereiding van de gedingstukken, maar ook kosten die (vóór de implementatie van Richtlijn 2004/48/EG van 29 april 2004) krachtens artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen.

2.5

Aan de hand van de in eerste aanleg overgelegde urenstaat stelt het hof vast dat de gevorderde proceskostenvergoeding niet enkel ziet op werkzaamheden ter voorbereiding en instructie van de zaak als bedoeld in artikel 237 Rv. Daarom dienen in dit geval de kosten ter voldoening buiten rechte, die volgens [appellante] € 1.553,10 bedragen, bij de berekening van het beloop van de vordering ter bepaling van de appellabiliteit te worden betrokken. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de kantonrechter had te beslissen over een vordering van meer dan € 1.750,-.

2.6

Gezien het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat het financieel belang van het hoger beroep hoog genoeg is, zodat [appellante] in haar hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor beraad partijen. De beslissing over de proceskostenveroordeling in het incident zal worden aangehouden tot aan het eindarrest in de hoofdzaak.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 26 november 2019 voor beraad partijen.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.C.W. Rang en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 november 2019.