Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4048

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
23-000093-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 na eerdere vrijspraak. Bewijsoverweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000093-17

datum uitspraak: 28 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 96-206655-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 oktober 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – waarbij de verdachte is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte niet bewust zijn medewerking aan het ademonderzoek heeft geweigerd. De verdachte zou niet in staat zijn geweest om op de juiste wijze te blazen omdat hij zich geïntimideerd voelde. Om die reden zou de verdachte om een bloedtest voor eigen rekening hebben verzocht.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat uit het verhandelde ter terechtzitting en ook overigens op basis van het dossier niet aannemelijk is geworden dat om bijzondere geneeskundige redenen het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek als bedoeld in art. 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 voor de verdachte onwenselijk was.

Na zijn staande houding heeft de verdachte succesvol meegewerkt aan een voorlopige ademtest, hetgeen als resultaat een “A” indicatie opleverde. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 8 februari 2017 blijkt dat hij de verdachte op het politiebureau de procedure van de ademanalyse heeft uitgelegd en dat de verdachte te kennen heeft gegeven dat hij de procedure begreep. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte daarbij, alvorens de blaastest te starten, gesommeerd om volledig in te ademen en vervolgens gelijkmatig en stevig uit te ademen in de daarvoor bestemde blaaspijp. Hij hoorde vervolgens dat de verdachte wel blaasgeluiden maakte, maar zag dat de verdachte geen adem uitblies. Hij kon dit zien aan het ontbreken van asterisk tekens op het display van het ademanalyseapparaat. De verbalisant heeft opnieuw uitgelegd hoe de verdachte moest blazen en heeft dit ook gedemonstreerd. Na twee pogingen kreeg verbalisant [verbalisant 1] sterk de indruk dat de verdachte met opzet probeerde om verkeerd te blazen opdat de ademanalyse geen resultaat zou opleveren. Die indruk kreeg hij omdat de verdachte lichamelijk in goede staat leek en hij eerder bij de voorlopige ademanalyse na zijn staande houding geen moeite had om voldoende lucht in het apparaat te blazen. Ook heeft de verdachte geen reden opgegeven waarom hij niet in staat zou zijn om voldoende lucht te kunnen blazen. De verbalisant heeft de verdachte vervolgens gewezen op de consequenties van het opzettelijk beïnvloeden van het resultaat door verkeerd te blazen en heeft de verdachte voor de derde keer laten blazen. Opnieuw mislukte de poging en hoorde hij de verdachte wel blaasgeluiden maken, maar klonk het niet alsof hij daadwerkelijk lucht in de blaastuit blies. De verbalisant heeft verklaard dat hij vaker ademanalyses heeft afgenomen en het verschil kan herkennen tussen iemand die moeite heeft om te blazen en iemand die probeert om de ademanalyse te saboteren.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren gebracht dat hij te geïntimideerd was om te kunnen blazen, omdat er op een gegeven moment wel zes boze en geagiteerde politieagenten in de kleine ruimte, waar het ademanalyseapparaat zich bevond, aanwezig waren. Het hof acht deze verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden, zeker nu de verdachte bij zijn tweede verhoor, enkele dagen later afgelegd in bijzijn van zijn raadsvrouw, slechts over één verbalisant heeft verklaard die de ademanalyse afnam. Bovendien vindt deze lezing geen steun in het hierboven aangehaalde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1].

Het hof concludeert op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van het proces-verbaal van bevindingen dat de verdachte opzettelijk geen medewerking aan het ademonderzoek heeft verleend.

Nu de verdachte naar het oordeel van het hof opzettelijk heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, was er geen aanleiding voor de verbalisanten om over te gaan tot een bloedonderzoek. Slechts in het geval sprake is van bijzondere redenen van geneeskundige aard dan wel in het geval dat de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan worden overgegaan tot een bloedonderzoek. Zoals hiervoor overwogen was van beide uitzonderingssituaties geen sprake.

De raadsvrouw heeft tot slot een voorwaardelijk verzoek gedaan, inhoudende dat zij, indien het hof de beslissing van de politierechter tot vrijspraak niet in stand zou laten, verzoekt de zaak naar de raadsheer-commissaris te verwijzen om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen. Het hof wijst het verzoek van de raadsvrouw tot het horen van voornoemde verbalisanten af, nu dit verzoek niet is onderbouwd en het hof daartoe ook geen noodzaak ziet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 oktober 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 900 euro, subsidiair 18 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 270 dagen, met aftrek, waarvan 231 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek en op die manier verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, hij alcoholhoudende drank had genuttigd. Door aldus te handelen heeft de verdachte duidelijk gemaakt zijn eigen belangen te stellen boven het belang van de verkeersveiligheid, welk belang immers wordt gediend met het houden van en meewerken aan het eerder genoemde ademonderzoek. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 oktober 2019 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Bij de strafoplegging heeft het hof aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Het hof is van oordeel dat de behandeling van deze zaak, gelet op de forse overschrijding van de inzendtermijn van de stukken ten behoeve van het hoger beroep, niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en dat de overschrijding van de inzendtermijn onvoldoende is gecompenseerd met een bijzonder voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep. Gelet op de mate van overschrijding zal het hof – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – in plaats van een geheel onvoorwaardelijke geldboete van € 1.000 een geldboete van € 900 opleggen en de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor het grootste deel in voorwaardelijke vorm opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden hoogte dan wel duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 900,00 (negenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 (achttien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 231 (tweehonderdeenendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van

mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

28 oktober 2019.

Mr. Van Amsterdam is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]