Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:4028

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
23-003647-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging vonnis: Wederspannigheid. Raadsman bepleit vrijspraak, omdat ten laste gelegde handelingen niet gepleegd zouden zijn en de aanhouding onrechtmatig zou zijn. Verweer wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003647-17

datum uitspraak: 9 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld

het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 oktober 2017

in de strafzaak onder parketnummer 15-034732-17 tegen

[verdachte] ,

voorheen genaamd: [verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1994,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 september 2019.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door

de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 3 januari 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, toen de aldaar dienstdoende ambtena(a)r(en) [verbalisant 1] (brigadier van politie) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, tijdens diens aanhouding, zich met geweld heeft verzet, door opzettelijk rukkende, trekkende en/of duwende bewegingen te maken met zijn lichaam en/of zijn arm(en) in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden/brengen en/of te trappen in de richting van die voornoemde abtena(a)r(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van twee bewijsverweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van

het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte

geen wederspannigheid heeft gepleegd. Ten eerste heeft de verdachte geen van de handelingen gepleegd die op de tenlastelegging staan, te weten rukken, trekken, duwen en schoppen.

Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd dat de aanhouding van de verdachte niet rechtmatig was, omdat er geen reden was de verdachte aan te houden. Er was geen sprake van een kort daarvoor door de verdachte gepleegde fysieke belemmering van een aanhouding van een andere verdachte zodat

de verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun functie waren.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

Uit het door verbalisant [verbalisant 2] op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen

van 19 januari 2017 met nummer PL1100-2017002017-4 en het door verbalisant [verbalisant 1]

op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 15 februari 2017 met nummer

PL1100-2017002017-37, leidt het hof het volgende af.

Verbalisant [verbalisant 1] relateert dat de verdachte zich aan zijn aanhouding trachtte te onttrekken door zich te bewegen in tegengestelde richting waarbij de verdachte verbalisant [verbalisant 1] probeerde te trappen. Verbalisant [verbalisant 2] relateert dat de verdachte zich bij zijn aanhouding door verbalisant [verbalisant 1] losrukte en later trappende bewegingen maakte richting verbalisant [verbalisant 1]. Het hof gaat uit van de juistheid

van de inhoud van deze processen-verbaal die op ambtseed/belofte zijn opgemaakt, aangezien er in het geheel geen concreet aanknopingspunt is van het tegendeel uit te gaan. De op onderdelen afwijkende lezing van de verdachte omtrent de gang van zaken kan niet als zodanig worden aangemerkt.

Het verweer van de raadsman dat het door de verbalisanten beschreven geweld niet heeft plaatsgevonden omdat het niet te zien is op de beelden die met een telefoon door een van de betrokkenen zijn gemaakt, wordt verworpen. Het hof overweegt hieromtrent dat de aanhouding van de verdachte niet in zijn geheel is gefilmd, wat de mogelijkheid openlaat dat de verdachte het geweld - zoals geverbaliseerd - heeft toegepast op een moment dat de verdachte niet gefilmd is.

Het hof is voorts van oordeel dat [verbalisant 1] handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

dit gelet op hetgeen hieromtrent in de hierboven genoemde processen-verbaal is opgenomen.

Ten overvloede merkt het hof op dat een en ander ook op de beelden die zich in het dossier bevinden

is te zien. Immers, de verdachte loopt tijdens de aanhouding van [medeverdachte] naar de agenten

toe en probeert tussenbeide te komen. Dit vormt wel degelijk een belemmering van de aanhouding van

de medeverdachte. Dat de verdachte vervolgens niet onmiddellijk is aangehouden, maakt dit niet anders, aangezien op de beelden ook te zien is dat de ter plekke aanwezige verbalisanten eerst hun volle aandacht op de zich hevig verzettende medeverdachte moeten richten.

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde wederspannigheid heeft gepleegd. Hetgeen de raadsman in hoger beroep overigens nog heeft aangevoerd maakt dat niet anders.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 januari 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, toen de aldaar dienstdoende ambtenaar [verbalisant 1] (brigadier van politie) werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, tijdens diens aanhouding, zich met geweld heeft verzet, door opzettelijk rukkende bewegingen te maken met zijn lichaam in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde ambtenaar verdachte trachtte te geleiden en te trappen in de richting van voornoemde ambtenaar.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Badhoevedorp heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 350 euro, te vervangen door zeven dagen hechtenis en heeft de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als

door de politierechter in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft

daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van

26 augustus 2019 waaruit blijkt dat de verdachte eerder - zij het lang geleden - onherroepelijk is veroordeeld.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verzet tijdens zijn aanhouding. Dit gedrag heeft niet alleen de politieagent belemmerd in de uitoefening van zijn werkzaamheden, maar getuigt bovendien van een onaanvaardbaar gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Gelet op de ernst van dit feit is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete. Het hof acht het aangewezen naast die geldboete een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dit dient als stok achter de deur, zodat de verdachte zich in de toekomst respectvoller zal houden aan door de politie geven aanwijzingen.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 180 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 28 februari 2017 onder CJIB-nummer

1132 5420 0287 0955.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00 (driehonderdenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. P. Greve en mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt, in tegenwoordigheid

van R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

9 oktober 2019.

mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]