Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3975

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
19-12-2019
Zaaknummer
200.241.457/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de appellant is gevraagd een aantal werkzaamheden te verrichten voor de UvA. Deze werkzaamheden zagen op het oplossen van de problematiek waarin de UvA terecht was gekomen naar aanleiding van de zogenoemde Maagdenhuisprotesten in 2015. Anders dan de eerste rechter oordeelde, is tussen de appellant en de UvA een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Alsnog gedeeltelijke toewijzing van de loonvordering, over een kortere periode dan gevorderd en niet op basis van het achteraf in rekening gebrachte uurtarief, maar op basis van een gebruikelijk uurtarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.241.457/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5388299/CV EXPL 16-28094

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 november 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.M. Stevers te Leiden,

tegen

UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.P.J. ter Haseborg te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de UvA genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 22 december 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 22 september 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en de UvA als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 25 september 2019 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

[appellant] heeft nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd - na wijziging eis bij memorie van grieven gevolgd door een eisvermindering bij pleidooi - dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de UvA zal veroordelen tot (i) betaling van de hoofdsom van € 14.680,93 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 en (ii) de buitengerechtelijke incassokosten groot € 921,81, met veroordeling van de UvA in de kosten van het geding in beide instanties met rente.

De UvA heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.

De UvA heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende betwist gaat het hof uit van de volgende feiten.

( i) Naar aanleiding van de zogenoemde Maagdenhuisprotesten in het voorjaar van 2015 besloot de UvA tot oprichting van twee hervormingscommissies, de commissie Financiën en Huisvestiging en de Commissie Democratisering en Decentralisatie (hierna ook: commissie D&D). Om die commissies tot stand te brengen werd een zogenoemde precommissie ingesteld (hierna: precom). De precom beschikte over een sollicitatiecommissie (hierna: solcom).

(ii) [appellant] heeft op uitnodiging van de UvA gesolliciteerd naar een functie binnen de commissie D&D.

(iii) De UvA heeft [appellant] per e-mail van 5 september 2015 onder andere het volgende geschreven:

“(…) Met [naam], [naam] en [naam] behoort u tot de vier mensen wier voordracht door alle leden van de commissie wordt ondersteund. Graag wil ik u vragen of wij u nog steeds als lid van deze commissie mogen voordragen voor goedkeuring aan de precommissie die de uiteindelijke benoeming zal bevestigen. (…)”

(iv) Op 21 september 2015 heeft [x] van de solcom aan onder meer [appellant] het volgende geschreven: “We staan dus weer voor een vertraging. Ik zou graag jullie mening willen horen over de weg verder. Misschien kunnen jullie onderling ook nog overleggen?”

( v) Op 28 september 2015 heeft de Uva de volgende e-mail aan [appellant] gestuurd, voor zover hier van belang:

“ (…) Vanmiddag heeft de pre-commissie van de commissie Decentralisering en Democratisering de werkzaamheden van de sollicitatiecommissie goedgekeurd en gevraagd om haar werkzaamheden voort te zetten. Er is afgesproken dat de vier leden van de commissie waarover consensus bestaat op korte termijn bijeenkomen om met elkaar kennis te maken en een werkplan op te stellen.

(…)

Er is ten slotte afgesproken dat de commissie op 16 oktober haar werkplan aan de pre-commissie presenteert en na goedkeuring haar werkzaamheden kan aanvangen. (…)”.

(vi) De onder (v) bedoelde bijeenkomst heeft op 2 oktober 2015 plaatsgevonden. [appellant] heeft daarbij een door hem opgesteld werkplan gepresenteerd. Voorafgaand aan de bijeenkomst heeft [appellant] op 1 oktober 2015 aan de deelnemers een aantal bestanden als bespreekstukken gestuurd.

(vii) Bij brief van 19 oktober 2015 heeft de UvA het vertrouwen in [appellant] opgezegd.

(viii) Op 20 oktober 2015 heeft [appellant] aan de UvA onder meer het volgende geschreven: “De commissie is in nu voorliggende samenstelling te licht, mist bepaalde soorten ‘kwaliteiten’, en is de facto (…) zuiver intern en niet onafhankelijk. (…) Ik ben en blijf beschikbaar voor een breed geloofwaardige deskundige en onafhankelijke gemengde (of externe) commissie (…). Ik heb mij echter niet beschikbaar willen stellen voor een onvoldoende sterke, feitelijk zuiver interne en eenzijdig samengestelde commissie (…).

(ix) Bij brief van 19 november 2015 heeft [appellant] aan de UvA een factuur (hierna: de factuur) gestuurd voor het bedrag van € 14.680,93. De factuur (hierna: de factuur) is onbetaald gebleven.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [appellant] in essentie - en gelet op de eisvermindering bij pleidooi in hoger beroep - dezelfde vorderingen ingesteld als in hoger beroep. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

De grieven houden in de kern in dat de kantonrechter heeft miskend dat de rechtsverhouding tussen [appellant] en de UvA een overeenkomst van opdracht is. De grieven slagen gedeeltelijk. Daartoe is het volgende redengevend.

3.2

De UvA maakte in 2015 een hectische periode door, onder meer tot uiting komend in een bezetting van het Bungehuis en het Maagdenhuis. Zowel studenten als medewerkers keerden zich tegen het bestuur, en met name de wijze waarop de interne organisatie was vormgegeven en de transparantie van de besluitvorming. Het bestuur was van oordeel dat de aanpak van de kern van het probleem diende te bestaan uit het versterken van medezeggenschap, democratisering en decentralisering. Het koos voor het instellen van een commissie (de zogenoemde commissie D&D) die het vertrouwen van de gehele academische gemeenschap genoot en die voorstellen kon doen voor de modernisering van de besturing van de UvA. Vanwege zijn specifieke deskundigheid en reputatie op dit terrein is [appellant] - die bedrijfsmatig werkzaam is als onafhankelijk onderwijsadviseur - door een lid van de sollicitatiecommissie gevraagd om te solliciteren naar een functie binnen de commissie D&D en is hem nadien te kennen gegeven dat zijn voordracht door alle leden van de sollicitatiecommissie werd ondersteund. De verdere totstandkoming van de commissie D&D kende echter veel haken en ogen. In dat verband is [appellant] zijdens de UvA ook gevraagd om mee te denken over de weg verder daarin. [appellant] heeft in dat verband diverse initiatieven ontplooid en zich ingezet om die commissie van de grond te brengen. Hij heeft diverse overleggen bijgewoond en gevoerd (zowel bilateraal als mulitlateraal), daarvoor soms bespreekstukken gemaakt, e-mail correspondentie en telefoongesprekken gevoerd met beoogde commissieleden en medewerkers van de UvA tot en met [y], bestuurslid van de UvA, aan toe, daarbij zijn inbreng gevend over taken, inhoud en samenstelling van de commissie en de route om daar te komen.

3.3

Een schriftelijke overeenkomst of een duidelijke vastlegging van afspraken tussen partijen omtrent de werkzaamheden van [appellant] in bijvoorbeeld een e-mailwisseling ontbreekt. De vraag of ingevolge art. 6:217 BW een overeenkomst tot stand is gekomen door aanbod van de UvA en de aanvaarding daarvan door [appellant] hangt in dit geval dan af van hetgeen partijen hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid. Aanbod en aanvaarding hoeven immers niet uitdrukkelijk plaats te vinden, zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in één of meer gedragingen of het nalaten daarvan.

3.4

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen geldt dat [appellant] redelijkerwijs uit de gedragingen en de verzoeken van de zijde van de UvA heeft kunnen begrijpen dat hem werd gevraagd werkzaamheden te verrichten die zagen op het oplossen van de problematiek waarin de UvA terecht was gekomen, in beginsel door zijn lidmaatschap aan de commissie D&D, maar niet uitsluitend. Immers ook uit het verzoek om mee te denken over een oplossing om uit de impasse te komen in het totstandkomingsproces van de commissie D&D en uit de email van 28 september 2019, waarin duidelijke aanwijzingen gegeven werden voor de bespreking op 2 oktober 2019 en het tijdpad om een werkplan tot stand te brengen, kon [appellant] dat afleiden. Hetgeen [appellant] in dat verband heeft verricht valt niet, zoals de UvA meent onder ongevraagde inspanningen met het oog op een mogelijke benoeming in de commissie D&D, maar betreft naar het oordeel van het hof juist werkzaamheden vanuit zijn specifieke deskundigheid als onafhankelijk onderwijsadviseur, gericht op het vlottrekken van bestuurlijke wanorde. Het gaat niet aan [appellant] te verwijten daarbij voortvarend, proactief en op eigen initiatief te hebben gehandeld, omdat van een onderwijsadviseur die in de geschetste omstandigheden is aangezocht mag worden verwacht zo te werk te gaan en [appellant] dat ook zo heeft mogen begrijpen. De UvA heeft er redelijkerwijs niet vanuit mogen gaan dat [appellant], waarvan zij wist dat deze een commercieel bureau runde met de deskundigheid die zij juist wilde gebruiken en gebruikt heeft, al deze werkzaamheden om niet zou verrichten en, zoals zij stelt, tevreden zou moeten zijn met de “eer” om dit te doen. Dat laat zich moeilijk rijmen met het feit dat [appellant] bedrijfsmatig, om den brode, als onderwijsadviseur werkzaam was, waarmee de UvA als gezegd bekend was. Het had daarom op de weg van de UvA gelegen [appellant] duidelijkheid daaromtrent te geven en kenbaar te maken dat hij pas betaald zou worden als zijn benoeming in de commissie D&D definitief was, als dit de UvA voor ogen stond. Dat heeft de UvA niet gedaan en dit moet voor haar rekening komen. Dat er nog geen afspraken waren gemaakt en geen volledige duidelijkheid bestond over de exacte beloning van [appellant], doet aan de vaststelling dat een overeenkomst tot stand is gekomen niet af en brengt niet mee, ook niet gezien hetgeen de UvA in dit verband verder heeft aangevoerd, dat [appellant] er zelf ook van uit ging dat hij voor zijn werkzaamheden niet beloond zou worden. Anders dan [appellant] is het hof echter van oordeel dat [appellant] er na 20 oktober 2015 niet meer op kon vertrouwen dat deze overeenkomst nog langer gold. Op deze datum hadden de overige leden van de beoogde commissie D&D (inmiddels verenigd in de zogenoemde rompcommissie) het vertrouwen in hem opgezegd, hetgeen [appellant] te kennen was gegeven door de voorzitter van de precommissie, en had [appellant] de UvA zelf laten weten zich niet beschikbaar te stellen voor de commissie D&D in haar toenmalige vorm.

3.5

Het betoog van de UvA dat [appellant] zijn beweerdelijke vertrouwen heeft gebaseerd op uitlatingen en gedragingen van personen die daartoe niet bevoegd waren wordt van de hand gewezen. Uitgangspunt bij de beoordeling daarvan is immers dat voor toerekening van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan de vertegenwoordigde ook plaats kan zijn ingeval [appellant] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op vertegenwoordigingsbevoegdheid van de desbetreffende personen op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de UvA komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Uit de hiervoor geschetste gang van zaken kon [appellant] afleiden dat dit zo was. Hij is er in zijn gesprekken en ontmoetingen met [y], bestuurslid en als zodanig bevoegd de UvA te vertegenwoordigen, evenmin op gewezen dat dit anders was en dat hij zijn werkzaamheden zou dienen te staken. Dit komt voor rekening van de UvA.

3.6

De algemene voorwaarden van de UvA zijn niet van toepassing omdat niet voldoende is onderbouwd dat de UvA op enigerlei wijze aan [appellant] duidelijk heeft gemaakt dat deze in de rechtsverhouding tussen hen van toepassing zouden zijn.

3.7

Uit het voorgaande volgt aldus dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen die inhield dat [appellant] gedurende een aantal uren werkzaamheden voor de UvA zou verrichten. [appellant] erkent dat daarbij geen tariefafspraken zijn gemaakt. Dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat hij tegen het achteraf in rekening gebrachte uurtarief mocht declareren is door hem echter onvoldoende onderbouwd. In dat geval geldt dat het gebruikelijk loon dient te worden vastgesteld. Het hof knoopt daarvoor aan bij de - op zichzelf niet betwiste - stellingen van [appellant] in zijn memorie van grieven onder randnummer 134 en hanteert daarvoor dan ook € 135,- exclusief btw.

3.8

De gedeclareerde uren in de periode tot en met 20 oktober 2015 bedragen 46. De UvA heeft, gegeven de uitvoerige onderbouwing van [appellant] op dit punt, waartoe onder meer dient de uitvoerige e-mailwisseling tussen partijen, onvoldoende onderbouwd dat deze uren niet zijn gemaakt. Toewijsbaar aan hoofdsom is dan een bedrag van € 6.210,- exclusief

€ 1.304,- btw, zijnde € 7.514,- inclusief btw. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de gevorderde datum.

3.9

Dat [appellant] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt heeft hij niet onderbouwd. Die vordering is niet toewijsbaar en wordt afgewezen.

3.10

De grieven slagen gedeeltelijk. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Er is aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren nu beide partijen op onderdelen in het ongelijk worden gesteld.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de UvA om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 7.514,- inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 tot de dag van betaling;

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J. Dun, mr. W.H.F.M. Cortenraad en mr. A.S. Dogan en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.