Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3971

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
23-12-2019
Zaaknummer
200.234.101/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:3579
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stageovereenkomst. Uit feiten en omstandigheden volgt niet dat sprake is van arbeidsovereenkomst. Werkzaamheden, ook zelfstandig lesgeven, waren in overwegende mate in belang van opleiding tot docent. Geen tekortkomingen stagebiedende school. Bekrachtiging oordeel rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1364
JAR 2020/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.234.101/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5537346 CV EXPL 16-34020

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 november 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. S. Rötscheid te Almere,

tegen

ONDERWIJSSTICHTING ESPRIT/AMSTERDAM INTERNATIONAAL COMMUNITY SCHOOL (AICS),

tevens handelend onder de naam MUNDUS COLLEGE,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.F. Hilberdink te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Mundus genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 16 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Mundus als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord;

- antwoordakte van de zijde van [appellant] ;

- antwoordakte van de zijde van Mundus.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, Mundus zal veroordelen tot, primair, betaling van loon over de stageperiode ter hoogte van € 3.336,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, subsidiair betaling van een vergoeding uit hoofde van wanprestatie ter hoogte van € 3.121,20 bruto, een en ander met veroordeling van Mundus in de kosten van beide instanties.

Mundus heeft geconcludeerd bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te bekrachtigen, kosten rechtens.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.7, de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende ) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] heeft in het kader van zijn tweedegraadslerarenopleiding aan de onderwijsinstelling INHOLLAND in januari 2015 een praktijkleerovereenkomst - op de tweede bladzijde aangeduid als stageovereenkomst - gesloten met INHOLLAND en Mundus, op grond waarvan hij in de periode van 6 januari 2015 tot 7 juli 2015 twee dagen per week Engelse les heeft gegeven aan leerlingen van de ASS-afdeling van Mundus. De overeenkomst houdt onder meer in:

Artikel 1: Leerdoelen en taken tijdens de stage:

‘Het doel van deze stage is om de student ervaring te laten opdoen met de praktische toepassing van theoretische kennis die hij of zij reeds heeft verworven en het verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden voor de op het eerste blad genoemde opleiding. De stagebiedende [hof: Mundus] organisatie en de onderwijsinstelling [hof: INHOLLAND] zorgen ervoor dat de studentstagiair taken en verantwoordelijkheden krijgt opgedragen overeenkomstig het competentieniveau van de student en de onderwijsdoelstellingen voor de stageperiode. Deze overeenkomst is derhalve geen arbeidsovereenkomst. (…)’.

Artikel 2: begeleiding en evaluatie:

‘De onderwijsinstelling (…) zal een onderwijsbegeleider aanwijzen die verantwoordelijk is voor de stage en de stagebiedende organisatie zal een stagebegeleider benoemen (…) Heeft de studentstagiair een probleem, dan richt hij zich in de eerste plaats tot de stagebegeleider. Lost het probleem zich niet op, dan wendt de studentstagiair of de stagebegeleider zich tot de onderwijsbegeleider. (…)’.

Artikel 3: Stageafspraken

Het aantal voorziene credits (studiepunten op basis ECTS) voor de stage bedraagt: 5 per periode.

Artikel 5: Geschillen:

’(…) De studentstagiair zal de stagebegeleider van de stagebiedende organisatie als eerste benaderen ingeval van een geschil. Indien het geschil niet minnelijk kan worden opgelost tussen de stagebegeleider en de studentstagiair zal het worden voorgelegd aan de onderwijsbegeleider teneinde te trachten een voor alle partijen aanvaardbare oplossing te vinden.’

2.2

Er is geen onkostenvergoeding, reiskostenvergoeding en/of stagevergoeding tussen partijen overeengekomen.

2.3

[X] (hierna: [X] ) was aangesteld als de stagebegeleider van [appellant] . [appellant] heeft de stage met een onvoldoende afgesloten.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd (a) te verklaren voor recht dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en (b) Mundus te veroordelen hem het verschuldigde loon te betalen over de door hem in de periode van januari 2015 tot en met juni 2015 gewerkte uren overeenkomstig de CAO Voortgezet Onderwijs, te vermeerderen met wettelijke rente. Hij voerde hiertoe aan dat hij stelselmatig zelfstandig les heeft gegeven en voorts dat sprake is geweest van rechtsongelijkheid omdat een collega die, evenals hij, ook een stageovereenkomst had werd betaald voor dezelfde werkzaamheden.

3.2

De kantonrechter heeft overwogen dat er onvoldoende grond is om het bestaan van een arbeidsrelatie aan te nemen, en voorts dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De grieven van [appellant] richten zich tegen deze overwegingen en beslissingen.

3.3

[appellant] betoogt bij zijn grieven 1 tot en met 4 dat, ook al zijn partijen een praktijkleerovereenkomst zoals onder 2.1 aangehaald aangegaan, onder die benaming, tussen hen wel degelijk sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Hij heeft naar zijn zeggen slechts vijf van de 149 door hem gegeven lesuren begeleiding gehad zodat de nadruk niet heeft gelegen op het verwerven van competenties. Een studentstagiaire mag onder geen beding zelfstandig lesgeven, maar dient slechts ‘boven het rooster’ te worden ingezet. Nu hij wel was ingeroosterd en grotendeels zelfstandig heeft lesgegeven, is volgens [appellant] sprake geweest van een arbeidsovereenkomst, ongeacht de door partijen gebezigde benaming. Mundus stelt zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst.

3.4

Het hof overweegt dat bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor een arbeidsovereenkomst acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan in bepaalde situaties naast een stageovereenkomst tevens sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Bij de beoordeling of dat het geval is heeft als maatstaf te gelden dat de werkzaamheden van de stagiair naar de bedoeling van partijen niet zozeer zijn gericht op het uitbreiden van eigen kennis en ervaring van de stagiair, zulks mede met het oog op de voltooiing van zijn opleiding, dat van een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt voor de andere arbeid te verrichten kan worden gesproken. Daaruit volgt dat het erop aankomt of het verrichten van de werkzaamheden van de stagiair al dan niet in overwegende mate in het belang is van de opleiding die deze volgt (vgl. Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019).

3.5

Het hof houdt rekening met de volgende, door Mundus in eerste aanleg reeds aangevoerde, deels uit de overeenkomst voortvloeiende, en door [appellant] niet of onvoldoende betwiste omstandigheden:

-de stage was een verplicht onderdeel van de lerarenopleiding die [appellant] volgde;

- [appellant] verkreeg studiepunten voor het verrichten van de stage;

-het functioneren van [appellant] gedurende de stage werd (tevens) beoordeeld door INHOLLAND;

-het doel van de stage was het opdoen van praktijkervaring en het vergroten van de eigen kennis;

- [appellant] werd gedurende de stage begeleid door een aantal medewerkers van Mundus, te weten door [X] , zijn stagebegeleider, [Z] en [Y] , docenten, en [A] , begeleider passend onderwijs;

- [appellant] werd bij de stage tevens begeleid door INHOLLAND en kon zich wenden tot een door INHOLLAND aangewezen onderwijsbegeleider.

3.5

Bij de verdere beoordeling dient tot uitgangspunt dat volgens de hoofdregel van art. 150 Rv [appellant] de bewijslast heeft van zijn stelling dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Ter uitvoering daarvan voert hij aan dat hij de lessen van een docent Engels die ziek was geworden, nadat hij dit had aangeboden, zelfstandig heeft verzorgd en dat het resultaat daarvan is geweest dat hij gedurende de stage nagenoeg alle lessen zelfstandig heeft gegeven. Dat [appellant] werkzaamheden heeft verricht die vergelijkbaar zijn met die van een docent, maakt echter nog niet dat afgezien van de praktijkleerovereenkomst sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Zowel Mundus als [appellant] hebben kennelijk gemeend dat [appellant] , die daar immers mee instemde, de in het kader van de opleiding gewenste ervaring kon opdoen door zelfstandig les te geven. Daarmee wordt dat lesgeven geacht binnen de doelstelling van de stage te vallen. Dat Mundus was gebaat bij de inzet van [appellant] omdat zij daarmee de gaten in haar lesrooster kon opvullen, is niet van zodanig gewicht dat daaruit volgt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.

3.7

[appellant] wijst voorts erop dat hij nagenoeg geen begeleiding heeft ontvangen. Naar zijn zeggen is slechts vijf maal een les van hem bezocht door zijn stagebegeleider, [X] , en is hem slechts een enkele keer feedback gegeven. [appellant] heeft daarmee echter niet betwist dat Mundus diverse medewerkers had aangewezen om hem te begeleiden, en dat INHOLLAND ook een onderwijsbegeleider had aangewezen. Verder staat vast dat in elk geval een aantal van de lessen die [appellant] gaf door medewerkers van Mundus zijn bezocht en met [appellant] zijn besproken. Ook had [appellant] de gelegenheid om buiten de door hem gegeven lessen begeleiding te zoeken. Dit maakt dat niet kan worden geoordeeld dat het geheel ontbrak aan begeleiding van de werkzaamheden die [appellant] voor Mundus heeft verricht.

3.8

Het hof komt op grond van een en ander tot het oordeel dat uit de door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden niet volgt dat aan de in rov. 3.4 vermelde maatstaf voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is voldaan. Zijn bij Mundus verrichte werkzaamheden zijn in overwegende mate in het belang geweest van de opleiding die [appellant] volgde en wettigen niet de conclusie dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan.

3.9

[appellant] voert nog aan dat een website van de rijksoverheid meldt dat een stagiaire niet zelfstandig les mag geven. Wat daarvan verder zij, dat maakt nog niet dat in de verhouding tussen [appellant] en Mundus sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Niet ondenkbaar is bovendien dat bedoelde regel niet zozeer strekt ter bescherming van de stagiaire, als wel van de kwaliteit van het onderwijs. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, wettigt geen ander oordeel.

3.10

Een en ander betekent dat de grieven 1 tot en met 4 falen.

3.11

Grief 5 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het gelijkheidsbeginsel niet opgaat omdat de collega-stagiaire waar [appellant] het over heeft, [Y] , derdejaarsstudent was en werkte op basis van een LIO (leraar in opleiding)-arbeidsovereenkomst. [appellant] erkent bij deze grief dat zijn rechtspositie een andere was dan die van [Y] . [Y] bevond zich kennelijk ook in een andere, latere fase van de opleiding tot leraar. Een en ander betekent dat geen sprake is van een gelijk geval, zodat [appellant] alleen al hierom geen beroep toekomt op het gelijkheidsbeginsel, wat er verder zij van zijn bewering dat hij feitelijk op dezelfde wijze werd ingezet als [Y] . Ook grief 5 faalt.

3.12

Grief 6 borduurt slechts voort op de voorgaande grieven en faalt daarom eveneens.

3.13

Er is gelet op het voorgaande geen grond voor toewijzing van het in hoger beroep door [appellant] primair gevorderde.

3.14

[appellant] voert in hoger beroep subsidiair aan dat Mundus, omdat sprake is geweest van (te) weinig begeleiding, tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de stageovereenkomst en dat zij aldus de schade die hij daardoor heeft geleden dient te vergoeden. Hij voert aan dat hij schade heeft geleden omdat hij thans één dag in de week (opnieuw) onbetaald een stage dient te verrichten en daardoor inkomsten ten bedrage van het door hem subsidiair gevorderde bedrag mist. Mundus heeft onder meer betwist dat een meer intensieve begeleiding tot een betere beoordeling van de stage zou hebben geleid.

3.15

Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft toegelicht dat en waarom een gebrekkige begeleiding door Mundus tot de onvoldoende beoordeling van zijn stage heeft geleid. Hij heeft geen inzicht gegeven in het waarom van die onvoldoende beoordeling door de stagebegeleider van Mundus, laat staan van het overnemen van dat oordeel door INHOLLAND, laat staan dat hij een concreet verband heeft gelegd tussen de begeleiding door Mundus en de totstandkoming van het oordeel van INHOLLAND. De conclusie is dat ook voor toewijzing van het in hoger beroep subsidiair gevorderde geen grond bestaat.

3.16

[appellant] heeft geen bewijs aangeboden van voldoende concrete feiten die, indien bewezen, tot andere beslissingen zouden leiden dan hiervoor genomen. Zijn bewijsaanbod zal dan ook worden gepasseerd.

3.17

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Er is geen grond voor toewijzing van enig onderdeel van het door [appellant] in hoger beroep gevorderde. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst af het in hoger beroep gevorderde;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Mundus begroot op € 726,- voor verschotten en € 1.611,- voor salaris;

verklaart de hiervoor gegeven proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, W.H.F.M. Cortenraad en A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.