Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:395

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
200.224.328/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling. Erfkwestie. Uit de nalatenschap is door ABN Amro een totaalbedrag van € 102.796,88 aan erfgenaam A betaald, terwijl deze slechts recht had op een bedrag van € 51.574,85.

Het stond erfgenaam B, de broer van erfgenaam A, vrij zijn vordering op naam uit hoofde van een eerdere lening aan zijn broer, conform de artikelen 3:84 en 3:94 BW over te dragen aan ABN Amro. Bij dagvaarding in eerste aanleg is daarvan mededeling gedaan aan de broer (A).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/56
ERF-Updates.nl 2019-0046
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.224.328/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/615171/HA ZA 16-939

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 februari 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. I. Heijselaar te Amsterdam,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Dijkema te Hilversum.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en ABN Amro genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 29 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2017, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen ABN Amro als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 23 oktober 2018 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

ABN Amro heeft nog producties in het geding gebracht.

De zaak is aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Deze is niet tot stand gekomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van ABN Amro zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

ABN Amro heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.12. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Zij luiden als volgt.

2.1.

[A] en [appellant] zijn de kleinzonen van [X] (hierna: [X] ) en [Y] (hierna: erflaatster). [X] is [in] 2008 overleden. Erflaatster heeft de nalatenschap van [X] zuiver aanvaard.

2.2.

Erflaatster is [in] 2012 overleden. Erflaatster heeft [A] en [appellant] bij testament van 24 oktober 1986 (gewijzigd op 15 september 1992) tot enig erfgenamen voor gelijke delen benoemd.

2.3.

Erflaatster had twee dochters (hierna: de dochters).

2.4.

De ervenrekening wordt aangehouden bij ABN Amro. ABN Amro heeft [appellant] bij brief van 27 januari 2014 gevraagd om een verklaring van de notaris waaruit blijkt wie bevoegd is of zijn om haar met betrekking tot die rekening opdrachten te geven.

2.5.

[appellant] heeft bij brief van 19 februari 2014 aanspraak gemaakt op uitbetaling van 50% van de verkoop van een effectendepot dat op naam van erflaatster en [X] stond.

2.6.

[appellant] heeft bij brief van 21 februari 2014 en 25 februari 2014 een verklaring van gerechtigdheid en een verklaring van erfrecht aan ABN Amro gezonden. De verklaring van gerechtigdheid vermeldt, voor zover hier van belang:

“De comparant [hof: [appellant] ] verklaarde:

- uit de brief de dato tien februari tweeduizend veertien (…) blijkt dat zijn broer [A] (…) akkoord is gegaan met uitkering van zijn helft van de nalatenschap waardoor hij na ontvangst daarover zelfstandig kan beschikken (…)”

2.7.

ABN Amro heeft op 21 februari 2014 een bedrag van € 20.387,94 en een bedrag van € 1.464,62 en op 25 februari 2014 een bedrag van € 80.944,32 vanaf de ervenrekening aan [appellant] voldaan.

2.8.

ABN Amro heeft de nabestaanden bij brief van 26 februari 2014, ter attentie van [A] en [appellant] , laten weten dat zij in opdracht van [appellant] 50% van de effecten (zie 2.7) op naam van erflaatster en [X] had verkocht en had overgemaakt naar [appellant] . Verder heeft zij de nabestaanden laten weten dat zij 50% van het aanwezige saldo aan [appellant] heeft overgemaakt. Tot slot heeft ABN Amro medegedeeld dat Pascal [appellant] als wettelijk vertegenwoordiger voor de ervenrekening is aangemerkt en dat hij voortaan met uitsluiting van [appellant] over de ervenrekening kon beschikken. [A] en de dochters hebben de uitkering aan [appellant] betwist.

2.9.

ABN Amro heeft [appellant] bij brief van 4 april 2014 aangesproken tot terugbetaling van de door hem ontvangen gelden. [appellant] is niet tot betaling overgegaan. ABN Amro heeft [appellant] nadien nog een aantal keren gesommeerd tot terugbetaling van de ontvangen gelden. [appellant] is ook na deze sommaties niet tot terugbetaling overgegaan.

2.10.

Mr. M. Groen, optredend namens [A] en de dochters, heeft ABN Amro bij brief van 27 oktober 2015 nadere informatie ten aanzien van de nalatenschap verschaft, onder verwijzing naar een als bijlage bijgevoegde e-mail van notaris J. Verwoerd van 18 september 2015. De notaris heeft in die e-mail een berekening gemaakt van de aandelen van de afzonderlijke nabestaanden in de nalatenschap. Volgens de notaris kwam aan [appellant] een bedrag van € 51.574,85 toe.

2.11.

Tussen ABN Amro enerzijds en [A] en de dochters anderzijds is op 9 mei 2016 een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. ABN Amro heeft zich daarbij verbonden tot betaling van een bedrag van € 51.222,03 aan de boedel. [A] en de dochters hebben hun beweerde vordering op [appellant] ten bedrage van € 51.222,03 aan ABN Amro verkocht en overgedragen.

2.12.

Tussen ABN Amro en [A] is op 9 mei 2016 een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. ABN Amro heeft zich daarbij verbonden tot betaling van een bedrag van € 26.000,- aan [A] . [A] heeft een beweerde vordering die hij uit hoofde van een geldlening op [appellant] zou hebben voor genoemd bedrag aan ABN Amro verkocht en overgedragen.

3 Beoordeling

3.1

ABN Amro heeft in eerste aanleg gevorderd veroordeling van [appellant] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 79.402,45, te vermeerderen met wettelijke rente over € 77.222,03 vanaf 2 september 2016 tot aan de dag der voldoening en met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

3.2.

ABN Amro heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat aan [appellant] zonder rechtsgrond uit (de boedel van) de nalatenschap een totaalbedrag van € 51.222,03 is betaald. Uit de nalatenschap is immers (door ABN Amro) een totaalbedrag van

€ 102.796,88 aan [appellant] betaald, terwijl [appellant] slechts recht had op een bedrag van

€ 51.574,85. [A] en de dochters hebben als gevolg van deze onverschuldigde betaling schade geleden, waardoor zij een vordering op [appellant] hadden. ABN Amro heeft de door [A] en de dochters geleden schade tot een bedrag van € 51.222,03 aan hen vergoed, waarop [A] en de dochters hun vordering op [appellant] tot dit bedrag aan ABN Amro hebben gecedeerd. [appellant] dient daarom thans uit hoofde van onverschuldigde betaling een bedrag van € 51.222,03 aan ABN Amro te voldoen.

[A] had daarnaast een vordering op [appellant] uit hoofde van een geldlening van € 70.000,-. Als gevolg van de betaling door ABN Amro aan [appellant] is [A] ten aanzien daarvan in zijn verhaalsmogelijkheden geschaad. Omdat ABN Amro de betaling heeft uitgevoerd, heeft zij de door [A] geleden schade tot een bedrag van € 26.000,- aan hem vergoed, waarop [A] zijn vordering op [appellant] tot genoemd bedrag aan ABN Amro heeft gecedeerd. [appellant] dient daarom thans aan ABN Amro ook een bedrag van € 26.000,- te betalen.

[appellant] is over voormelde bedragen wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag der dagvaarding. Verder heeft ABN Amro kosten moeten maken in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b Burgerlijk Wetboek (BW). ABN Amro heeft deze kosten begroot op € 2.180,42. [appellant] dient zowel de wettelijke rente als de buitengerechtelijke kosten aan ABN Amro te voldoen, aldus ABN Amro.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen van ABN Amro toegewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.4

De gemachtigde van [appellant] heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat er geen rechtsgrond was voor de betaling van € 51.223,03 door ABN Amro aan [appellant] . Dit betekent dat dit bedrag onverschuldigd aan [appellant] is betaald en, zoals gevorderd, door hem moet worden terugbetaald aan ABN Amro. Het hof sluit zich overigens aan bij het oordeel van de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.2. tot en met 4.5. ter zake en neemt dat over. De grieven I tot en met III falen daarmee. Hetgeen in de toelichting op die grieven overigens nog is gesteld is in dit verband verder niet relevant.

3.5

De grieven IV en V richten zich kort gezegd tegen het oordeel van de rechtbank dat [A] aan [appellant] een geldlening heeft verstrekt ten bedrage van

€ 70.000,-, dat de lening opeisbaar was en dat [appellant] gezien de niet betwiste cessie aan ABN Amro van de vordering van [A] op [appellant] , tot betaling van het gevorderde bedrag van € 26.000,- aan ABN Amro moet worden veroordeeld. Volgens [appellant] was de lening niet opeisbaar en niet veel anders dan een voorschot op de te verdelen erfenis, betaald van de ervenrekening, en is [A] niet in zijn verhaalsmogelijkheden geschaad. Bovendien kon de vordering niet overgedragen worden. De cessie leidt daarbij aan een gebrek want er had een mededeling ex artikel 3:94 BW moeten plaatsvinden.

3.6

Het hof neemt het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.6. tot en met 4.8. over. Ook in hoger beroep heeft [appellant] , gezien hetgeen door ABN Amro in eerste aanleg was aangevoerd en als verweer in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zijn stellingen onvoldoende feitelijk onderbouwd. [appellant] heeft op zichzelf niet (voldoende) betwist dat [A] bedoeld bedrag aan hem had geleend, dat het bedrag door hem moest worden terugbetaald uit het hem toekomende deel van de erfenis, welk deel hem (in elk geval deels) was uitgekeerd, zodat de lening opeisbaar was, en dat het geld afkomstig was uit eigen middelen van [A] , zoals nog bevestigd door [B] in zijn brief van 21 september 2015. [appellant] heeft geen enkel aanknopingspunt gegeven voor een ander oordeel. Het stond [A] daarbij vrij zijn vordering op naam conform de artikelen 3:84 en 3:94 BW over te dragen aan ABN Amro. Bij dagvaarding in eerste aanleg is daarvan mededeling gedaan aan [appellant] . Of [A] wel of niet in zijn verhaalsmogelijkheden was geschaad door het handelen van ABN Amro (de uitkering aan [appellant] ) is in dit geval niet van belang. De grieven falen.

3.7

Grief VI is als veeggrief een korte herhaling van de voorgaande grieven. Zij faalt eveneens.

3.8

De slotsom is dat alle grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Voor bewijslevering is geen plaats omdat hetgeen te bewijzen is aangeboden, voor zover al voldoende specifiek, niet relevant is voor de te nemen beslissing. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ABN Amro begroot op € 1.952,- aan verschotten en € 5.877,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, J.C. Toorman en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2019.