Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3946

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
200.259.642/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming verhuizing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummers: 200.259.642/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/663709 / FA RK 19-1741

Beschikking van de meervoudige kamer van 29 oktober 2019 inzake

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.J. Montanus te Amsterdam,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats B] , Maleisië,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.V. de Jong te Amsterdam.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

- de minderjarige [dochter] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 15 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 20 mei 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 15 mei 2019. Zij heeft daarbij tevens verzocht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking te schorsen (zaaknummer: 200.259.642/02, hierna: het schorsingsverzoek).

2.2

De vader heeft op 11 juni 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 17 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op 18 juni 2019;

- een brief van de zijde van de moeder van 18 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 18 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 26 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 28 juni 2019, gelijktijdig met de zaak met zaaknummer 200.259.642/02, plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw P. Molenaar, tolk in de Engelse taal;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de heer E. Tackey, tolk in de Engelse taal;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw A. Metselaar.

Zowel de advocaat van de moeder als de advocaat van de vader hebben ter zitting gepleit aan de hand van een pleitnotitie.

2.5

Op 9 juli 2019 heeft het hof op het schorsingsverzoek beschikt en werd de werking van de beschikking van 15 mei 2019 van de rechtbank Amsterdam met kenmerk C/13/663709/FA RK 19-1741, voor zover deze zag op de toestemming te verhuizen, de toestemming om naar Maleisië te reizen en de (uitvoering van de) zorgregeling, geschorst. Verder is bepaald dat partijen het hof voor 19 juli 2019 schriftelijk dienden te informeren over de mogelijkheden van een eventueel te volgen (mediation)traject en over de verdere voortgang van de procedure in de hoofdzaak.

2.6

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 18 juli 2019, ingekomen op dezelfde datum;

- een brief van de zijde van de vader van 18 juli 2019, ingekomen op dezelfde datum.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader (hierna tezamen ook: de ouders) zijn [in] 2004 gehuwd in Maleisië. Uit dit huwelijk is [de minderjarige] geboren [in] 2013 te [geboorteplaats] , Maleisië.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] verblijft sinds het uiteengaan van partijen, medio maart 2019, bij de moeder in [plaats A] . De vader woont weer in Maleisië. De ouders en [de minderjarige] hebben de Maleisische nationaliteit.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van de vader en uitvoerbaar bij voorraad:

- aan de vader - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder -

toestemming verleend om per 14 juli 2019 met [de minderjarige] te verhuizen naar Maleisië;

- aan de vader toestemming verleend om met [de minderjarige] van [plaats A] naar [plaats C] , Maleisië te reizen;

- de moeder veroordeeld tot afgifte van het geldige paspoort van [de minderjarige] op het kantoor van de advocaat van de vader binnen vijf uur na betekening van de ten deze te wijzen beschikking op straffe van een ten gunste van de vader te verbeuren dwangsom van € 500,- (vijfhonderd euro) per dag, tot een maximum van € 10.000,- (tienduizend euro) te rekenen na de dag van betekening;

- aan de vader, indien moeder niet voldoet aan de hierboven genoemde veroordeling tot

afgifte van het paspoort van [de minderjarige] - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de

moeder - vervangende toestemming verleend tot afgifte van een (nood)paspoort;

- aan de vader - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder – vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven bij de Australian International School Malaysia te [plaats C] , Maleisië;

- in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders de

navolgende zorgregeling bepaald tussen [de minderjarige] en de moeder, welke regeling als minimum regeling geldt en welke regeling door partijen in onderling overleg kan worden uitgebreid:

  • -

    de moeder mag [de minderjarige] bij zich houden tweemaal per jaar één of twee weken (afhankelijk van de schoolvakanties), waarbij één vakantie in Maleisië en één vakantie in Nederland doorgebracht wordt;

  • -

    de moeder en [de minderjarige] worden tweemaal per week door de vader in de gelegenheid gesteld om te Skypen/Facetimen/videobellen;

- bepaald dat ter uitvoering van bovengenoemde zorgregeling partijen ieder [de minderjarige] de helft van de tijd begeleiden tijdens het reizen en dat de kosten voor haar vliegtickets naar rato van de inkomens van partijen verdeeld worden.

Het verzoek van de moeder de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen is afgewezen.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:

- de vader in zijn inleidende verzoeken alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze alsnog af te wijzen;

- het zelfstandige verzoek van de moeder in eerste aanleg alsnog toe te wijzen;

- de vader te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

4.3

De vader verzoekt de verzoeken van de moeder in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het geschil tussen partijen gaat over de vraag of de rechtbank terecht de vader vervangende toestemming tot verhuizing met [de minderjarige] naar Maleisië heeft verleend.

5.2

In de beschikking van het hof van 9 juli 2019, waarmee een beslissing is gegeven op het schorsingsverzoek, heeft het hof overwogen dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat onderzoek gedaan dient te worden naar het belang van [de minderjarige] in het onderhavige geschil, ofwel door een kindbehartiger ofwel door een bijzondere curator en dat partijen daarover nog in overleg zijn. Verder is overwogen dat uit het contact van de moeder met het Centrum Internationale Kinderontvoering is gebleken dat partijen binnen twee weken na de mondelinge behandeling aan een cross border mediation traject zouden kunnen deelnemen, binnen welk traject er ook een kindgesprek met [de minderjarige] zou kunnen plaatsvinden. Blijkens de hiervoor onder 2.6 genoemde brieven van 18 juli 2019 heeft voornoemd traject inmiddels plaatsgevonden op 6 en 7 juli 2019. Daaraan voorafgaand heeft mevrouw drs. J.A.M. Hendriks op 5 juli 2019 met [de minderjarige] gesproken. De cross border mediation heeft niet tot een ondertekende spiegelovereenkomst geleid. Bij brief van 18 juli 2019 verzoekt de moeder het hof thans na het mislukken van de cross border mediation primair de heer B. Verhelst te benoemen teneinde een onderzoek te doen naar het belang van [de minderjarige] , dan wel drs. Hendriks te benoemen als bijzonder curator. De vader stelt dat de stem van [de minderjarige] en haar belangen tijdens de cross border mediation voldoende zijn gehoord en gekend. De vader ziet niet in waarom in de onderhavige procedure aanvullend onderzoek dient te worden gedaan door een bijzonder curator dan wel een kindbehartiger. Naar de mening van de vader frustreert het inzetten van een dergelijk juridisch instrument de adequate aanpak van de zaak. Bij brief van 18 juli 2019 verzoekt de vader het hof dan ook een eindbeslissing te nemen.

5.3

Het hof is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] vergt dat in de onderhavige zaak thans een eindbeschikking wordt gewezen. De rechtbank heeft op 15 mei 2019 – kort gezegd – beslist dat de vader met [de minderjarige] naar Maleisië mag verhuizen. Kort daarna heeft de vader op verzoek van de moeder deze beslissing aan [de minderjarige] meegedeeld, zo blijkt uit de overgelegde e-mails. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en vecht deze in hoger beroep aan. [de minderjarige] , die inmiddels zes jaar oud is en momenteel alleen via Facetime contact met de vader heeft, krijgt ongetwijfeld veel mee van de spanningen tussen de ouders, temeer daar de moeder niet heeft weersproken dat zij altijd aanwezig is bij de Facetime gesprekken tussen [de minderjarige] en haar vader zodat het contact tussen de vader en [de minderjarige] in die zin altijd beladen is. [de minderjarige] heeft voorafgaand aan de cross border mediation gesproken met drs. J.A.M. Hendriks. Tijdens de cross border mediation zijn partijen echter niet tot een vergelijk gekomen, hoewel het hof aanneemt dat in die mediation bij partijen het belang van [de minderjarige] steeds voorop heeft gestaan en een overwegende rol heeft gespeeld bij het wisselen van de argumenten.

Het is van aanvang af duidelijk geweest dat welke beslissing ook wordt genomen, deze een onvermijdelijke en aanzienlijke vermindering betekent van het contact van een van de ouders met [de minderjarige] en een achteruitgang voor wat betreft de dagelijkse betrokkenheid bij haar leven nu de vader inmiddels weer in Maleisië woont en de moeder nog in [plaats A] en de moeder vooralsnog niet van plan is naar Maleisië terug te keren. Dat betekent dat bij iedere beslissing van het hof het uitgangspunt van gelijkwaardigheid van contact met de ouders wordt verlaten. [de minderjarige] heeft er belang bij dat aan de onzekerheid over de plaats waar zij zal opgroeien een einde komt. Met hetgeen partijen bij het hof naar voren hebben gebracht acht het hof zich voldoende geïnformeerd om te kunnen beslissen. Het hof acht het, gelet op het feit dat [de minderjarige] inmiddels in het kader van de cross border mediation een gesprek met drs. Hendriks gehad heeft, niet noodzakelijk een bijzonder curator noch een kindbehartiger te benoemen voor nader onderzoek en zal een eindbeschikking nemen.

5.4

De vader stelt in het verweerschrift in hoger beroep primair dat het hof de moeder niet-ontvankelijk dient te verklaren in haar hoger beroep omdat de moeder, op wie de stelplicht en bewijslast rust, niet heeft voldaan aan haar motiveringsplicht. Het hof volgt dat verweer niet. Als grieven gelden alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. De grieven die de moeder tegen de beschikking van de rechtbank aanvoert zijn naar behoren naar voren gebracht en met redenen omkleed. Voor de vader is naar het oordeel van het hof duidelijk waartegen hij zich dient te verweren. Het hof acht de moeder dan ook ontvankelijk in haar hoger beroep.

5.5

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de criteria opgesomd waaraan dient te worden getoetst in het kader van een belangenafweging in zogeheten verhuizingszaken. Voorts heeft de rechtbank bij de beoordeling van het recht en het belang van de vader om met [de minderjarige] te verhuizen voorop gesteld dat partijen allebei, net als [de minderjarige] , de Maleisische nationaliteit hebben. Verder is in de overwegingen van de rechtbank betrokken dat [de minderjarige] in Maleisië is geboren en met partijen vanaf haar geboorte [in] 2013 tot medio 2017 in Maleisië heeft gewoond, dat partijen in de buurt van [plaats C] een huis in aanbouw bezitten dat binnenkort wordt opgeleverd, dat partijen een tijdelijke verblijfsvergunning voor de duur van de baan van de vader in Nederland hebben gekregen en niet aannemelijk is geworden dat partijen naar Nederland zijn verhuisd met de bedoeling dat die verhuizing feitelijk een emigratie naar Nederland zou zijn. Onder die omstandigheden zijn, aldus de rechtbank, de door de Hoge Raad geformuleerde criteria in verhuizingszaken niet onverkort van toepassing op de door de vader gewenste verhuizing. Weliswaar is [plaats A] op dit moment de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] , maar niet aannemelijk is dat partijen op het moment van de verhuizing naar Nederland voor ogen stond dat zij ook op langere termijn in Nederland en niet in Maleisië zouden wonen. Gelet daarop is er sprake van een terugkeer naar Maleisië, waarbij de moeder ervoor kiest niet mee terug te verhuizen, zo overweegt de rechtbank. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om met [de minderjarige] naar Maleisië te mogen verhuizen toegewezen waarbij van doorslaggevende betekenis is geacht dat partijen allen de Maleisische nationaliteit hebben, tot december 2017 in Maleisië hebben gewoond, voor een tijdelijke plaatsing van de vader naar Nederland zijn gekomen en dat de vader voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij terug moet naar Maleisië voor zijn werk en hier geen werk kan vinden. Voorts heeft de rechtbank van belang geacht dat de moeder geen zelfstandig belang bij het kunnen wonen in Nederland naar voren heeft gebracht.

5.6

De moeder betoogt in haar grieven dat de rechtbank ten onrechte de vader vervangende toestemming heeft verleend om met [de minderjarige] naar Maleisië te verhuizen en heeft daartoe twaalf grieven aangevoerd. Het hof zal deze grieven hierna bespreken, waar mogelijk gezamenlijk.

5.7

De grieven 1, 2, 3 en 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De moeder stelt daarin dat het hof bij de beantwoording van de vraag of de vader met [de minderjarige] naar Maleisië mag verhuizen, alle door de Hoge Raad vastgestelde criteria in verhuizingszaken dient te toetsen, hetgeen de rechtbank heeft nagelaten. Partijen hadden de intentie om na afloop van het tijdelijke contract van de vader in Nederland te blijven en alles was hier al op voorbereid. Zo ging [de minderjarige] naar een Nederlandse school in plaats van een internationale school, waren de verblijfsvergunningen van [de minderjarige] en de moeder al omgezet (met medewerking van de vader) en heeft de moeder in september 2018 een contract getekend voor een nieuwe baan. Voorts dient de moeder als hoofdverzorgende ouder de gelegenheid te krijgen om haar leven met [de minderjarige] in [plaats A] verder uit te bouwen en een toekomst op te bouwen. De moeder heeft hier een eigen woning, een vaste baan die haar de flexibiliteit geeft om voor en na school zelf voor [de minderjarige] te zorgen. In Maleisië is haar oude baan er niet meer. Bovendien heeft zij niets meer in Maleisië nu het contact met haar ouders niet meer goed is (door de echtscheiding) en heeft zij geen verblijfplaats in Maleisië. De moeder en [de minderjarige] zijn in Nederland, anders dan in Maleisië, niet gebonden aan de strenge Aziatische cultuur. Ook is [de minderjarige] hier geworteld. De vader heeft daarentegen geenszins aangetoond dat hij een noodzaak had om terug te verhuizen. Bovendien is de verhuizing slechts een week voor de indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank door de vader voorbereid en het is nog onduidelijk hoe het leven van [de minderjarige] er in Maleisië uit zal zien, temeer nu de vader daar fulltime zal moeten werken en zelf geen tijd heeft om voor [de minderjarige] te zorgen. Het is daarom niet in het belang van [de minderjarige] om met de vader naar Maleisië te verhuizen, aldus de moeder.

5.8

De vader betoogt dat de rechtbank terecht zijn verzoek om vervangende toestemming om met [de minderjarige] naar Maleisië te verhuizen heeft toegewezen. Hij stelt in tegenstelling tot hetgeen de moeder stelt, dat partijen niet de keuze hebben gemaakt [de minderjarige] in Nederland te laten opgroeien. De vader had een tijdelijke aanstelling in Nederland en ten tijde van de verhuizing naar Nederland was het de bedoeling van partijen dat zij na deze aanstelling weer terug naar Maleisië zouden gaan. Partijen hebben om die reden gezamenlijk een huis in [plaats C] laten bouwen, hun inboedel daar opgeslagen en [de minderjarige] ingeschreven op een school voor als zij terug zouden keren. Het is de moeder die in strijd met de originele plannen in het najaar van 2018 heeft besloten in Nederland te willen blijven. Voor de vader kwam dit als een schok. De vader is in verband met zijn werk genoodzaakt om terug te gaan naar Maleisië. Voor de moeder bestaat er daarentegen geen noodzaak om in Nederland te blijven. Zij had in Maleisië een goede baan, is hoogopgeleid en heeft voldoende carrièrekansen bij terugkeer. De vader heeft de verhuizing bovendien goed voorbereid. De woning van partijen is (nagenoeg) gereed en [de minderjarige] staat al ingeschreven op een school. De vader betwist voorts dat de moeder de hoofdverzorgende ouder is geweest. Partijen hebben altijd gezamenlijk de zorg voor [de minderjarige] gedragen en de vader is in staat om in Maleisië voor [de minderjarige] te zorgen. Hij kan zijn werk afstemmen op het schoolrooster van [de minderjarige] en zijn ouders zullen bovendien bij hem komen wonen om te helpen bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Een terugkeer naar Maleisië is het meest in het belang van [de minderjarige] . Zij heeft daar het grootste deel van haar leven gewoond en zal op die manier opgroeien in de Maleisische cultuur met veel familie om haar heen. De vader verzet zich nadrukkelijk tegen een permanent verblijf van [de minderjarige] in Nederland.

5.9

Het hof stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek het hof bij een geschil als het onderhavige waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag zijn belast en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van een van de ouders en het kind, een zodanige beslissing dient te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht nemen. Anders dan de moeder stelt, is niet vereist dat alle door de Hoge Raad geformuleerde criteria in verhuizingszaken worden getoetst, doch slechts die omstandigheden die in deze specifieke zaak een rol spelen en in acht dienen te worden genomen bij de te verrichten belangenafweging.

5.10

Evenals de rechtbank acht het hof van belang dat partijen en [de minderjarige] de Maleisische nationaliteit hebben en dat zij vanaf augustus 2013 tot medio 2017 in Maleisië hebben gewoond. Dat partijen ervoor hebben gekozen [de minderjarige] in Nederland op een Nederlandse school te plaatsen, dat zij inmiddels goed Nederlands spreekt en hier vriendjes heeft, acht het hof geen doorslaggevende factor in de afweging van de belangen, nu partijen, zo blijkt uit de stukken, altijd Engels met [de minderjarige] hebben gesproken en nog spreken omdat beide partijen de Nederlandse taal niet machtig zijn en [de minderjarige] dus geen achterstand zal oplopen indien zij zou moeten overstappen naar een Engelstalige school. Verder acht het hof van belang dat bij de ontwikkelingstaken van een 6-jarige werkelijkheid en beleving door elkaar lopen en dat enerzijds een kind van die leeftijd zich laat leiden door emoties en vriendschappen, maar anderzijds zich op deze leeftijd nog heel snel kan aanpassen aan veranderingen, zoals de raadsvertegenwoordiger ter zitting van 28 juni 2019 heeft verklaard.

5.11

De moeder ontkent dat er bij de vader noodzaak bestond om te verhuizen omdat partijen vanaf het moment dat zij besloten naar Nederland te gaan de intentie hadden in Nederland te blijven en niet meer terug te gaan naar Maleisië. Het hof volgt de moeder daarin niet. Op grond van de door de vader overgelegde overeenkomst van 25 september 2017 tussen hem en zijn werkgever [bedrijf 1] en de overgelegde tijdelijke verblijfsvergunningen kan niet anders worden geconcludeerd dan dat partijen vanaf hun aankomst in Nederland wisten dat het verblijf in Nederland voor maximaal twee jaar was en dus tijdelijk zou zijn. De moeder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vader direct na aankomst in Nederland heeft gezocht naar ander werk in Nederland en alles op alles heeft gezet om zodoende de tijdelijke verblijfsstatus te kunnen omzetten in een permanente. Een en ander is ook niet aannemelijk nu partijen bij vertrek naar Nederland en tijdens hun verblijf in Nederland een huis in aanbouw in Maleisië hadden en dat voor het vertrek naar Nederland [de minderjarige] al was aangemeld bij de Australische school die zij na terugkeer in Maleisië zou gaan bezoeken. Nadat de relatie tussen partijen stuk liep en het de vader duidelijk werd dat de moeder in Nederland wilde blijven, heeft de vader via headhunters nog wel geprobeerd een vergelijkbare baan in Nederland te vinden, maar dat is niet gelukt, mede gelet op het feit dat de vader de Nederlandse taal niet machtig is. Vaststaat dat de vader van zijn werkgever in januari 2019 bericht heeft gekregen dat het project in Nederland eerder was afgelopen en dat hij per 1 april 2019 diende terug te keren naar [plaats C] . Onder die omstandigheden was er voor de vader noodzaak te verhuizen omdat hij anders zijn baan en inkomen zou verliezen. Dat de vader zijn verhuizing niet goed heeft voorbereid en doordacht zoals de moeder stelt, volgt het hof dan ook niet. Zoals hiervoor reeds is overwogen was de vader voor vertrek naar Nederland al begonnen met het voorbereiden van de terugkeer naar Maleisië door aldaar een huis te laten bouwen en [de minderjarige] reeds voor vertrek naar Nederland in te schrijven op een school in Maleisië. Inmiddels is gebleken dat de vader opvang heeft geregeld voor [de minderjarige] voor de tijden dat hij moet werken en een balletschool voor haar heeft gevonden. Onder die omstandigheden acht het hof de voorbereiding van de verhuizing voldoende. Het belang van de vader bij verhuizing staat voor het hof vast.

5.12

Tegenover het belang van de vader om naar Maleisië terug te keren staat het belang van de moeder om in Nederland te blijven met [de minderjarige] . De moeder voert daartoe aan dat zij inmiddels een vast contract heeft voor 40 uur per week bij [bedrijf 2] in [plaats D] , dat zij op grond daarvan een permanente verblijfsvergunning zal kunnen krijgen en dat zij haar werk zo kan inrichten dat zij veel thuis werkt, waardoor zij [de minderjarige] meestentijds zelf kan opvangen. De moeder heeft niet weersproken dat zij hoogopgeleid is, in Maleisië voor vertrek naar Nederland een fulltime baan had en een vergelijkbaar inkomen verdiende als zij in Nederland kan verdienen. Evenmin heeft zij de stelling van de vader weersproken dat zij, indien zij dat zou wensen, in Maleisië opnieuw werk en woonruimte kan vinden. De moeder wil echter niet terug naar Maleisië, onder meer omdat zij niet meer gebonden wil zijn aan de strenge Aziatische cultuur. Zij wil ook [de minderjarige] daarvoor behoeden. Dat gegeven acht het hof echter niet van doorslaggevende betekenis bij de te maken belangenafweging. Partijen zijn geboren en getogen in Maleisië. De door de moeder gestelde strenge Aziatische cultuur heeft de moeder er in het verleden niet van weerhouden een gedegen opleiding te volgen en als moeder fulltime te werken bij een multinational. Dat [de minderjarige] ondanks de strenge Aziatische cultuur geen goede opleiding zal kunnen volgen in Maleisië en zich niet zal kunnen ontplooien en een sociaal netwerk zal kunnen opbouwen, acht het hof niet aannemelijk.

5.13

Alle belangen in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat het belang van de vader om met [de minderjarige] naar Maleisië te verhuizen zwaarder dient te wegen dan het belang van de moeder om met [de minderjarige] in Nederland te blijven wonen. Het hof acht daarbij tevens van betekenis dat niet is komen vast te staan dat de moeder – die tijdens de samenleving net als de vader fulltime werkte – in overwegende mate de verzorging van [de minderjarige] op zich nam zodat beide partijen in staat worden geacht voor [de minderjarige] te kunnen zorgen en dat de vader meer dan de moeder doordrongen lijkt te zijn van het belang van [de minderjarige] bij goed contact met de andere ouder. Daarbij heeft het hof meegewogen dat uit de stukken is gebleken dat de moeder de belregeling tussen de vader en [de minderjarige] reeds nu enigszins frustreert. Gelet op alle voorgaande omstandigheden, acht het hof het belang van de moeder om met [de minderjarige] in Nederland te blijven wonen ondergeschikt aan het belang van de vader om met [de minderjarige] te verhuizen. Het voorgaande betekent dat de grieven 1 tot en met 4 falen en dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] niet bij de moeder zal worden bepaald. Tevens faalt, gelet op hetgeen in de slotzin van 5.12 is overwogen, grief 8.

5.14

Teneinde [de minderjarige] voor te bereiden op haar verhuizing naar Maleisië zal het hof de vader ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, toestemming verlenen om per 21 december 2019 met [de minderjarige] naar Maleisië te verhuizen. Op deze manier hebben partijen voldoende tijd om [de minderjarige] op haar verhuizing voor te bereiden, terwijl deze verhuizingsdatum aansluit bij de start van het schooljaar in Maleisië.

5.15

De grieven 5 en 7 van de moeder gaan over de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De moeder noemt de regeling karig. De rechtbank heeft overwogen dat de vastgestelde regeling als minimum regeling geldt welke door partijen in onderling overleg kan worden uitgebreid. De regeling houdt in dat de moeder [de minderjarige] bij zich mag houden tweemaal per jaar één of twee weken (afhankelijk van de schoolvakanties), waarbij één vakantie in Maleisië en één vakantie in Nederland doorgebracht wordt. Verder worden de moeder en [de minderjarige] tweemaal per week door de vader in de gelegenheid gesteld om te Skypen/Facetimen/videobellen.

5.16

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het van aanvang af duidelijk geweest dat welke beslissing ook wordt genomen, deze een onvermijdelijke en aanzienlijke vermindering betekent van het contact van een van de ouders met [de minderjarige] en een achteruitgang voor wat betreft de dagelijkse betrokkenheid bij haar leven nu de vader inmiddels in Maleisië woont en de moeder in [plaats A] . De moeder heeft in eerste aanleg noch in hoger beroep een zelfstandig verzoek gedaan voor het vaststellen van een zorgregeling voor het geval het verzoek van de vader om met [de minderjarige] naar Maleisië te verhuizen mocht worden toegewezen, zodat uitbreiding van de door de rechtbank vastgestelde minimum regeling niet aan het hof ter beoordeling voorligt. Een en ander neemt niet weg dat het hof het in het belang van [de minderjarige] acht dat zij een goed en geregeld contact met de moeder kan onderhouden. Ter zitting van het hof heeft de vader verklaard open te staan voor contact van [de minderjarige] met de moeder en het belang daarvan in te zien. Het hof gaat er dan ook van uit dat de vader een aanzienlijk ruimer contact en een ruimere omgang tijdens vakanties met de moeder zal toestaan dan door de rechtbank als minimum is vastgesteld. Het is aan de ouders om daarover in het belang van [de minderjarige] in overleg te gaan en nadere afspraken te maken. De grieven 5 en 7 falen.

5.17

Ook grief 6 waarin de moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de vader in overwegende mate debet is aan de slechte communicatie tussen partijen, faalt. Het gaat er bij een beslissing zoals deze niet om dat het hof de onderlinge communicatie tussen partijen analyseert en zich uitspreekt over wie van partijen het meest op communicatiegebied valt te verwijten. Beide partijen erkennen dat hun onderlinge communicatie niet goed is. Ongetwijfeld heeft ieder van partijen daarin een aandeel. Het gaat erom dat het hof een zodanige beslissing dient te nemen als het hof in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt. Het is aan partijen om hun onderlinge communicatie te normaliseren zodat [de minderjarige] zo min mogelijk wordt belast met de gevolgen van de echtscheiding en de beslissing van de moeder om in Nederland te blijven en niet naar Maleisië terug te keren.

5.18

In grief 9 stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de moeder het paspoort van [de minderjarige] binnen vijf uur na betekening van de te wijzen beschikking moet afgeven op het kantoor van de advocaat van de vader en aan haar een dwangsom is opgelegd van € 500,- per dag tot een maximum van € 10.000,- te rekenen vanaf de dag van betekening. Inmiddels is de beschikking van de rechtbank op 6 juni 2019 aan de moeder betekend en heeft de moeder het paspoort van [de minderjarige] afgegeven aan de advocaat van de vader. Nu het hof de beslissing van de rechtbank zal bekrachtigen, het paspoort is afgegeven aan de advocaat van de vader en de vader het paspoort nodig heeft om de verhuizing van [de minderjarige] voor te bereiden, behoeft deze grief geen bespreking meer.

5.19

Grief 10 van de moeder is een veeggrief en heeft, gelet op al het voorgaande, geen zelfstandige betekenis en behoeft om die reden geen bespreking.

5.20

Er is, gelet op de door het hof te nemen beslissing, geen aanleiding de vader in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep te veroordelen zoals de moeder in grief 11 stelt. Het hof zal de kosten van het hoger beroep compenseren zoals na te melden nu partijen nog immer gehuwd zijn.

5.21

Grief 12 behoeft geen bespreking nu de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking in de tussenbeschikking van het hof van 9 juli 2019 is geschorst.

5.22

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven van de moeder falen en dat de beschikking van de rechtbank zal worden bekrachtigd, met dien verstande dat de vader in plaats van per 14 juli 2019 per 21 december 2019 met [de minderjarige] naar Maleisië mag verhuizen.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beslissing waarvan beroep volledig, met dien verstande dat aan de vader – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder – toestemming wordt verleend om, anders dan bepaald in de bestreden beschikking, per 21 december 2019 met de minderjarige [dochter] , geboren [in] 2013 te Maleisië, te verhuizen naar Maleisië;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.W. van Zaane en mr. L. van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier, en is op 29 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.