Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3943

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
200.260.068/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:2325
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling. De gronden voor de ondertoezichtstelling waren ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig en zijn ook thans nog aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.260.068/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/283365 / JU RK 19-33

Beschikking van de meervoudige kamer van 29 oktober 2019 inzake

[de vader] ,

wonende te [plaats a] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. F. Westenberg te Hoorn,

en

1 de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

2 [de moeder] ,

wonende te [plaats b] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. van der Weide te Alkmaar.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de minderjarige [A] (hierna te noemen: [kind A] );

- de minderjarige [B] (hierna te noemen: [kind B] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter), van 26 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 24 mei 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 26 februari 2019.

2.2

De GI heeft op 25 juni 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

De moeder heeft op 2 juli 2019 een verweerschrift ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 9 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 10 september 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 10 september 2019 met bijlagen, ingekomen per faxbericht op 10 september 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 16 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 17 september 2019.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 20 september 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de advocaat van de vader;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en een collega;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw V.A.S. Regout.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader (hierna tezamen ook: de ouders) zijn geboren:

- [kind A] , [in] 2008 te [geboorteplaats] ;

- [kind B] , [in] 2010 te [geboorteplaats] (hierna tezamen ook: de kinderen).

3.2

Bij beschikking van 3 maart 2017 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 3 maart 2020 bij de bestreden beschikking.

3.3

Sinds oktober 2017 verblijven de kinderen bij de vader, welk verblijf naderhand is geformaliseerd door middel van een machtiging uithuisplaatsing. De machtiging uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd tot 3 maart 2020 bij beschikking van 30 augustus 2019.

3.4

Bij beschikking van 14 november 2018 is, voor zover thans van belang, vervangende toestemming verleend aan de vader tot erkenning van de kinderen, waarna de vader de kinderen heeft erkend.

3.5

Bij beschikking van 11 september 2019 is bepaald dat de vader gezamenlijk met de moeder wordt belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de kinderen en dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben.

3.6

De kinderen hebben om de week op donderdag telefonisch contact met de moeder onder begeleiding van mevrouw [X] van Tzorg.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is met ingang van 3 maart 2019 – op verzoek van de GI – de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 3 maart 2020 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader – op dat moment zonder gezag – verleend tot uiterlijk 3 september 2019.

4.2

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt het door de vader ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De moeder verzoekt het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Allereerst dient het hof (ambtshalve) te beoordelen of vader is aan te merken als belanghebbende en of hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het hof overweegt dat de vader ten tijde van het indienen van zijn hoger beroep, te weten op 24 mei 2019, nog niet mede belast was met het ouderlijk gezag over de kinderen. Omdat de kinderen echter al vanaf oktober 2017 bij de vader wonen, is de vader naar het oordeel van het hof belanghebbende in deze zaak. De vader is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep.

5.2

Voorts is aan de orde de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen. Op grond van het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.3

De vader is van mening dat de kinderrechter ten onrechte de ondertoezichtstelling heeft verlengd en voert daartoe onder meer het volgende aan. In het algemeen is contact tussen de kinderen en de moeder in hun belang, maar eerst moet meer onderzoek worden verricht naar de mogelijkheden van de moeder en de draagkracht van kinderen. Zeker nu de GI een aantal fysieke contactmomenten overweegt. Daarbij speelt mee dat inmiddels is gebleken dat de moeder zich nog moet aanmelden voor behandeling bij GGZ en dat ’s Heeren Loo [kind B] niet de vereiste zorg kan bieden. Verder is het doel om te werken aan een omgangsregeling op zich onvoldoende reden voor een ondertoezichtstelling, nu de moeder de optie heeft om bij de rechtbank een contactregeling vast te laten stellen en een ondertoezichtstelling te veel ingrijpt op de positie van de vader. Tot slot gaat het goed met de kinderen en ontvangen zij en de vader op vrijwillige basis hulpverlening, aldus de vader.

5.4

De GI stelt dat de ondertoezichtstelling terecht is verlengd en voert daartoe onder meer het volgende aan. Sinds de zomer van 2018 is de GI gaan inzetten op contactherstel tussen de kinderen en de moeder, nu zij betrouwbaar is gebleken in het contact met de GI, haar afspraken nakomt en initiatief neemt waar zij hulp nodig heeft. Omdat de vader hier moeite mee heeft, is de samenwerking tussen de GI en de vader achteruitgegaan. De vader en zijn netwerk uiten zich diskwalificerend ten aanzien van de moeder en frustreren het verdere contactherstel. De GI maakt zich daarom grote zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen en ziet hierin voldoende grond voor een ondertoezichtstelling. Tot slot heeft de GI voor de vader een contactpersoon met een Turkse achtergrond aangesteld om de samenwerking te verbeteren.

5.5

Ook de moeder is van mening dat de ondertoezichtstelling terecht is verlengd en voert daartoe onder meer het volgende aan. Nu de moeder heeft geaccepteerd dat het perspectief van de kinderen bij de vader ligt, is haar situatie stabiel en kan worden gewerkt aan contactherstel tussen haar en de kinderen. Op 21 mei 2019 heeft een eerste begeleide omgang plaatsgevonden bij de Stadsspeeltuin in [plaats a] , welke goed is verlopen. De afspraak hierna is helaas niet doorgegaan, vermoedelijk omdat de vader de kinderen heeft beïnvloed waardoor zij niet meer wilden. Zijn negatieve houding lijkt gedragsproblemen bij de kinderen te veroorzaken. Verder zijn de zorgen over de verstoorde relatie tussen de ouders en de moeizame samenwerking van de vader en de GI onverminderd en is de ondertoezichtstelling nog nodig voor het in goede banen leiden van het contactherstel tussen de moeder en de kinderen. Tot slot is geen sprake van vrijwillige hulpverlening bij de vader en kinderen, aldus de moeder.

5.6

De raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De kinderen hebben een belast verleden en lijken klem te zitten tussen de ouders. Het lukt de vader niet om de moeder een plek te geven in het leven van de kinderen, terwijl het belangrijk is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen dat zij contact hebben met beide ouders. Daarnaast is het van belang dat de kinderen zien dat de moeder inmiddels betrouwbaar is en dat zij een positiever en realistischer beeld van de moeder kunnen krijgen. De vader lijkt dit niet in te zien en geeft niet de indruk zelf toenadering tot de moeder te zullen zoeken. Daarom is het volgens de raad nodig dat de GI betrokken blijft.

5.7

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de kinderen een belaste voorgeschiedenis hebben. Als gevolg van overbelasting, verwaarlozing en fysieke mishandeling bij de moeder, wonen de kinderen sinds oktober 2017 bij de vader. Naderhand is deze plaatsing geformaliseerd door een machtiging uithuisplaatsing. Na onderzoek naar de omgangsmogelijkheden is in juni 2018 besloten tot telefonisch contact tussen de moeder en de kinderen. Sinds de zomer van 2018 is volgens de GI duidelijk geworden dat het perspectief van de kinderen bij de vader ligt. Ook is de GI in deze periode gaan inzetten op contactherstel tussen de kinderen en de moeder, omdat de moeder zich positief heeft ontwikkeld en stabiel en betrouwbaar is gebleken. Sinds eind 2018 worden de belmomenten tussen de kinderen en de moeder begeleid door Tzorg en mag de vader hierbij niet meer aanwezig zijn, omdat hij de kinderen stuurt in de gesprekken, op de achtergrond duidelijk aanwezig is en in aanwezigheid van de kinderen diskwalificerende opmerkingen over de moeder maakt. Begin 2019 is [kind B] aangemeld bij ’s Heeren Loo in verband met gedragsproblemen en in mei 2019 is [kind A] gestart met de KOPP groep. Uit het onderzoek van ’s Heeren Loo is gebleken dat [kind B] emotieregulatieproblemen heeft en is geadviseerd om hem ergens anders te laten behandelen vanwege de thans onstabiele situatie bij ’s Heeren Loo. Uiteindelijk heeft op 21 mei 2019 het eerste begeleide omgangsmoment tussen de moeder en de kinderen plaatsgevonden. De in juni 2019 geplande omgang is op initiatief van de vader niet doorgegaan. De kinderen hebben de moeder op 5 juli 2019 voor het laatst gezien en er is sindsdien enkel tweewekelijks begeleid telefonisch contact. Ook zijn de kinderen in juli 2019 aangemeld bij Centrum Het Antwoord, van waaruit zij zijn doorverwezen naar Triversum in verband met ernstige trauma’s. Tot slot is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de GI de omgang vanaf september 2019 weer wil opstarten, bij de moeder thuis onder begeleiding van Koel en Co en met een evaluatiemoment in december 2019.

5.8

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat (nog steeds) sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen, die onder meer bestaat uit de belaste voorgeschiedenis van de kinderen en het ernstige vermoeden dat de kinderen klem zitten tussen de ouders. Daarnaast is gebleken dat de vader moeite heeft de moeder een plek te geven in het leven van de kinderen, en hen de emotionele toestemming die nodig is voor een onbelaste omgang met hun moeder, niet lijkt te kunnen geven. Inmiddels hebben de kinderen hun moeder geruime tijd niet gezien. Samen met de GI en de raad acht het hof het in het belang van de kinderen om contact te hebben met beide ouders. Bij de vader lijkt hier weinig ruimte voor te zijn, ondanks de positieve ontwikkelingen aan de zijde van de moeder en het vertrouwen van de GI als professionele instantie in de moeder en in de mogelijkheden om de omgang uit te breiden. Voorts is het hof van oordeel dat hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk is, nu gebleken is dat de ouders, en met name de vader, de zorg die in verband met het wegnemen van de voormelde ontwikkelingsbedreigingen noodzakelijk is, onvoldoende accepteren. De hulpverlening is zowel voor de kinderen als voor de ouders nog steeds niet of nauwelijks op gang gekomen. Daarnaast is gebleken dat enkel op initiatief van de GI, en niet uit eigen beweging van de vader, de ouders onlangs zijn aangemeld voor een traject ter verbetering van hun onderlinge communicatie, gericht op het opbouwen van de omgang van de kinderen met moeder. Het hof is dan ook van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

5.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Wildenberg als griffier, en is op 29 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.