Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3938

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
200.263.057/01 en 200.263.057/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing kwetsbare baby. Nader onderzoek in moeder-kindhuis is niet in zijn belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.263.057/01 en 200.263.057/02

zaaknummer rechtbank: C/ 13/ 665780/ JE RK 19-402

beschikking van de meervoudige kamer van 21 oktober 2019 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verzoekster in het incident tot schorsing,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verweerster in het incident tot schorsing,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbende is aangemerkt:

- de hierna te noemen minderjarige [A] .

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

De Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 11 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 22 juli 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 11 juni 2019 (zaaknummer: 200.263.057/01, hierna: de hoofdzaak). Tevens heeft zij verzocht de werking van die beschikking te schorsen (zaaknummer: 200.263.057/02, hierna: het schorsingsverzoek).

2.2

De GI heeft op 16 augustus 2019 een verweerschrift ingediend in zowel de hoofdzaak als inzake het schorsingsverzoek.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de moeder van 23 juli 2019, ingekomen op 24 juli 2019;

- een brief van de zijde van de GI van 30 september 2019, ingekomen op 8 oktober 2019.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Tevens zijn met de moeder meegekomen een tweetal begeleiders van Streetcornerwork;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw A. van der Hoorn.

3 De feiten

3.1

[A] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2018, te [geboorteplaats] is de zoon van de moeder. Zij oefent alleen het gezag uit over hem. [de minderjarige] heeft geen juridische vader.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 24 oktober 2018 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, voor de duur van een jaar.

3.3

Bij voormelde beschikking van 24 oktober 2018 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een pleeggezin, met ingang van 24 oktober 2018 tot 24 januari 2019. Deze machtiging is nadien verlengd. [de minderjarige] verblijft sinds 1 november 2018 in een medisch pleeggezin. Er is door de GI een omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en [de minderjarige] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het verzoek van de GI, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf in een (medisch) pleeggezin verlengd met ingang van 24 juni 2019 tot 24 oktober 2019.

4.2

De moeder verzoekt in de hoofdzaak, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen en subsidiair te bepalen dat een machtiging zal worden verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf in een gezinshuis tezamen met moeder voor de duur van drie maanden onder 24-uurs begeleiding.

4.3

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

Bij haar schorsingsverzoek verzoekt de moeder de werking van de bestreden beschikking te schorsen en te bepalen dat een machtiging zal worden verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf in een gezinshuis tezamen met moeder voor de duur van drie maanden onder 24-uurs begeleiding.

4.5

De GI verzoekt het schorsingsverzoek af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In de hoofdzaak:

5.1

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Krachtens het bepaalde in artikel 1:265c lid 1 en lid 2 BW is de duur van de machtiging ten hoogste een jaar en kan deze duur op verzoek van de GI door de kinderrechter telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd.

5.2

De moeder is van mening dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in zijn belang noodzakelijk is. De moeder voert daartoe aan dat zij zelf voor [de minderjarige] wil en ook kan zorgen. Zij staat open voor alle hulpverlening en is ook in staat en bereid om te leren. De moeder meent, onder verwijzing naar zich bij de stukken bevindende rapporten van Altra en het daarin neergelegde advies, dat zij de kans moet krijgen om in een moeder-kindhuis van Altra onder 24-uurs begeleiding aan te tonen dat zij in staat is om zelf voor [de minderjarige] te zorgen. Voorts voert de moeder aan dat een uithuisplaatsing een ultimum remedium is. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de opvoedvaardigheden van de moeder en naar de vraag of zij nu, dan wel in de toekomst kan voldoen aan de zorg die [de minderjarige] nodig heeft. De moeder verzoekt daarom een onafhankelijke deskundige te benoemen, zodat kan worden onderzocht of er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging die dusdanig is dat [de minderjarige] uit huis moet worden geplaatst of dat een dergelijke dreiging met andere hulpverlening kan worden afgewend. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder voorts nog aangevoerd dat de zorgen over de kwetsbaarheid van [de minderjarige] onvoldoende met medische stukken zijn onderbouwd. Derhalve is onvoldoende gebleken dat [de minderjarige] dermate specifieke medische zorg nodig heeft, dat de moeder hem die niet kan bieden. De moeder heeft verder positieve stappen gezet in het werken aan haar probleemgebieden, zodat niet kan worden gezegd dat zij thans ongeschikt is om voor [de minderjarige] te zorgen, aldus de moeder.

5.3

De GI is van mening dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. [de minderjarige] is een prematuur geboren baby. Hij is extreem kwetsbaar en heeft specifieke en intensieve zorg nodig. Er zijn grote zorgen over de kwetsbaarheid en de ontwikkeling van [de minderjarige] . Tegelijkertijd is de moeder zelf ook kwetsbaar en heeft zij een specifieke zorgvraag. Daarnaast zijn er ook grote zorgen over de zorg- en opvoedvaardigheden van de moeder. Op 7 maart 2019 heeft er een 24-uurs observatie van de moeder en [de minderjarige] plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de zorgen over de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en de zorgen over de zorg- en opvoedvaardigheden van de moeder dermate groot zijn, dat deze niet kunnen worden weggenomen in een 24-uurs setting, zoals het moeder-kindhuis van Altra. De GI is voorts van mening dat reeds al het mogelijke is geprobeerd om te onderzoeken of [de minderjarige] bij zijn moeder kan opgroeien. De GI concludeert dan ook dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij de moeder ligt. De GI stelt voorts dat Altra in haar advies onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van [de minderjarige] en zijn kwetsbare positie. Een uithuisplaatsing is noodzakelijk om [de minderjarige] een zo gezond en veilig mogelijk leven te bieden. [de minderjarige] verblijft thans in een medisch pleeggezin waarin hij wordt verzorgd door zijn pleegmoeder ( [X] ) en haar huisgenoot ( [Y] ). Er wordt gezocht naar een passend, perspectief biedend pleeggezin. Het is in het belang van de hechting en de verdere ontwikkeling van [de minderjarige] dat hij zo spoedig mogelijk wordt overgeplaatst.

Ter zitting in hoger beroep heeft de GI medegedeeld dat thans wordt onderzocht of [Y] mogelijk als perspectief biedende pleegouder voor de lange termijn voor [de minderjarige] kan zorgen, zodat [de minderjarige] niet meer zou hoeven te verhuizen.

5.4

De raad heeft zich ter zitting in hoger beroep geconformeerd aan het standpunt van de GI. [de minderjarige] is kwetsbaar. De moeder is een jonge moeder die net met haar opleiding is gestart en nog geen startkwalificatie heeft. Ook is sprake van emotieregulatie-problematiek bij de moeder. De moeder is eerder, ondanks daartoe strekkende adviezen, niet in therapie gegaan. De moeder heeft haar leven nog niet op orde. De moeder heeft zich in het verleden ongeduldig getoond jegens [de minderjarige] . Als zij de zorgen over [de minderjarige] onderschat, kan dat voor [de minderjarige] levensbedreigend zijn. De raad voorziet dat de moeder niet gelukkig gaat worden in een 24-uurssetting zoals het moeder-kind huis van Altra. Als een dergelijke plaatsing inderdaad niet goed gaat, moet alles weer worden teruggedraaid. [de minderjarige] is nu op een goede plek, waar hem mogelijk ook perspectief kan worden geboden. [de minderjarige] dient op een prikkelarme en medisch verantwoorde plek te blijven, zodat hij veilig is. De moeder moet in staat worden gesteld om haar leven op orde te krijgen en een moeder op afstand te zijn. De moeder dient de begeleide omgang met [de minderjarige] te behouden, zodat [de minderjarige] een band met haar kan opbouwen, aldus de raad.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [de minderjarige] is na een zwangerschap van 25 weken geboren, met een geboortegewicht van 775 gram. Hij was extreem prematuur. Na zijn geboorte heeft [de minderjarige] 100 dagen ademhalingsondersteuning gehad, waardoor hij een ernstige vorm van de longaandoening BPD heeft ontwikkeld. [de minderjarige] is daardoor erg gevoelig voor longinfecties. Ook heeft [de minderjarige] trauma in zijn mond, doordat hij langdurig is beademd. Als gevolg van dit trauma en omdat [de minderjarige] geen hongerprikkel ervaart, gaat het voeden van [de minderjarige] zeer moeizaam. Dit is zorgelijk, omdat voldoende voeding noodzakelijk is voor zijn ontwikkeling. Verder is [de minderjarige] prikkelgevoelig en heeft hij veel rust en een voorspelbare leefomgeving nodig. Voor een prikkelgevoelige baby als [de minderjarige] is het van levensbelang om zo min mogelijk stress te ervaren, zodat hij ruimte krijgt voor zijn hersenontwikkeling. Indien [de minderjarige] te veel prikkels krijgt, heeft dit ook direct weerslag op zijn eetgedrag. [de minderjarige] heeft verder een achterstand in zijn motorische- en in zijn spraak-taalontwikkeling. Mogelijk is sprake van hersenschade. Tenslotte is [de minderjarige] doof of slechthorend aan één oor en heeft hij geregeld last van een blaasontsteking.

In verband met zijn kwetsbaarheid heeft [de minderjarige] specifieke en intensieve zorg nodig in een schone, veilige en gestructureerde leefomgeving. Daarbij is het van belang dat zijn opvoeder enige medische kennis heeft, zodat infecties zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen. Ook is het van belang dat [de minderjarige] een opvoeder heeft die veel tijd kan investeren in het voeden. Het voeden van [de minderjarige] kost gemiddeld tussen de vier en acht uur per dag en vergt naast deskundigheid zeer veel geduld. Voorts heeft [de minderjarige] een opvoeder nodig die deskundige adviezen opvolgt en medische controles goed nakomt. Het is van belang dat [de minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt gestimuleerd, zonder dat hij wordt overvraagd. [de minderjarige] heeft iemand nodig die kan zien hoe het met hem gaat en waaraan hij behoefte heeft. Tenslotte is het voor de hechting van belang dat [de minderjarige] een vaste opvoeder heeft die deze zorg zoveel mogelijk zelf uitvoert, zo blijkt ook uit een rapport van William Schrikker Pleegzorg van 30 september 2019.

[de minderjarige] verblijft sinds 1 november 2018 in een medisch pleeggezin, waarin hem deze intensieve zorg wordt geboden.

5.6

Voorts zijn er zorgen over de kwetsbaarheid en de persoonlijke situatie van de moeder. Zo is bij de moeder sprake van ADD, trauma en vermoedelijk hechtingsproblematiek. Ook is sprake van schuldenproblematiek. Verder heeft de moeder in het verleden een passieve houding laten zien ten aanzien van het oplossen van problemen en neemt zij in moeilijke situaties een conflictueuze houding aan. Daarnaast zijn er ook zorgen over de zorg- en opvoedvaardigheden van de moeder. Zo is tijdens een 24-uurs observatie, alsmede tijdens de diverse omgangsmomenten met [de minderjarige] , gebleken dat het de moeder niet lukte om [de minderjarige] structuur, rust en een prikkelarme omgeving te bieden. Ook lukte het haar niet steeds om [de minderjarige] voldoende voeding te geven. De moeder ving de signalen van [de minderjarige] onvoldoende op en ook was zij onvoldoende in staat om naar die signalen te handelen. Bovendien zijn er zorgen dat de moeder de kwetsbaarheid van [de minderjarige] onderschat en bagatelliseert, aangezien zij (opvoedings- en verzorgings)adviezen onvoldoende overneemt.

5.7

Het hof overweegt vooreerst dat voldoende aannemelijk is dat [de minderjarige] extreem kwetsbaar is en dat hij specifieke en intensieve zorg nodig heeft. Het hof baseert zich daarbij onder meer op de verslagen van de bij [de minderjarige] betrokken specialistische kinderfysiotherapeut, maar ook op de andere stukken in het dossier. Aan het standpunt van de moeder dat de zorgen rondom de kwetsbaarheid van [de minderjarige] niet vast staan omdat zij onvoldoende met stukken van medisch deskundigen zijn onderbouwd, gaat het hof dan ook voorbij.

5.8

Ter zitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat de moeder een aantal positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en dat zij haar best doet om haar leven op orde te krijgen, zodat zij uiteindelijk zelf voor [de minderjarige] zou kunnen zorgen. Zo heeft zij vaste woonruimte bij haar oma gevonden, is zij inmiddels met een opleiding gestart en heeft zij schuldhulpverlening geaccepteerd. Ook hebben haar begeleiders van Streetcornerwork ter zitting verklaard dat de moeder een groei heeft laten zien in de wijze waarop zij met moeilijke situaties omgaat en de houding die zij daarin aanneemt. De moeder heeft verklaard dat zij therapie wil gaan volgen op het gebied van emotieregulatie en bezig is te stoppen met roken.

Met dit alles is echter nog niet aannemelijk dat de moeder [de minderjarige] thans de specifieke en intensieve zorg kan bieden die hij nodig heeft. De moeder wil door middel van een opname in een moeder-kindhuis of door middel van een deskundigenonderzoek laten zien dat zij thans wel over de benodigde vaardigheden beschikt, dan wel dat zij voldoende leerbaar is om zich die eigen te maken. Ook Altra adviseerde tot een dergelijke opname.

Het hof overweegt dat de moeder, kort na de geboorte van [de minderjarige] , gedurende tweeënhalve maand samen met [de minderjarige] in het OLVG heeft verbleven waar zij onder begeleiding voor hem heeft gezorgd, dat er een 24-uurs observatie heeft plaatsgevonden en dat er veel begeleide omgangsmomenten tussen de moeder en [de minderjarige] zijn geweest. Zoals hiervoor onder 5.6 weergegeven, is echter telkens gebleken dat de moeder onvoldoende in staat was om aan de specifieke zorgvraag van [de minderjarige] te voldoen. Het hof is voorts met de GI van oordeel dat de zorgen over de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en de zorgen over de verzorgings- en opvoedvaardigheden van de moeder dermate groot zijn, dat een opname in een moeder-kindhuis voor [de minderjarige] te risicovol zal zijn. De GI heeft benadrukt dat, indien de moeder onvoldoende begeleiding krijgt en zij de zorgen omtrent [de minderjarige] onderschat, dit een risico op uitdroging, ondervoeding of een longontsteking oplevert, hetgeen voor [de minderjarige] levensbedreigend kan zijn. Ook in een moeder-kindhuis kan dergelijke intensieve begeleiding niet steeds in voldoende mate worden geboden, zo heeft de GI ter zitting onweersproken verklaard. Gezien de zeer kwetsbare situatie van [de minderjarige] acht het hof bij een dergelijke opname onvoldoende waarborg aanwezig voor de veiligheid van [de minderjarige] . Met [de minderjarige] veiligheid moet niet worden geëxperimenteerd. Het hof acht plaatsing van de moeder en [de minderjarige] in een dergelijke setting daarom niet in het belang van [de minderjarige] , ook al heeft Altra destijds anders geadviseerd.

5.9

De moeder heeft voorts verzocht om een onderzoek door een deskundige. Aangezien een dergelijk onderzoek vergt dat de interactie tussen [de minderjarige] en de moeder langdurig achtereen zou moeten worden geobserveerd, volgt uit het voorgaande dat het belang van [de minderjarige] , gezien zijn kwetsbaarheid, zich verzet tegen een dergelijk onderzoek. Voor het overige geldt dat de moeder haar verzoek niet heeft geconcretiseerd. Daarbij komt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] , die nu een jaar en vijf maanden oud is, nu reeds bijna een jaar duurt. [de minderjarige] heeft zich goed gehecht in zijn pleeggezin, waar hij waarschijnlijk kan blijven en zich veilig verder kan ontwikkelen. De aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder de verantwoordelijkheid voor hem zou kunnen dragen is – gezien de zeer jonge leeftijd van [de minderjarige] en zijn bijzondere kwetsbaarheid – dan ook al verstreken. Het hof gaat daarom ook aan dit verzoek van de moeder voorbij.

5.10

Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking de moeder onvoldoende in staat was om [de minderjarige] de opvoedingsomgeving en zorg te bieden die hij nodig heeft om zich veilig en stabiel te ontwikkelen. Het is niet aannemelijk dat dat thans anders is. Het belang van [de minderjarige] verzet zich tegen een nader onderzoek daarnaar. Het hof concludeert dan ook dat de gronden voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een medisch pleeggezin ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook op dit moment nog aanwezig zijn. De verzoeken van de moeder in hoger beroep moeten worden afgewezen en de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

In het schorsingsverzoek

5.11

Gelet op de in de hoofdzaak gegeven eindbeslissing heeft de moeder geen belang meer bij een beslissing op haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Haar verzoek zal worden afgewezen.

5.12

Dit alles leidt tot de volgende beslissing

6 De beslissing

Het hof:

In de hoofdzaak:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het anders of meer verzochte;

In het schorsingsincident:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. C.E. Buitendijk en
mr. J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van mw. C. de Bruin als griffier en is op
21 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.