Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:393

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
200.222.423/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderhandelingen tussen supermarktketen en franchisenemer. Geen overeenkomst tot stand gekomen. Afbreken onderhandelingen niet onrechtmatig. Geen andere grond voor schadeplichtigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.222.423/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/231068 / HA ZA 15-581

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 februari 2019

inzake

[X] FOOD B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

tegen

ALBERT HEIJN FRANCHISING B.V.,

gevestigd te Zaandam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.M.A. Canta te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] Food en AHF genoemd.

[X] Food is bij dagvaarding van 1 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 mei 2016, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [X] Food als eiseres en AHF als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met eisvermeerdering;

- memorie van antwoord, met een productie.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 november 2018 doen bepleiten, [X] Food door mr. A.W. Dolphijn, advocaat te Rotterdam, en AHF door mr. Canta voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities, waarvan exemplaren zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] Food heeft geconcludeerd, verkort weergegeven, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – haar vermeerderde eis zal toewijzen, met veroordeling van AHF in de kosten van beide instanties.

AHF heeft geconcludeerd, verkort weergegeven, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en – uitvoerbaar bij voorraad – [X] Food zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.24 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Door grief 1 wordt deze feitenvaststelling bestreden, maar zoals hierna onder de beoordeling zal blijken is dat onterecht. Samengevat en waar nodig aangevuld gaat het hof van het volgende uit.

2.1.

[X] Food exploiteerde sinds 2005 een supermarkt onder de C1000-formule aan de [adres] . Zij deed dat op basis van een zogenoemde ‘formule-overeenkomst’ met C1000 (voorheen [Y] Groothandel B.V.). De winkelruimte waarin [X] Food haar supermarkt dreef, huurde zij van [Y] Vastgoed B.V. en vervolgens van C1000 Vastgoed B.V.

2.2.

Eind 2011 heeft Jumbo Groep Holding B.V. met de aandeelhouder van C1000 overeenstemming bereikt over de overname van C1000.

2.3.

Ingevolge een besluit van 21 februari 2012 van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: NMa) was het Jumbo niet toegestaan om alle verworven C1000 vestigingen volgens haar formule te exploiteren. Gelet daarop zou een deel van de C1000 supermarkten door Jumbo worden doorgeleid naar Ahold, waarvan AHF een onderdeel is, of naar Coop. Een deel van de supermarkten die naar Ahold dan wel Coop zouden worden doorgeleid, betreft ‘NMa-specials’, supermarkten die op last van de NMa verplicht moesten worden afgestoten. [X] Food was geen NMa-special. Zij kwam ingevolge het voorgaande wel terecht op een lijst van vestigingen waarvan overgang naar Ahold werd beoogd.

2.4.

Bij brief van 23 augustus 2012 heeft Ahold aan [X] Food bericht:

“Zoals u weet is er tussen Ahold en Jumbo overeenstemming bereikt ten aanzien van de overgang van 82 C1000/Jumbo locaties. U bent ondernemer van de winkel in het bovengenoemde pand.

Inmiddels is de transactie afgerond. Dit betekent, gelet op de transactiestructuur, dat de locatie per 14 augustus 2012 aan u wordt verhuurd door Valk Vastgoed II BV. Dit is een concernvennootschap van Koninklijke Ahold N.V. en een dochteronderneming van Ahold Europe Real Estate & Construction B.V. Dit staat geheel los van de voorgenomen overgang naar de Albert Heijn formule. Hierover wordt u zeer binnenkort nader geïnformeerd. (…)”

2.5.

In het eerste gesprek dat op 18 september 2012 tussen partijen heeft plaatsgevonden over een overgang van [X] Food naar de Albert Heijn-formule, zijn aan [X] Food overhandigd: een vestigingsplaatsonderzoek van juli 2012, een Lange Termijn Planning (hierna: de LTP) met toelichting van 14 september 2012 en een standaard franchiseovereenkomst.

2.6.

Op 11 maart 2013 is tussen AHF en de Vereniging C1000 (een vereniging van franchisenemers van de C1000-formule) een overgangsregeling tot stand gekomen (hierna: de Overgangsregeling). Daarin staat onder meer:

“(…) OVERWEGINGEN

(A) In aansluiting op de overname door Jumbo Groep Holding B.V. van C1000, heeft Koninklijke Ahold N.V. of een aan haar gelieerde vennootschap (hierna gezamenlijk Ahold) met C1000 een overeenkomst gesloten op grond waarvan AH de verhuurrechten met betrekking tot 78 C1000 vestigingspunten van C1000 heeft overgenomen. Voorts heeft AH daarbij de inspanningsverplichting op zich genomen om met de C1000 ondernemers die de desbetreffende C1000 supermarkten exploiteren (Ondernemers) tot overeenstemming te geraken ter zake van een nieuw af te sluiten franchise overeenkomst (FO).

(B) In het licht daarvan wensen partijen in deze overeenkomst raamwerk afspraken vast te leggen waaronder Ondernemers kunnen overgaan naar de AH formule (de Overeenkomst of inhoudelijk de Overgangsregeling).

(C) Als uitgangspunt voor de Ondernemer voor de Overgangsregeling geldt dat (i) de Ondernemer onder de AH Formule op basis van een realistisch haalbaar en genormaliseerd exploitatieprofiel (gecorrigeerd voor buitengewone baten en lasten), vastgelegd in een Lange Termijn Plan (LTP), in werkelijkheid hetzelfde genormaliseerde rendement realiseert als voorafgaand aan de formule overgang onder de C1000 Formule werd gerealiseerd (genormaliseerd voor buitengewone baten en gecorrigeerd voor Marktomstandigheden) en (ii) het eigen vermogen van de Ondernemer vijf jaar na de overgang naar de C1000 Formule gelijk is aan het eigen vermogen voor het moment van overgang (gecorrigeerd voor de onverdeelde winst en privémutaties).

(D) Als uitgangspunt voor AH voor de Overgangsregeling geldt dat de Ondernemer onder de AH formule op basis van het bijbehorend verdienmodel vastgelegd in een Lange Termijn Plan (LTP) in staat wordt gesteld een extern financierbare AH winkel te exploiteren, rekening houdend met de regelingen in deze overeenkomst.

(…)

2. DE OVEREENKOMST

2.1.

Deze Overeenkomst behelst een raamwerk van afspraken waarop door iedere individuele Ondernemer jegens AH een beroep kan worden gedaan in het kader van de overgang naar AH. In dat opzicht dienen de bepalingen in deze Overeenkomst ten aanzien van de individuele Ondernemer te worden beschouwd als een derdenbeding, met dien verstande dat iedere Ondernemer vrij is om te bepalen of en zo ja onder welke voorwaarden hij bereid is over te gaan naar AH.

2.2.

Deze regeling verplicht geen enkele Ondernemer bij voorbaat om mee te werken aan een overgang naar AH. Iedere Ondernemer zal, onder het voorbehoud van het bereiken van overeenstemming tussen hem en AH, individueel een overeenkomst met AH sluiten waarbij ruimte is voor individueel passend maatwerk in aanvulling op of afwijking van de in deze overeenkomst neergelegde afspraken. (…)”

In deze overeenkomst is voorts bepaald dat aan iedere ondernemer de standaard franchiseovereenkomst zou worden aangeboden, waarop individuele aanpassingen mogelijk waren en dat per vestiging een LTP zou worden opgesteld waarin onder meer de exploitatie- en investeringsbegroting was opgenomen. De LTP was van belang omdat de door AHF te verstrekken commerciële bijdragen, ombouwbijdragen en overige bijdragen, alsmede de hoogte daarvan, onder meer afhankelijk waren van de cijfers uit de LTP.

2.7.

Op 5 april 2013 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden. Een derde gesprek heeft op 6 juni 2013 plaatsgevonden. In het gespreksverslag daarvan staat onder meer:

“(…) De ondernemer heeft geen behoefte om op voorhand een vervolg gesprek te plannen om de gesprekken met betrekking tot de huidige locatie voort te zetten. De ondernemer wil de ontwikkelingen afwachten en zal als hij de tijd daar rijp toe acht contact met AHF opnemen omtrent een vervolg gesprek. (…)”

2.8.

Een eerstvolgend gesprek tussen [X] Food en AHF heeft op 29 augustus 2014 plaatsgevonden.

2.9.

Bij e-mail van 22 oktober 2014 heeft AHF aan [X] Food een

concept-aanbieding gezonden. In de e-mail staat onder meer:

“(…) Ik ga er vanuit dat er nog het nodige te bespreken valt om tot een definitieve aanbieding te komen. In elk geval zijn dan financiële gegevens van de exploitatie BV zoals jaarcijfers (2013) en een tussentijdse rapportage (periode 8 2014) noodzakelijk. Ik hoop dat er ook zo snel mogelijk duidelijkheid komt mbt de vastgoedzaken, zodat we daar in de aanbieding ook rekening mee kunnen houden. (…)”

2.10.

In reactie daarop heeft [X] Food bij brief van 14 november 2014 aan AHF

bericht:

“(…) Vanzelfsprekend staan we er voor open om (verder) met U in gesprek te gaan omtrent (de voorwaarden voor) het aangaan van een Albert Heijn franchiseovereenkomst. (…)

Hoewel we bereidwillig zijn om (verder) met u in gesprek te gaan over de maatwerkafspraken, geven we er de voorkeur aan om de gesprekken met Albert Heijn op te schorten (…)”

2.11.

Daarop heeft AHF op 19 november 2014 aan [X] Food bericht:

“(…) Op 22 oktober 2014 hebben wij u een aanbiedingsbrief gestuurd voor het aangaan van een Albert Heijn franchiseovereenkomst, u heeft op 14 november j.l. schriftelijk te kennen gegeven dat u vooralsnog niet (verder) in gesprek wenst te gaan over de voorwaarden voor een overeenkomst. Wij respecteren dat besluit, echter in eerdere gesprekken hebben wij aangegeven dat de tijd voor het ombouwproces, van aanloop en voorbereiding tot ombouw, ruim 30 weken is.

Gezien het feit dat Jumbo heeft aangegeven dat de C1000 formule na het tweede kwartaal 2015 niet langer ondersteund wordt, willen wij u graag de mogelijkheid geven om alvast de voorbereidingen voor een ombouwproces op te starten en deze voorbereidingen voorlopig los te koppelen van de gesprekken over een Franchiseovereenkomst. (…)”

[X] Food is hiermee akkoord gegaan.

2.12.

Op 4 december 2014, 6 januari 2015 en 27 januari 2015 is wederom gesproken over de ombouw van de vestiging van [X] Food naar een Albert Heijn filiaal. Daarbij zijn meerdere onderwerpen aan de orde gekomen. In het gespreksverslag van 27 januari 2015 staat:

“(…) De aanbieding is verwoord in de toelichting op de LTP. Dit is nog een praatplaatje waarvoor wij nog geen mandaat van de directie hebben. De Lening van AHF hebben wij opgenomen omdat wij inschatten dat financiering van de investeringen (mede gezien de huidige ontwikkelingen en uitkomsten van de LTP) wel eens moeilijk kunnen worden. (…)”

2.13.

In een gespreksverslag van 19 februari 2015 is vermeld dat bij een volgende bespreking op 12 maart 2015 onder meer aan de orde zullen komen:

“(…) Status en voortgang van het project, gesprekken en onderhandelingen

(…)

- Uitgangspunten/contouren voor een aanbieding/overeenkomst

(…)

- Plannen afspraak voor het ondertekenen van de contractstukken.

(…)”

2.14.

In reactie daarop heeft [X] Food op 20 februari 2015 aan AHF bericht:

“(…) Zoals reeds eerder gemeld zal er niet eerder ondertekend (als er al getekend wordt) kunnen worden wanneer de problematiek met C1000 niet is opgelost. (…) De optie om het te verkopen aan Jumbo komt dan ook steeds vaker bij mij op.

(…)

Ik wil nogmaals benadrukken dat de druk die bij mij ligt voor mij als zeer groot wordt ervaren. Ik wens geen beslissingen te nemen onder deze omstandigheden.

Ik laat mij niet onder druk zetten. U kunt een planning maken wat u wilt. (…)”

2.15.

Op 10 maart 2015 heeft AHF een aangepaste LTP met toelichting aan [X] Food gestuurd ter voorbereiding op een bespreking die op 12 maart 2015 zou plaatsvinden. In de begeleidende e-mail is vermeld:

“(…) Ik wil voor donderdag a.s. de volgende agenda voorstellen:

* Gespreksverslag van 19 februari j.l. met de reacties daarop

(…)

* Uitgangspunten en voorwaarden voor een aanbieding/overeenkomst met AHF (…)

* Maken afspraak voor het ondertekenen van de contractstukken (…)”

2.16.

[X] Food bleek zich niet in de LTP te kunnen vinden. De heer [A] (hierna: [A] ), die naast de heer [B] (hierna: [B] ) als adviseur van [X] Food optrad, heeft in dat kader op 12 maart 2015 aan AHF geschreven:

“(…) We verschillen van mening over de uitgangspunten van dit LTP en hierna is toegelicht de aanpassen/wijzigingen met de argumentatie.

(…)

Conclusie is dat de exploitatie een te hoog risicoprofiel heeft. Een oplossingsrichting is m.i. om de door AH te verstrekken achtergestelde lening als bijdrage in de eerste 5 jaar te verstrekken. (…)

Laten we e.e.a. op korte termijn met elkaar afstemmen danwel een vervolg gesprek plannen.”

2.17.

Daarop heeft AHF op 18 maart 2015 aan [X] Food onder meer geschreven:

“(…) Zoals in ons laatste gesprek gesteld willen wij gaarne inzicht in de actuele ontwikkeling (…).

De instuwing marge 2014 onder de C1000 formule bedraagt 28,7% van de goederen omzet en 26,9% gerealiseerd. In de LTP is dit 26% (27,5% minus 1,5%). De dering is gezien de lagere omzet druk en type klant taakstellend (maar is met een goed beheer van de winkel haalbaar). Hooguit wil ik die voor de jaren 1 en 2 met 0,2% verhogen om de winkel te laten intrillen. (…)

In de LTP hebben wij een OPWU ingezet van € 173 en deze is haalbaar. In jr. 1 hebben wij de OPWU verlaagd met ca. 3% naar € 167 gemiddeld per jaar (en betekent dat de winkel in het jaar van opening geleidelijk groeit naar een OPWU van € 173. De door jouw gestelde OPWU van € 160k deel ik niet (dat zou een onvoldoende voorbereiding, opleiding en aansturing van de winkel organisatie impliceren). (…)

Ik ga (gezien vorenstaande) niet mee in jouw opstelling om de loonkosten te verhogen. (…)

Voor de overige kosten (waaronder de energiekosten) wil ik niet afwijken van de standaard bedragen uit de LTP berekening. (…)

Dit betekent dat in de huur geen rekening is gehouden met de door de ondernemer gewenste uitbreiding van de winkel met meters van het gordijn atelier. (…)

Daarbij speelt dat de inhuur door REC hoger ligt dan de verhuur aan de ondernemer (bedrag van € 65k per jaar sinds de overname van het huurcontract. De huur per meter ligt onder marktwaarde waarbij REC nog in overweging heeft al dan niet een huuraanpassingsprocedure op te starten.

De afschrijvingskosten en rentekosten in jouw opstelling zijn afwijkend van die in de LTP.

De balanspositie is niet overeenkomstig mijn opstelling in de LTP, zoals;

* Actief in aanbouw: dit zijn ontwikkelkosten voor de relokatie propositie en hebben niets met de exploitatie van de winkel te maken (en dienen derhalve te worden voorzien ten laste van de huidige exploitatie daar de inbaarheid van deze post betwistbaar is). Ik wil daarom dat deze post uit de begin balans positie gaat.

* de voorraadpositie is hoger dan in de LTP (en dat is mogelijk gezien de lage omzetdruk) maar dan wordt ook het leverancierskrediet meer dan evenredig hoger (heb ik je al eerder uitgelegd).

* de lening van ING van € 37 laat jij staan maar die wordt in jr 1 afgelost

* de transitorische posten heb ik lager opgenomen (betaald) omdat die erg hoog zijn (het lijkt mij zinvol de opbouw van deze post toe te lichten.

Ergo: ik wil gaarne dat er wordt gestart met een schone balanspositie (…)

De door jouw berekende kredietbehoefte ligt daardoor ca. € 200k hoger dan berekend in mijn LTP.

Jouw voorstel is om de door AHF te verstrekken lening van € 550k te kwijten over de jaren 1 tem 5. Wij gaan hiermee niet akkoord. (…)

Wij hebben via REC begrepen dat de ondernemer de opening van de winkel wil verschuiven naar wk 34 (en de winkel dan einde wk 31 sluit.) De (eventuele) konsekwenties van dit esluit zijn niet aan AHF.

Wel wil ik aangegeven dat daarbij de boekwaarde lager zal zijn en daarmee de desinvestering bijdrage lager (mede gezien enkele geactiveerde posten).

Wij zullen uiterlijk volgende week een getekende overeenkomst (minimaal een door de ondernemer ondertekende verklaring) met de ondernemer dienen te hebben willen Format/REC kunnen doorwerken aan het projekt. (…)”

2.18.

Op 20 maart 2015 hebben C1000 en [X] Food een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin staat:

“(…) De ondernemer ontvangt van C1000 op de eerstvolgende weekfactuur na feitelijke Closing en beëindiging van de C1000 exploitatie een eenmalige – niet aan derden overdraagbare – vergoeding ter hoogte van € 450.000,- (…). C1000 zegt deze vergoeding toe onder de voorwaarde dat de ondernemer voor 23 maart 2015 24.00 uur definitief akkoord heeft met (een groepsmaatschappij van) Koninklijke Ahold N.V. over het aangaan van een franchise en leveringsovereenkomst. (…)”

2.19.

Bij e-mail van 20 maart 2015 heeft AHF aan [X] Food bericht:

“(…) Maandag 23 maart einde dag zal ik telefonisch een reactie geven op het verzoek om het aanbod van AHF aan te passen.

Het verzoek houdt in en overstijgt het directie mandaat fors:

1. Geen huurverhoging (behoudens reguliere indexering) gedurende de looptijd van de FO tot 2026

2. Renteloze lening ad 550K omzetten in een lening van 350K en een lening met kwijting van 200K, te kwijten in 10 jaar.

Uitgangspunten: toelichting LTP dd 10-3-2015, ombouw binnen de bestaande muren en uiterlijk week 29 2015.

Tevens bevestig ik hierbij dat dit uitstel nog (net) past in ons tijdspad voor een eventuele migratie van C1000 [X] Food naar Albert Heijn. (…)”

2.20.

Bij e-mail van 21 maart 2015 heeft Jumbo aan [X] Food geschreven:

“(…) Om misverstanden te voorkomen wil ik je er op wijzen dat ons aanbod van 400 k slechts geldt in geval van onvoorwaardelijke overeenstemming en tijdige overgang naar AH. Als er voor morgen geen akkoord met Ahold wordt bereikt, komt ons aanbod te vervallen en kan [X] er in de toekomst geen rechten meer aan ontlenen. (…)”

2.21.

In de avond van 23 maart 2015 heeft [A] namens [X] Food aan AHF

geschreven:

“(…) Na intensief overleg met [X] , kan ik je mededelen dat hij akkoord gaat met de transitie naar AH.

Dit op basis van de laatste opgestelde LTP d.d. 10 maart 2015, met toelichting. En de aanpassingen in de onderstaande ondersteunende mail van [C] .

Met deze uitgangspunten kunnen de stukken definitief opgemaakt worden ter ondertekening door [X] .

Het is een moeizaam proces van beide kanten geweest, met dan toch de positieve afronding. (…)”

2.22.

Daarop heeft de heer [D] (hierna: [D] ) die namens AHF als onderhandelaar optrad op 24 maart 2015 aan [A] (en [B] ) geschreven:

“(…) De inhoud van jouw e-mail verbaasde mij enigszins nu ik [B] gisterenmiddag heb laten weten dat wij na intern overleg geen aanleiding zien om jullie aanvullende voorwaarden te accepteren.

Zowel het voorgaande als het feit dat er eveneens over een groot aantal zaken geen overeenstemming is, is de aanleiding om te concluderen dat er tussen partijen geen deal is.

Wij hebben C1000/Jumbo hierover inmiddels geïnformeerd. (…)”

2.23.

In reactie daarop heeft [B] namens [X] Food op 24 maart 2015 aan AHF bericht:

“(…) De aanvullende voorwaarden heb ik afgelopen week eerst met je afgestemd met het verzoek om er na te kijken en te bezien of er intern draagvlak voor is te krijgen, de terugkoppeling gisteren hebben we geaccepteerd.

Ook de overige voorwaarden waarover geen overeenstemming was zoals, exclusiviteitsgebied, geen uitbreiding van de huidige m2, pick-up point, en overige zaken hebben we hebben we geaccepteerd.

Voor alle duidelijkheid, we zijn nog steeds in onderhandeling.

De conclusie om te concluderen dat er tussen partijen geen deal is te voorbarig en onjuist. (…)”

2.24.

Bij brief van 3 april 2015 heeft [X] Food AHF gesommeerd om uiterlijk 9 april 2015 te bevestigen dat haar supermarkt zou worden omgevormd naar de Albert Heijn-formule, bij gebreke waarvan zij AHF aansprakelijk hield voor de door haar te lijden schade.

2.25.

Korte tijd later heeft [X] Food overeenstemming bereikt met Jumbo over de ombouw van de supermarkt naar de Jumbo-formule. Bij brief van 27 mei 2015 heeft Jumbo aan [X] Food geschreven:

“(…) Betreft: bevestiging van gemaakte afspraken (d.d. 15 en 21 april 2015) (…)

Bij deze feliciteren wij u met uw besluit inzake de ombouw van uw C1000 supermarkt, gelegen te [adres] naar de Jumbo supermarktformule. (…)

Onderstaand bevestigen wij hetgeen wij met u zijn overeengekomen tijdens de gesprekken d.d. 15 en 21 april 2015 (…)”

2.26.

Na 24 maart 2015 zijn de verhuurrechten van de winkelruimte waarin [X] Food haar supermarkt dreef (terug)geleverd aan het concern van Jumbo.

2.27.

Op 31 oktober 2016 is onder de kop “ [X] weg bij Jumbo in [plaats 1] ” in [plaats 2] een bericht verschenen in wijkkrant “De ZuidWester” met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“(…) Een paar jaar geleden lag [X] nog langdurig dwars bij het verkopen van C1000 aan Jumbo. [X] zou het liefst door zijn gegaan met C1000, maar die supermarktformule stopte. Zijn filiaal stond destijds in de planning om een Albert Heijn te worden, maar dat wilde [X] beslist niet. Tot op het laatste moment heeft hij (…) zich daar tegen verzet, en met succes: zijn C1000 werd toch een Jumbo. (…)”

3 Beoordeling

3.1.

In deze zaak heeft [X] Food in eerste aanleg gevorderd dat uitvoerbaar bij voorraad,

I. (primair) voor recht wordt verklaard dat:

i. tussen [X] Food en AHF een overeenkomst tot stand is gekomen tot ombouw van de C1000 supermarkt van [X] Food naar de Albert Heijn-formule;

ii. AHF te kort is geschoten in de nakoming van deze overeenkomst;

iii. deze overeenkomst ontbonden is;

iv. deze overeenkomst is omgezet in een schadevergoedingsplicht;

II. (subsidiair) voor recht wordt verklaard dat AHF schadeplichtig is wegens het onrechtmatig afbreken van onderhandelingen;

III. voor recht wordt verklaard dat AFH ingevolge één of meer van voornoemde gedragingen aansprakelijk is voor de daardoor geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat;

IV. AHF wordt veroordeeld tot vergoeding van:

a. de buitengerechtelijke kosten van deze procedure;

b. de proceskosten;

c. de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.

3.2.

De rechtbank heeft de vorderingen van [X] Food afgewezen en [X] Food veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente. Hiertegen is het hoger beroep gericht.

3.3.

Bij memorie van grieven heeft [X] Food haar eis vermeerderd. Naast hetgeen hiervoor onder 3.1 is vermeld, luidt het onder II. (subsidiair) door haar gevorderde thans als volgt:

II. (subsidiair) voor recht wordt verklaard dat AHF schadeplichtig is wegens:

  1. het onrechtmatig afbreken van onderhandelingen en

  2. het feit dat AHF zich anderszins onrechtmatig heeft gedragen, in het bijzonder door [X] Food onnodig aan het lijntje te houden.

3.4.

De primaire stelling van [X] Food is dat tussen partijen een overeenkomst is tot stand gekomen. In rov. 5.6 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat dit niet het geval is. Op dit oordeel ziet grief 2, alsook grief 1 sub c van [X] Food. Deze grieven zullen nu als eerste worden behandeld.

Grief 2 en grief 1 sub c

3.5.

De rechtbank heeft vooropgesteld dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding en is tot het oordeel gekomen dat AHF nooit een voldoende bepaald aanbod heeft gedaan (zie rov. 5.1 en 5.4-5.6 van het bestreden vonnis).

3.6.

Primair betoogt [X] Food in grief 2 dat AHF haar wel degelijk (uitdrukkelijk) een concreet en voldoende bepaald aanbod heeft gedaan. Zij stelt daartoe het volgende. De door AHF voorgestelde voorwaarden voor de samenwerking waren voor het overgrote deel vaststaand, te weten de (geüniformeerde) franchiseovereenkomst met bijlagen, de huurovereenkomst en de Overgangsregeling. Vaststond bovendien dat [X] Food haar supermarkt onder de formule van Albert Heijn zou gaan exploiteren. Partijen hebben over een periode van circa anderhalf jaar (gerekend tot 23 maart 2015) alleen nog onderhandeld over de vraag hoeveel AHF zou bijdragen in de kosten om tot een overgang naar de Albert Heijn-formule te komen (zoals bedoeld in de Overgangsregeling). Alleen de uitleg/invulling van de uitgangspunten van de Overgangsregeling stond dus nog ter discussie, dit betrof detailpunten. Voor het overige bestond overeenstemming, aldus [X] Food. AHF betwist dit.

3.7.

Het hof volgt het betoog van [X] Food niet. Uit de artikelen 2.1 en 2.2 van de Overgangsregeling volgt 1) dat iedere onderneming zoals [X] Food vrij was om te bepalen of (en zo ja onder welke voorwaarden) zij bereid was over te gaan naar Albert Heijn en 2) dat met iedere onderneming een (individuele) overeenkomst zou worden gesloten. Daarbij zou ook ruimte zijn voor maatwerk in aanvulling op of in afwijking van de afspraken in de Overgangsregeling.

3.8.

Partijen hebben over een lange periode daadwerkelijk over diverse onderwerpen en op maatwerkniveau onderhandeld. Tot medio november 2014 waren zij bovendien nog in gesprek over de ‘maatwerkvoorwaarden’ voor het aangaan van een franchiseovereenkomst. Dergelijke voorwaarden vormden de basis van hun beoogde samenwerking. Bij brief van 22 oktober 2014 heeft AHF [X] Food daarvoor een 'concept-aanbieding' gedaan. In reactie daarop heeft [X] Food bij brief van 14 november 2014 het gesprek daarover opgeschort. Toen heeft AFH [X] Food voorgesteld wel alvast te starten met de voorbereidingen voor het ombouwproces en deze voorbereidingen voorlopig los te koppelen van de gesprekken over een franchiseovereenkomst. Dit omdat het ombouwproces ruim 30 weken zou beslaan en Jumbo had gemeld dat de C1000-formule na het tweede kwartaal van 2015 niet langer ondersteund zou worden (zie de brief van AHF van 19 november 2014). Daarmee heeft [X] Food ingestemd. Dat het accent daarna kwam te liggen op de bijdrage in de kosten en de daarvoor van belang zijnde LTP betekent dus niet dat over alle overige onderwerpen overeenstemming bestond.

3.9.

Naast de LTP bleven ook de maatwerkvoorwaarden voor (onder meer) het aangaan van een franchiseovereenkomst tot de onderwerpen behoren die bespreking behoefden om een overgang naar de Albert Heijn-formule mogelijk te maken. Dat partijen daarover nog in gesprek moesten, volgt ook uit de e-mail van 10 maart 2015 van AHF aan [X] Food waarin als agendapunt voor een volgende bespreking wordt vermeld: “Uitgangspunten en voorwaarden voor een aanbieding/overeenkomst met AHF”. De daarna op 18 maart 2015 door [X] Food ontvangen toelichting maakt dat niet anders. Deze zag immers alleen op de LTP (zoals ook de rechtbank in rov. 5.4 heeft vastgesteld). Het betoog van [X] dat op 23 maart 2015 sprake was van een ‘panklaar schriftelijk onvoorwaardelijk aanbod’ moet tegen die achtergrond worden verworpen. Dat betoog vindt geen steun in de feiten.

3.10.

Verder heeft de rechtbank in rov. 5.10 overwogen: “Partijen hebben weliswaar langdurig onderhandeld, maar van soepele onderhandelingen waarbij partijen elkaar steeds dichter hebben genaderd, lijkt geen sprake te zijn geweest.

3.11.

[X] Food stelt in grief 2 subsidiair dat partijen ‘zeker’ convergerend onderhandelden. Waar het volgens [X] Food om gaat, is dat al in een vroeg stadium door partijen de wil is geuit om samen te werken en dat gaandeweg ook wilsovereenstemming is bereikt over de voorwaarden waaronder zou worden samengewerkt, althans dat daartoe het vereiste vertrouwen is gewekt. Daaraan verbindt [X] Food in grief 2 (subsidiair) de conclusie dat om die reden op 23 maart 2015 sprake was van een overeenkomst.

3.12.

Aanbod en aanvaarding zoals bedoeld in art. 6:217 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) behoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden. De vraag of een overeenkomst met de door [X] Food gestelde inhoud is tot stand gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltexmaatstaf). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien (zie HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2043, rov. 3.3.2). Aanbod en aanvaarding kunnen dus in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (zie de artikelen 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW).

3.13.

[X] Food legt op een aantal omstandigheden het accent, te weten dat:

1) AHF op 18 september 2012 een vestigingsplaatsonderzoek, een LTP en een standaard franchiseovereenkomst aan haar heeft verstrekt;

2) op collectief niveau onderhandelingen werden gevoerd met AHF en in dat verband op 11 maart 2013 de Overgangsregeling tot stand is gekomen;

3) AHF op 22 oktober 2014 een concept aanbieding heeft gedaan aan [X] Food;

4) met AHF op 27 januari 2015 is afgesproken dat zij een nieuwe begroting zou opstellen;

5) AHF op 10 maart 2015 een aangepaste LTP heeft verstrekt aan [X] Food;

6) AHF op 18 maart 2015 de LTP nader heeft toegelicht en

7) [X] Food op 20 maart 2015 een overeenkomst heeft gesloten met C1000 met het oog op de beëindiging van de C1000-exploitatie.

Voorts stelt [X] Food dat zij op 22 maart 2015 akkoord is gegaan met tekeningen van AHF voor de ombouw.

3.14.

Dit samenstel van (gestelde) omstandigheden is, gezien tegen de achtergrond van hetgeen overigens in dit geding is gebleken, echter onvoldoende om te oordelen dat een overeenkomst tot stand is gekomen in de door [X] Food bedoelde zin of dat zij daarop mocht vertrouwen. Na 14 november 2014 lag het accent op de bijdrage in de kosten van AHF, terwijl over andere aspecten van de overgang naar de Albert Heijn-formule, zoals de franchiseovereenkomst, nog moest worden gesproken. Van aanbod en aanvaarding was daarom nog geen sprake. Het is dus niet juist dat er overeenstemming bestond over de maatwerkvoorwaarden, anders dan [X] Food meent blijkens haar betoog in hoofdstuk 5 van haar pleitnota in hoger beroep. [X] Food kon die situatie niet (eenzijdig) veranderen door in de e-mail van [B] op 23 maart 2015 mee te delen dat zij akkoord ging met de overgang naar Albert Heijn.

3.15.

Grief 1 sub c hangt met de hoofdklacht van [X] Food dat wel degelijk een overeenkomst tot stand is gekomen samen. In deze grief richt [X] Food haar pijlen op rov. 5.11 van het bestreden vonnis waarin is overwogen: “Daar komt bij dat [X] Food na een lang traject van onderhandelingen die nog niet hadden geleid tot enige overeenstemming, op of omstreeks 20 maart 2015 twee nieuwe voorwaarden stelde die voor AHF niet aanvaardbaar waren. Dat AHF onder die omstandigheden geen vertrouwen meer had in verdere onderhandelingen, is niet verwonderlijk.” Ook deze grief gaat uit van de (onjuiste) veronderstelling dat over de belangrijkste aspecten van de samenwerking overeenstemming bestond tussen AHF en [X] Food. Volgens [X] Food heeft zij daarna nog even geprobeerd de rek op te zoeken met de genoemde twee (nieuwe) voorwaarden betreffende de huur en de lening, maar heeft zij die laten varen en heeft zij op 23 maart 2015 aan AHF gemeld in te stemmen met de voorwaarden van AHF. Daarmee was volgens haar ‘het voorstel’ van AFH (tijdig) aanvaard omdat dit tot en met 23 maart 2015 van kracht was.

3.16.

Volgens de e-mail van 20 maart 2015 van AHF overstegen de twee (nieuwe) voorwaarden van [X] Food “het directie mandaat fors”. Deze voorwaarden weken kennelijk aanzienlijk af van hetgeen AHF voor ogen stond. AHF is blijkens haar e-mail van 20 maart 2015 ingegaan op het verzoek van [X] Food om deze nieuwe voorwaarden in overweging te nemen. Anders dan [X] Food betoogt, staat in de e-mail van 20 maart 2015 van AHF niet dat daarbij een eventueel eerder aanbod van AHF onverkort gestand werd gedaan tot en met 23 maart 2015. Feiten of omstandigheden die een dergelijke uitleg ondersteunen, heeft [X] Food niet gesteld. Dat betekent dat de hoofdregel geldt dat het verzoek van [X] Food als een nieuw aanbod kwalificeert waardoor een eventueel eerder aanbod van AHF was vervallen (zie art. 6:225 lid 1 BW in verbinding met art. 6:221 lid 2 BW). Zelfs indien het hof (in afwijking van hetgeen hiervoor door het hof is geoordeeld) veronderstellenderwijs tot uitgangspunt zou nemen dat op enig moment sprake was van een aanbod van AHF dat voor aanvaarding vatbaar was, was dat op 23 maart 2015 dus niet meer het geval. Ook daarom heeft de e-mail van [B] van 23 maart 2015 niet tot overeenstemming geleid. De grieven 2 en 1 sub c kunnen dus niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

3.17.

De slotsom van het voorgaande is dat tussen [X] Food en AHF geen overeenkomst is tot stand gekomen. Dit strookt overigens met de inhoud van de e-mail van 24 maart 2015 van de direct bij het onderhandelingsproces betrokken adviseur van [X] Food ( [B] ) aan AHF. Hij schrijft daarin immers: “Voor alle duidelijkheid, we zijn nog steeds in onderhandeling.

Grief 3

3.18.

Nu tussen [X] Food en AHF geen overeenkomst is tot stand gekomen, is geen van de op die veronderstelde overeenkomst gebaseerde vorderingen toewijsbaar. Grief 3 van [X] Food behoeft daarom geen verdere behandeling.

Grief 4 (deel 1) en grief 1

3.19.

De nu te beantwoorden vraag luidt of AHF schadeplichtig is jegens [X] Food op grond van onrechtmatig afbreken van onderhandelingen.

3.20.

[X] Food bestrijdt in het eerste deel van grief 4 in algemene zin de juistheid van rov. 5.7 tot en met 5.14 van het bestreden vonnis waarin de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat van onrechtmatig door AHF afgebroken onderhandelingen geen sprake is geweest. Als enige concrete klacht vermeldt [X] Food hier dat de rechtbank in rov. 5.10 ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake lijkt te zijn geweest van onderhandelingen waarbij partijen elkaar steeds dichter zijn genaderd. Voor het overige heeft [X] Food volstaan met een niet nader onderbouwde verwijzing naar haar stellingen in eerste aanleg. Grief 1 bevat klachten die met dit geschilpunt samenhangen en meer op de zaak zijn toegespitst. Al deze grieven zullen nu gezamenlijk worden behandeld.

Grief 1 sub a, b en d

3.21.

De rechtbank heeft in rov. 5.10 overwogen: “Een overgang naar de Albert Heijn formule lag in de gegeven omstandigheden weliswaar voor de hand, maar een overgang naar een andere formule was niet uitgesloten.” En in rov. 5.11 heeft de rechtbank overwogen: “De omstandigheid dat AHF verhuurder van de door [X] Food geëxploiteerde winkel was geworden, stond en staat aan een exploitatie volgens een andere supermarkt formule niet in de weg.” De grieven 1 sub a, b en d van [X] Food komen tegen deze overwegingen op. [X] Food betoogt in essentie dat deze overwegingen onjuist zijn omdat [X] Food in een dwangpositie verkeerde en enkel comfort kon putten uit de toezeggingen in de Overgangsregeling. Daarom meent zij dat haar voortbestaan zowel in juridisch als economisch opzicht afhankelijk was van de overeenstemming die zij met AHF wenste te bereiken over de samenwerking. Volgens haar zou geen enkele andere organisatie haar vingers hebben willen branden aan het verlenen van medewerking aan de exploitatie van een supermarkt in een supermarktbedrijfsruimte die door het concern van Albert Heijn (als verhuurder) gedomineerd zou worden. Hieraan heeft zij toegevoegd dat zij niet wist (en niet kon weten) dat tussen AHF en Jumbo sprake was van een overeenkomst tot teruglevering van de verhuurrechten indien en voor zover geen overeenstemming zou worden bereikt met [X] Food.

3.22.

Dit betoog van [X] Food hangt samen met haar grieven onder 1 sub c en d. Die grieven luiden als volgt.

grief 1 sub c

3.23.

De rechtbank heeft in rov. 5.11 overwogen: “Dat de C1000 formule op korte termijn zou ophouden te bestaan en daarvoor al aan kracht verloor, is een omstandigheid die AHF niet regardeert en waarmee [X] Food al vanaf de overname van C1000 door Jumbo in 2012 rekening mee moest houden.” In grief 1 sub c wijst [X] Food erop dat de maatwerkafspraken over de LTP onder tijdsdruk stonden omdat het einde van de C1000-formule in zicht was. Dit was volgens [X] Food ook met AHF afgestemd. [X] Food meent dat AHF (en de rechtbank) gelet op de gerechtvaardigde belangen van [X] Food rekening had(den) behoren te houden met de omstandigheid dat de C1000-formule op korte termijn zou verdwijnen. In elk geval had de rechtbank ook dit volgens [X] Food in de beoordeling moeten betrekken als relevante omstandigheid gelet op de gerechtvaardigde belangen van [X] Food bij het (niet afbreken van het) onderhandelingstraject.

grief 1 sub d

3.24.

De rechtbank heeft – voor zover tot slot van belang – in rov. 5.12 overwogen: “Veelzeggend in dit verband is ook dat [X] Food na het afbreken van de onderhandelingen niet heeft aangedrongen op voortzetting daarvan, maar jegens AHF uitsluitend aanspraak heeft gemaakt op schadevergoeding en spoorslags met Jumbo een overeenkomst heeft gesloten.” [X] Food betoogt dat zij AHF weldegelijk, maar tevergeefs, bij brief van 3 en 10 april 2015 tot nakoming heeft gesommeerd. Alleen omdat de C1000-formule ophield te bestaan en AHF niet meer verder met haar wilde, heeft zij halsoverkop en ter beperking van haar schade haar onderneming ondergebracht bij de Jumbo-formule. Zij biedt aan te bewijzen dat harerzijds geen sprake is geweest van ‘dubbel spel’ (in die zin dat zij ook met Jumbo in gesprek was).

3.25.

Het hof oordeelt als volgt. Hoewel het bericht in wijkkrant De ZuidWester steun biedt voor de stelling van AHF dat [X] Food ‘dubbelspel’ heeft gespeeld, zal het hof bij de verdere beoordeling veronderstellenderwijs tot uitgangspunt nemen dat [X] Food op 23 maart 2015 nog niet in gesprek was met Jumbo en dat de brieven die in april 2015 zijn gestuurd wel als (serieuze) sommatiebrieven kwalificeren. Grief 1 sub d behoeft derhalve geen verdere bespreking.

3.26.

Voor de verdere beoordeling strekt tot uitgangpunt dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (zie HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, rov. 3.6).

3.27.

Het hof volgt [X] Food niet in haar betoog dat het afbreken van de onderhandelingen in dit geval onaanvaardbaar was.

3.28.

Van belang is allereerst dat [X] Food geen NMa-special was. Jumbo was dus niet verplicht deze supermarkt af te stoten. [X] Food kon daarom ook met Jumbo contracteren (hetgeen zij uiteindelijk ook heeft gedaan). Verder is tegenover het verweer van AHF niet komen vast te staan dat er reële nadelen verbonden waren aan het uitgangspunt dat de winkelruimte waarin [X] Food haar supermarkt dreef door het concern van Albert Heijn (als verhuurder) zou worden ‘gedomineerd’. Als gevolg daarvan is ook niet komen vast te staan dat [X] Food in een dwangpositie verkeerde. Dat betoog van [X] Food berust immers voornamelijk op de veronderstelling dat de overgang naar een andere formule dan Albert Heijn mede gelet op die huurrelatie geen echte optie was. De grieven 1 sub a, b en d van [X] Food worden daarom tevergeefs voorgesteld.

3.29.

Daarnaast was van meet af aan bekend dat de C1000-formule zou stoppen en heeft AHF [X] Food onder meer bij brief van 19 november 2014 erop gewezen dat de tijd drong omdat de C1000-formule na het tweede kwartaal 2015 niet langer zou worden ondersteund. Klaarblijkelijk is dat voor [X] Food nooit aanleiding geweest om de onderhandelingen te versnellen. Dat de C1000-formule op korte termijn zou ophouden te bestaan en daarvoor al aan kracht verloor, kan onder die omstandigheden niet ten nadele van AHF meewegen bij de beoordeling van de vraag of het afbreken van de onderhandelingen onrechtmatig was (zoals ook de rechtbank in rov. 5.11 heeft geoordeeld). Dat betekent dat ook grief 1 sub c tevergeefs wordt voorgesteld.

3.30.

Aldus resteert de stelling van [X] Food dat partijen elkaar in het onderhandelingsproces steeds dichter waren genaderd. Ook indien die stelling juist is, is dat in de gegeven omstandigheden echter onvoldoende om tot schadeplichtigheid te concluderen. Daartoe is het volgende redengevend.

3.31.

[X] Food heeft zich vanaf een vroeg stadium niet soepel opgesteld: op 6 juni 2013 heeft zij vermeld vooralsnog geen vervolggesprek te wensen (zie rov. 2.7 hiervoor), op 14 november 2014 heeft zij te kennen gegeven de voorkeur te geven aan opschorting van de gesprekken (zie rov. 2.10) en op 20 februari 2015 heeft zij bericht dat er niet ondertekend zal worden zonder dat de problematiek met C1000 is opgelost, als er al ondertekend zal worden, ongeacht de planning van AHF (zie rov. 2.14).

Vervolgens is op 19 maart 2015 het volgende gebeurd: er heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [D] en [X] (hierna: [X] ), de bestuurder van [X] Food. In dat gesprek heeft [X] aan [D] duidelijk gemaakt dat hij geen vertrouwen meer had in AHF. Volgens [X] was sprake van onjuiste/onvolledige informatie van AHF, van onjuiste gespreksverslagen en zou aan de wensen van [X] Food geen gehoor worden gegeven. [X] heeft in dat gesprek gezegd geen zaken meer met AHF te willen doen. Bij pleidooi in hoger beroep heeft [X] bevestigd dat zodanig gesprek heeft plaatsgevonden. Voorts heeft [X] Food omstreeks die tijd twee ingrijpende, nieuwe voorwaarden gesteld die voor AHF niet acceptabel waren (zie rov. 2.19 en 3.16 hiervoor). Als niet (voldoende gemotiveerd) betwist staat vast dat [D] in de middag van 23 maart 2015 per telefoon aan [B] (de adviseur van [X] Food) heeft gemeld dat AHF de twee nieuwe voorwaarden van [X] Food niet accepteerde. Toen heeft [D] ook gezegd dat AHF vanwege dit feit, het feit dat nog een groot aantal discussiepunten bleef bestaan en het moeizame verloop van de gesprekken geen vertrouwen meer had in een samenwerking met [X] Food. Op dat moment heeft AHF dus de onderhandelingen afgebroken. Gelet op haar gerechtvaardigde belangen stond haar dit vrij en kan het niet als onaanvaardbaar worden aangemerkt. Het is begrijpelijk dat, nadat [X] Food zich herhaaldelijk niet soepel had opgesteld, [X] in een telefoongesprek had medegedeeld geen vertrouwen in AHF te hebben, en [X] Food ingrijpende nieuwe voorwaarden had gesteld, voor AHF de maat vol was en dat zij vond dat het voor de franchiserelatie vereiste respect en vertrouwen ontbrak. Hierbij is mede van belang dat toen AHF de onderhandelingen afbrak, voor [X] Food duidelijk moest zijn dat volgens AHF nog gesproken moest worden over de maatwerkvoorwaarden en andere aspecten van de overgang naar de Albert Heijn-formule (zie rov. 3.9 en 3.14 hiervoor). Gelet op al deze omstandigheden kan het redelijkerwijs voor [X] Food ook niet als een verrassing gekomen zijn dat AHF de onderhandelingen afbrak. [X] Food mocht onder genoemde omstandigheden niet vertrouwen op het tot stand komen van een overeenkomst. Voor schadeplichtigheid is daarom geen plaats.

Grief 4 (deel 2)

3.32.

De nu nog te beantwoorden vraag luidt of AHF zich anderszins onrechtmatig jegens [X] Food heeft gedragen. Daarop ziet het tweede deel van grief 4.

3.33.

[X] Food heeft deze grondslag van haar vordering als volgt toegelicht. AHF heeft [X] Food onnodig lang aan het lijntje gehouden. Dit heeft zij uitsluitend gedaan om te voldoen aan haar inspanningsverplichting uit de Overgangsregeling om [X] Food een redelijk aanbod te doen. Daarna heeft AHF, zonder vergoeding aan te bieden, eenvoudigweg bedankt voor de belangstelling en ging het vestigingspunt van [X] Food weer terug naar Jumbo. De grief vervolgt dat als AHF open kaart had gespeeld [X] Food zich niet alleen de kosten aan onderhandelingen en adviseurs had kunnen besparen, maar ook zonder tijdsdruk en op een zorgvuldige wijze voor een alternatieve oplossing had kunnen zorgen.

3.34.

De stelling van [X] Food komt in essentie erop neer dat AHF niet oprecht in het onderhandelingsproces heeft gestaan en daarom in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het enige concrete feit dat [X] Food daarvoor heeft aangevoerd, is dat na 24 maart 2015 de verhuurrechten van het concern van Albert Heijn zijn (terug)geleverd aan het concern van Jumbo. Dat is echter pas gebeurd nadat de onderhandelingen tussen partijen op niets waren uitgelopen. Dat feit op zich is zonder nadere toelichting (die ontbreekt) daarom onvoldoende om tot schadeplichtigheid te concluderen. Andere voldoende concrete feiten en omstandigheden die tot de slotsom kunnen leiden dat AHF onrechtmatig jegens [X] Food heeft gehandeld, zijn niet gesteld of gebleken. Het betoog van [X] Food wordt daarom als onvoldoende onderbouwd verworpen.

Grief 5 en 6

3.35.

Uit de beslissingen in dit arrest volgt dat AHF niet aansprakelijk is voor de door [X] Food gestelde schade. Daarom zijn de op schadeplichtigheid van AHF gebaseerde vorderingen niet toewijsbaar. De grieven 5 en 6 van [X] Food behoeven daarom geen verdere behandeling.

Grief 7

3.36.

De bewijsaanbiedingen van [X] Food hebben geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing in deze zaak kunnen leiden en worden daarom als niet ter zake dienend gepasseerd. Grief 7 behoeft gelet hierop geen verdere behandeling.

Slotsom

3.37.

Het voorgaande betekent dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X] Food zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding.

3.38.

Bij deze uitkomst behoeft de stelling van AHF dat de grieven 1, 3 en 7 niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen geen bespreking en bestaat geen meer belang bij de bespreking van het bezwaar van AHF tegen de paragrafen 3.5, 3.6, 4.2, 4.4, 4.12, hoofdstuk 5 en 8.2 van de pleitnota van [X] Food in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

4.1.

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

4.2.

veroordeelt [X] Food in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van AHF begroot op € 716,00 aan verschotten en € 3.222,00 voor salaris en € 131,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

4.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, M.M. Korsten-Krijnen en M.J.J. de Bontridder en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2019.