Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3919

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
23-004465-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004465-18

datum uitspraak: 17 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 15 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-141138-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1970,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 11 september 2017 tot en met 27 juni 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam] , geboren op [geboortedag 2] 2007, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [naam] , geboren op [geboortedag 2] 2007, had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 11 september 2017 tot en met 27 juni 2018 te Amsterdam, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam] , geboren op [geboortedag 2] 2007, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Beroep op overmacht in de zin van noodtoestand

Door de raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte, kort gezegd, haar verantwoordelijkheid voor het welzijn van haar dochter [naam] zwaarder heeft laten wegen dan haar verplichting om te zorgen dat [naam] naar school zou gaan. [naam] is hoogbegaafd en werd ‘schoolziek’ doordat er geen passend onderwijs voor haar beschikbaar was. Nu er sprake is van overmacht in de zin van noodtoestand, verzoekt de raadsvrouw om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Noodtoestand als vorm van overmacht veronderstelt een conflict van plichten of belangen: de plicht om de (straf)wet na te leven, tegenover een maatschappelijke verplichting of veroorlovende norm om in de gegeven omstandigheden de wet te overtreden.

Bij het ontbreken van een medische verklaring als bedoeld in artikel 7 van de Leerplichtwet 1969 is naar ’s hofs oordeel onvoldoende aannemelijk geworden dat [naam] op lichamelijke of psychische gronden niet in staat was om naar school te gaan. De omstandigheid dat de verdachte met haar dochter destijds een huisarts heeft bezocht, maar dat zij geen medische verklaring wilde hebben omdat zo’n verklaring de hele leergang bemoeilijkt doordat het kind dan wordt ‘opgegeven’ is daarvoor onvoldoende.

Ook overigens is, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het dossier, naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een actuele concrete nood, als gevolg waarvan de verdachte, in de gegeven omstandigheden, niet anders had kunnen en behoeven te handelen.

Het hof verwerpt derhalve het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis waarvan € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van de strafmaat bepleit om in geval van strafoplegging aan de verdachte toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, nu zij zich steeds met de beste wil heeft ingespannen om goed onderwijs voor haar dochter te realiseren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende een periode van ruim 9 maanden niet voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat haar dochter, die als leerling van de [school] was ingeschreven, die school geregeld bezocht. De Leerplichtwet 1969 verplicht de ouder om hiervoor te zorgen om op deze manier in het belang van de jongere te trachten schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten te voorkomen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 september 2019, waaruit blijkt dat zij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Tot slot heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte moet rondkomen van een Bijstandsuitkering en heeft het hof ten voordele van de verdachte rekening gehouden met het feit dat de verdachte inmiddels een passende school voor haar dochter heeft gevonden en dat het nu veel beter gaat met [naam] . Het hof acht, alles afwegende, dan ook een geheel voorwaardelijke geldboete, zoals gevorderd door de advocaat-generaal passend en geboden. In hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd omtrent de strafmaat, ziet het hof geen aanleiding om in strafmatigende zin af te wijken van de eis, nu dit geen recht doet aan de ernst van het feit, gelet ook op de lange periode waarin het verzuim heeft plaatsgevonden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 oktober 2019.

mr. Durdu-Agema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]